
1 juni 2018 – Alice in Wonderland
Zoals altijd is het vinden van een parkeerplaats hier niet evident. Alles staat vol. Ik moet al drie rijen naar beneden rijden om in een verre hoek van de bovengrondse parking nog een plaats te vinden. Ik parkeer mijn auto en ga snel naar binnen. Ik heb zo lang moeten wachten op deze eerste consultatie dat te laat komen het laatste is dat ik wil.
Langs het mottige overdekte voetgangerspad uit de jaren ‘80 kom ik aan in de grote hal. Ik ga naar de elektronische inschrijvingsapparaten, steek mijn identiteitskaart erin, bevestig wie ik ben en wat ik kom doen, scan vlug mijn parkeerticket zodat ik als klant van dit gigantische bedrijf minder dan een ordinaire bezoeker moet betalen om mijn auto hier te mogen parkeren. Gezien het aantal auto’s dat daar staat denk ik dat dat een leuk extraatje moet zijn voor het management. Misschien net genoeg om de kuisploegen mee te betalen. Wat ik ook nog krijg van de automaat is een plannetje met daarop de weg die ik moet nemen om te geraken daar waar ik moet zijn. Heel nuttig in een reuzekliniek als Gasthuisberg, waar meer dan 10,000 mensen werken en die eigenlijk bestaat uit 30 of zo verschillende gebouwen onderling verbonden door een ingewikkeld gangenstelsel.
Ik moet in een van de nieuwe gebouwen zijn die de afgelopen jaren bijgebouwd zijn. Als je ‘s nachts passeert, is het al een aantal jaar alsof je in Dubai aangekomen bent. Zo veel hijskranen staan er te flikkeren om de vliegtuigen van en naar Zaventem te verwittigen. Onderweg naar het nieuwe gebouw passeer ik een hostess die enkel als functie heeft de mensen in de juiste richting te sturen. Piekfijn in een blauw uniform uitgedost met een roos foulardke rond de nek geknoopt. Ze lijkt wel gedropt door een van de vele vliegtuigen boven ons.
Ik moet op de derde verdieping zijn. Eenmaal daar ga ik op zoek naar de dienst oftalmologie en vind een beetje verder een grote groep mensen die in afgescheiden hokjes aan de zijkant, het lijken wel treincoupés, of op kleine stoeltjes naast kleine tafeltjes met tijdschriften op, dat lijkt dan weer een kapsalon, aan het wachten zijn terwijl er grote videoschermen boven hun hoofd hangen met vage, zwart-wit foto’s van andere mensen op; mensen die al aan de beurt zijn en dus al bediend worden, terwijl zij allemaal nog aan het wachten zijn. Ik zie bij elke foto wel een nummer staan en besef plots dat ikzelf nog geen nummer heb. Ik schuif aan bij een van de verpleegsters (in tegenstelling tot die hostess van daarstraks toch volledig in het wit gekleed), die aan een van de verschillende, over het plateau verspreid staande, hulppunten druk staat te praten met een oud koppel. Als ik eindelijk aan de beurt kom, vertelt ze me fijntjes dat ik bij haar niet moet zijn voor een nummertje maar bij nog een andere automaat die vlak bij de lift staat. Dus ik ga terug naar de lift en inderdaad, bingo, mijn winnend nummer van de dag is 381.
Op de weg terug naar de vestibule, ontdek ik dat er een deur op uit komt met daarachter een lange gang met tal van deuren links en rechts. Het lijkt wel een enorme konijnenpijp. Het is daar dat de wachtenden op regelmatige basis in verdwijnen. Ik vraag me af of ze ook een drankje moeten drinken of een cake eten om door een van de vele deuren te geraken. Of zouden ze, net zoals Alice, enkel gered kunnen worden door de vele tranen die uit al die zieke ogen vloeien in dit tranendal?
1 juni 2018 – Assistent 1: het Witte Konijn
Het is een hoogblonde jongedame die me ontvangt. Na de konijnenpijp doet zij mij onmiddellijk denken aan het Witte Konijn dat Alice in Wonderland ontvangt: niet alleen is ze even druk bezig, maar ook haar fysiognomie lokt de associatie uit, zelfs haar wimpers zien wit en ze heeft ook zo’n spits toelopende snuit. Op mijn vraag waar Professor Mombaerts is, antwoordt ze dat zij de assistente van Professor Mombaerts is, dat zij een eerste check-up zal doen en dat ik nadien de professor zelf zal kunnen zien. Ik vraag haar of ik de doorverwijzingsbrief van dokter Veys dan aan haar moet geven, maar ze zegt dat ik die beter rechtstreeks aan professor Mombaerts overhandig.
Op haar vraag, leg ik kort uit wat er gebeurd is, hoe ik hier terecht kom en waarom. De assistente luistert aandachtig en stelt dan voor om de traanbuisjes nog eens te checken. Ik word al gespannen bij de idee alleen al. Zeg dit ook. Opnieuw die spuitjes in de buurt van mijn oog, ik zie het eigenlijk niet meer zitten, maar ik beloof mijn best te doen. Ondanks haar inspanningen en mijn goede wil lukt het echter nog steeds niet bij het onderste traanbuisje. Na drie pogingen geeft ze het op. Bevrijd uit het ingewikkelde kluwen op die instant-oog-tandartsstoel, haal ik opgelucht adem. Maar de pauze is maar van korte duur want dan begint ze, net zoals Dokter Veys, te duwen op het bobbeltje, dat ondertussen al meer zichtbaar is geworden als een verdikking onder de huid. Op mijn vraag of het een ontstoken traanzakje kan zijn, antwoordt ze dat dat mogelijk is. Maar op mijn vraag hoe dat we dat zeker kunnen weten antwoordt ze niet meer. “Misschien dat ze als jonge oogarts in spe nog wat onzeker is?,” vraag ik me af. Mijn angstige zelf lanceert desondanks nog een tweede vraag: “Klopt het dat zo’n ontstoken traanzakje moet geopereerd worden? Ik bedoel dat medicatie alleen dat niet kan verhelpen?” “Ja, dat klopt,” antwoordt ze, “medicatie alleen is niet voldoende om een ontstoken traanzakje te doen genezen. Maar ik stel voor dat u uw vragen stelt aan Professor Mombaerts, want een ontstoken traanzakje is redelijk zeldzaam en zij is de specialist terzake.”
Na het duwen op het bobbeltje moet ik nog plaats nemen aan het wereldwijd erkende standaard oogmeetinstrument. Ik moet door een lange tunnel naar een veraf zwevende geelrode luchtballon kijken met beide ogen en op het einde van elke sessie airballoonspotting wordt er een luchtpuf losgelaten op elke oogbol. Ik was het helemaal vergeten, waarschijnlijk omdat daar dit ritueel telkens voor de eigenlijke consultatie plaats vond, onder de auspicien van de vrouw die achter de balie stond, maar bij Dokter Veys had ik dit ook telkens moeten doen.
De controle duurt een goed kwartier. Op het einde laat de assistente me wel volledig op mijn honger. Ze maakt haar conclusies helemaal niet bekend. “Ze zal alles overlaten aan de professor, zeker?,” vraag ik me af. Wat ze wel nog doet is me vragen om terug te gaan wachten in de grote kapsaloncoupé met beeldschermen tot dat professor Mombaerts klaar is om mij te ontvangen.
1 juni 2018 – Professor Mombaerts
Ze zit aan haar bureau en kijkt me amper aan. Haar sluike, grijsblonde haar ligt in een staart op haar rug. Het is alsof ik niet besta. En die assistente van haar, die me net een kwartier heeft zitten onderzoeken, al evenmin. Het is alsof dat wij in een parallel universum leven. Zij tussen de goden. Wij tussen de rest van ons. Of misschien is zij wel de wrede Hartenkoningin van Wonderland? Ze is in ieder geval de meesteres van het Witte Konijn. Ze bladert door de papieren op haar bureau en kijkt af en toe naar het scherm voor haar. Een glimlachje zweeft over haar gezicht. We wachten gespannen af wat er gaat gebeuren.
Plots maakt ze zich los van haar bureau en zweeft naar mij toe. “Zeg mij eens, mijnheer Hoskens, wat is er juist aan de hand?” Ik wijs haar op het bobbeltje in mijn linkerooghoek, geef haar de doorverwijzingsbrief van dokter Veys en vertel haar wat er tot nu toe allemaal gebeurd is. Haar dunne, gerimpelde mond opent zich lichtjes terwijl ook zij, net zoals Dokter Veys, net zoals de assistente daarnet, begint te duwen op het bobbeltje. “Doet dit pijn?”, vraagt ze. Ik zeg dat het totaal geen pijn doet. Dat het alleen bij het zwemmen, wanneer ik mijn zwembrilletje afdoe, pijn doet. Dat ik het ook zo ontdekt heb begin dit jaar. Anders voel ik er hoegenaamd niets van. Aangekomen bij het zwembrilletje herinner ik me ook nog de illusie van de eerste maanden en vertel dat ik toen nog de indruk had dat het bobbeltje misschien ging weg gaan door te zwemmen in een zwembad. Dat het leek alsof het kleiner werd door de chloor of zo. Maar dat die illusie dus van korte duur geweest, zeg ik nog.
De assistente zit er ondertussen voor spek en bonen bij. Alleen als Professor Mombaerts begint te duwen op het bobbeltje komt ze naast haar op een krukje zitten om wat beter te kunnen zien. Maar het Witte Konijn zegt nog altijd niets. Er wordt haar dan ook niets gevraagd. Ze is hier enkel ter observatie, zo lijkt het. ‘Sois belle et tais-toi’ op zijn Gasthuisbergs. Ikzelf vraag me af wat de functie dan is geweest van de pre-check-up van mij als patient. Wat is het nut van alles dat wij gezegd en gedaan hebben een half uur geleden als ze nu niets meer durft te zeggen? Of zou het een test zijn? En gaan ze straks op een verfrommeld papiertje in de zakken van hun witte doktersjassen checken of ze allebei, onafhankelijk van elkaar, tot dezelfde diagnose gekomen zijn? En zo ja, dan slaagt de assistente cum laude? Zo nee, dan is ze gebuisd?
Na een twintigtal keer duwen met haar wijsvinger op het bobbeltje, stopt de professor en vraagt: “En u hebt dus last van een tranend oog?” “Ja, en dat wordt ook erger precies.” “Dokter Veys dacht dus dat het een ontstoken traanzakje was?” “Ja,” zeg ik, “of dat is toch hetgeen ze tegen mij gezegd heeft. En ze heeft me ook verteld dat dat geopereerd moet worden. Dat dat niet alleen met antibiotica of zo kan genezen. Klopt dat?” “Ja, dat klopt,” antwoordt ze. “Er zijn in feite twee types van operatie mogelijk,” voegt ze eraan toe. “Een operatie langs buiten, waarbij er een incisie gemaakt wordt aan de zijkant van de neus. En een operatie langs binnen, waarbij er via de neus naar het traanzakje gegaan wordt. Maar,” zegt ze onmiddellijk, “het eerste type van operatie geeft wel de meeste kans op succes. Bij de operatie langs de neus gebeurt het wel eens dat de operatie moet herdaan worden.” Ondertussen wordt het tussen de regels door ook wel duidelijk dat zij de operatie zal uitvoeren als we optie 1, langs buiten dus, nemen en dat ik bij iemand anders zal moeten wezen als ik het langs binnen zou willen laten doen. Omdat ikzelf echter totaal geen zin heb om al is het maar het risico te nemen om twee keer onder het mes te moeten, beslis ik ter plekke sowieso voor de operatie langs buiten te gaan. Maar voor ik nog verder vragen kan stellen, gaat professor Mombaerts op haar elan voort en weer met die vreemde glimlach om haar lippen zegt ze: “Maar ik denk dus inderdaad dat het een ontstoken traanzak is, mijnheer Hoskens. Zullen we dan ineens een datum vastleggen voor de operatie?” Ze ziet dat ik aarzel en vraagt nu plots met een scherpe toon in haar stem: “Of wilt u er nog even over nadenken?” Voordat de Hartenkoningin kan bevelen om mijn hoofd af te hakken, antwoord ik vlug: “Neen, neen, dat hoeft niet. Als dat de enige manier is om d’r vanaf te geraken, waarom niet dan?” Ik heb wel de indruk dat de assistente niet helemaal akkoord gaat met het verloop van de consultatie. Maar dat lijkt misschien alleen maar zo omwille van haar plotse spleetoogjes en toegeknepen mond. Of misschien is dat gewoon haar manier om als wit konijn de stilte te bewaren.
Professor Mombaerts zit ondertussen terug voor haar computerscherm. Opnieuw verschijnt die vreemde glimlach op haar gezicht. “De eerste mogelijke datum is wel pas 10 september.” “Is er een probleem als we zo lang wachten?,” reageer ik. “Neen hoor,” antwoordt professor Mombaerts, “veel patienten stellen de operatie zelfs verschillende keren uit. Ze hopen stillletjes het probleem toch met antibiotica te kunnen oplossen. En het is pas de derde of de vierde keer dat de ontsteking terugkomt, dat ze toch een operatie laten uitvoeren.” “In dat geval, no problem,” antwoord ik. “Ik zal er zijn op 10 september.” Het ergste wat ik die dag nog te horen krijg is dat ik wel tot 7 weken na de operatie niet meer mag zwemmen. Dit omdat de wonde met wondlijm toegemaakt gaat worden en niet met draadjes. En het duurt zo’n 7 weken tot dat die lijm helemaal opgelost is. Niet zwemmen gedurende 7 weken, dat is een kleine ramp voor mij. Het is de eerste keer in 20 jaar dat ik gedurende zo’n lange periode niet meer ga kunnen zwemmen. Zelfs in de grote vakantie zocht ik een zwembad in de buitenlandse buurt op. En ik heb dat zwemmen echt nodig voor mijn mentaal evenwicht. Ik vraag me zelfs af of ik mijn stressvol werk nog wel ga aankunnen zonder te gaan zwemmen gedurende zeven eindeloze weken.
Juni 2018
Nu dat er een afspraak voor een operatie vastligt, wordt alles toch een beetje concreter zelfs als die afspraak zelf pas binnen meer dan twee maanden plaats zal vinden. En wat doet een moderne, hedendaagse mens anno 2018 als iets heel concreet wordt dat bovendien een redelijk grote impact op je leven zal hebben – zoals, bijvoorbeeld, op vakantie gaan of, minder tof en zelfs een verschrikking voor mij, 7 weken niet kunnen zwemmen? Juist, dan google je. Des te meer zo, als je vindt dat je toch niet zoveel informatie hebt gekregen van al die dokters en al zeker niet van de specialist terzake.
Want wat is dat, een traanzakje? En bestaat dat wel, een ontstoken traanzakje? En vooral, wat doet men juist als zoiets geopereerd wordt? Want ik was bij die Professor Mombaerts toch vertrokken met het gevoel een beetje gestuurd geweest te zijn richting operatie langs buiten en als mijn vrijgevochten natuur ergens niet tegen kan, is het wel gestuurd te worden. En zo kom ik via google te weten dat het wel degelijk allemaal bestaat, dat een traanzak letterlijk een zak voor tranen is, dat het wel degelijk ontstoken kan geraken en dat er bij een operatie, ‘sondes’ of ‘buisjes’ tussen het oog en de neusholte aangebracht worden zodat de overvloedige tranen via die weg afgevoerd worden. Over het verschil tussen de operatie langs buiten of langs de neus zelf vind ik echter niets terug op het internet. En dat knaagt en zal blijven knagen tot aan de operatie zelf. Zo blijf ik me onder andere de vraag stellen of ik misschien bij een operatie langs de binnenkant van de neus minder dan 7 weken niet zou mogen zwemmen. Elke week gewonnen is een week gewonnen denk ik dan. Maar de wetenschap dat water water is en dus overal kruipt waar het niet gaan kan en vooral mijn burgerlijke gehoorzaamheid thuis met de paplepel ingegeven verdrukt telkens de immer weerkerende twijfel: als een UZ Leuven professor van het gereputeerde Gasthuisberg zegt dat het beter is om X te doen dan om Y te doen, dan doe je X toch gewoon blindelings, niet?
14 juni 2018 – Sant’Eufemia a Maiella
Het is tijd voor ons jaarlijks mannenevenement: met een groepje van vier a vijf man, maximum zes, anders wordt het te veel, de bergen ingaan, afzien als een beest tijdens de dag (zelfkastijding in het jaar des Heren 2018), Compeed blarenpleisters in de aanslag of toch in de rugzak, stinkend naar het zweet en uitgeput slapen in berghutten ‘s nachts, lekker eten zo veel als dat en wanneer we maar kunnen zonder dat onze levensstijl een gespreksthema aan tafel wordt en ‘s avonds, voor het slapen gaan, het feestelijke alcoholdrinken, want waarvoor doen we het anders allemaal? Slechts EEn gulden regel dient bij dit alles absoluut gerespecteerd te worden: vrouwen niet toegelaten. Mannen komen van Mars en moeten dus minstens EEn keer per jaar op retraite kunnen gaan boven op een berg om wat te bekomen van al dat vrouwelijk geweld rondom en in ons, amen.
Vroeger ging ik met een groep ex-Telenet-collega’s, maar aangezien er een zijn knie al begint op te zwellen bij het afdalen van een trap en hij dan nog weigert naar een dokter te gaan, een ander boven aangekomen op een berg er telkens weer uitziet alsof hij elk moment een hartaanval kan krijgen terwijl hij met een boze en dreigende blik naar dat hotel met verwarmd zwembad en ayurvedische massage vraagt, nog een ander , verraad o verraad, plots liever met zijn vriendin ging fietsen en een vierde zich onlangs geout heeft als iemand die homosexualiteit toch wel als iets tegennatuurlijks beschouwt, is het groepje een beetje uit elkaar gevallen. Althans wat bergwandelingen betreft.
Gelukkig voor mij is er The Ghent Connection dankzij dewelke er zich al snel organisch een ander groepje heeft gevormd bestaande uit de leader of the pack die als Gentse ex-Telenet-collega nog steeds dezelfde is gebleven, twee oncologische chirurgen van UZ Gent waarvan de ene, Willem, indien uitgedaagd, in staat is om ter plekke een openhartoperatie uit te voeren met zijn zakmes terwijl de andere, Yvo, zo’n vat van liefde en warmte is dat je overal waar hij staat de neiging hebt om potjes en pannetjes op de grond te zetten om toch zoveel als mogelijk van het kostbare goed op te vangen, en dan is er ook nog een docent scheikunde van de campus Kortrijk van de Universiteit Gent die je tijdens bergwandelingen op een bizarre manier van ver herkent omdat hij zelfs in de zomer wandelt alsof hij aan het langlaufen is, inclusief benen die niet buigen maar vooruitglijden tussen de wandelstokken door, zelfs als het bergop gaat.
Deze keer bevinden we ons in het Maiella natuurpark in de Abruzzen. Gisterenavond laat zijn we met een vlucht van Ryanair aangekomen in Pescara en dan met een gehuurde bestelwagen helemaal doorgereden naar Sant’Eufemia a Maiella, het kleine bergdorpje met zicht op de Monte Amaro, de hoogste berg van de regio, na il Gran Sasso de tweede hoogste van de Abruzzen, en waar we van plan zijn morgenavond, na twee dagen trekken, op te overnachten in een vrijstaande berghut van de CAI, de Club Alpino Italiano. We hebben net overnacht in het gastenverblijf van de kleine camping waar ik met mijn gezin twee jaar geleden drie weken vertoefd heb tijdens de grote vakantie. Onze gastheren, Felice en Licia, hebben ons op zijn Italiaans gisterennacht benvenuti geheten en hebben net gevraagd of we bij het ontbijt de croissants het liefst warm hebben of niet.
We zitten op de kleine patio tussen de huisjes in te wachten op het eten als, zoals zo vaak bij de aanvang van een trip, we het even hebben over het fascinerende beroep van Willem en Yvo. Het is alsof we collectief dit gegeven opnieuw moeten verwerken om de volgende dagen terug onnozel kinderen te kunnen zijn. Zo vaak kom je gewoon niet mensen tegen die andere mensen open snijden en daarin morrelen al is het dan met een goed doel. Ik profiteer van de gelegenheid om aan te kondigen dat ik binnenkort ook ga moeten geopereerd worden. “Is het echt?,” vraagt Willem, “Aan wat dan?” “Aan een ontstoken traanzakje.” Chirurgen oncologie kennen misschien veel, maar ontstoken traanzakjes doen ook bij hen duidelijk geen belletjes rinkelen. Met mijn dankzij google superieur, nieuw verworven inzicht leg ik uit wat er juist aan de hand is. “En waar zit dat traanzakje dan juist?,” vraagt Yvo nu. Hij staat al voor me en is met zijn ogen aan het priemen naar mijn ooghoek. Ik verwacht al dat hij net als al die oogartsen, als een soort van beroepsmisvorming, gaat beginnen duwen op het bobbeltje, maar zo ver wilt hij de prive-consultatie niet laten gaan blijkbaar. Gelukkig voor mij is er Joachim, de langlaufer, nog die out of the blue zegt: “Ik ben daar zelf ook aan geopereerd geweest, Patrick. Ik was een jaar of zes of zo. Maar ik heb wel tot een aantal jaren nadien scheel gekeken.” De opluchting van eindelijk, na al die maanden zoektocht, iemand tegen te komen die ook ooit last gehad heeft van een ontstoken traanzakje maakt al snel plaats voor een nieuwe zorg: scheel gekeken? Waarschijnlijk is dat oog scheef getrokken door de genezende wonde? Misschien is die operatie langs buiten laten doen dan toch geen goed idee? De twijfel slaat weer toe. Maar dan vraagt Willem waar ik de operatie ga laten doen. Ik antwoord: “Gasthuisberg.” “Goed,” zegt hij, “ik zou ook eerder zo’n type ziekenhuis kiezen. Je bent daar in goede handen. Of die weten toch tenminste wat ze doen.”
26 juli 2018 – Koenie
Met al dat werken is het alweer een tijdje geleden, maar we gaan nog eens lekker eten en nadien een pint of twee drinken. We, zijn Koenie en ik. Koenie, vriend des huizes, in datzelfde huis wereldberoemd betonnen-tuinbank-maker, ex-amateur-badmintonner, danspartner in vervlogen tijden, Adonis in nog langer vervlogen tijden, maar nog altijd even aantrekkelijk qua stijlvolle verschijning, ogen en stemtimbre. We gaan straks nog lekker pikant gaan eten bij de Thai in de Brusselsestraat, maar hebben eerst afgesproken op het terras aan de Metropole op de Oude Markt. Het is een doordeweekse weekdag en dus lopen we weinig risico op plaatselijke gewelddadige ontmoetingen of the third kind met dronken niet-studenten uit het Vlaamse achterland of zatte Nederlanders. Ik ben erin geslaagd een van mijn favoriete plaatsjes te bemachtigen: de tafel naast de grote zij-ingang vlak voor het grote raam is nog vrij. Koenie is zoals zo vaak de laatste tijd te laat. Het is alsof de rollen tegenwoordig omgekeerd zijn. Vroeger was ik diegene die altijd te laat kwam, maar ik snak tegenwoordig zo naar een vrij leefmoment dat ik niet kan wachten om eraan te beginnen. Plots zie ik een sms-bericht verschijnen op mijn smartphone: ‘Bijna daar.’ Omdat ik net op het punt sta om zelf iets te bestellen, bel ik even en vraag hem wat hij wilt drinken. Hij kiest een witte wijn. Nog een teken van ouderdom: vroeger dronken we geheid gewoon een pint. Nu gaat hij voor een witte wijn want het is gewoon lekkerder, je moet er minder van drinken om toch al een beetje effect te hebben plus het is beter voor de lijn zo wordt gezegd. Zelf ga ik voor een Duvel. Niet zo goed voor de lijn maar twee Duvels is het nieuwe maximum, meer is voor fysiek overdreven fitte pubers die over geen tijdsbesef beschikken vermits nog een eeuwig leven voor hen.
Als Koen aankomt, zie ik hem echter raar opkijken. “Wat heb jij aan je oog, Patrick?” Ik probeer mijn verbazing te verbergen want het is de eerste keer dat iemand anders het bobbeltje aan mijn oog opmerkt. Ik antwoord luchtig dat het een ontstoken traanzakje is. “Een traanzakje? Nooit van gehoord. Wat is dat?” Ik zeg: “Ik tot enkele maanden geleden ook niet,” en leg uit dat het zich bevindt in het oogweefsel aan de zijkant van de neus, ergens tussen de twee traanbuisjes in. Dankzij google ben ik dan ook een halve oogarts geworden. Koen daarentegen is nog steeds niet mee. “Twee traanbuisjes?,” vraagt ie. “Ja, blijkbaar hebben we er twee. Eentje vanonder en eentje vanboven. En als de traanbuizen er niet in slagen om de tranen af te voeren, is er nog altijd een traanzakje om de tranen op te vangen. Allez, zo heb ik het toch begrepen.” “En dat is ontstoken?” “Blijkbaar. Maar er is al een operatie gepland begin september. Dus je moet je geen zorgen maken.” “Ok, maar het ziet er niet zo mooi uit. Je hebt geluk dat je een bril draagt. Door hem valt het niet zo op. Anders zou je nogal bekijks hebben.”
Agosto 2018
Ik ben opnieuw in Italië. Tweemaal op een jaar in mijn absoluut droomland, dat heb ik nog nooit meegemaakt. Deze keer ben ik er met heel het gezin voor de grote vakantie. Twee volle weken lekker eten, lekker drinken, genieten van het goede weer (waaronder af en toe wat deugddoende regen), de prachtige natuur en vooral de zalige mensen. Want nergens anders kom je mensen tegen die zo open zijn. Ok, er lopen natuurlijk ook klootzakken rond, zoals overal, maar de gemiddelde Italiaan is zo open naar andere mensen toe dat het een verademing is na al die introverte boreaalse volkeren die je moet doorkruisen met de auto om er te geraken. Vooral als je zelf een beetje Italiaans spreekt, hoef je maar even een babbeltje te slaan op straat of je wordt al uitgenodigd in huis voor een espressootje of iets straffers. Naar mijn gevoel is het gewoon het meest open volk van heel Europa. Open voor contacten van mens tot mens, discussie en warmte. De andere kant van de medaille is natuurlijk wel dat, als het niet goed gaat, als er totaal geen klik is, je het ook snel zult merken. En dit kan gaan van niet-gespeelde koelheid tot luidop uitschelden op het strand. Probleem is dat die gereserveerde Europeanen dan hun kop in kas trekken en inwendig zitten te vloeken hoe onbeleefd die Italianen wel niet kunnen zijn. Terwijl je gewoon moet terugschelden. Of de koelte gewoon aanvaarden als een feit en verder gaan.
Het is midden in dit prachtig land dat ik plots een telefoon ontvang uit het verre België. We zijn net terug op weg met de auto naar onze camping op de Monte Amiata in de Maremma. Wanneer de telefoon binnenkomt, zie ik dat het een 016-nummer is. En doordat ik vlak voor de vakantie nog gecontacteerd ben geweest door een recruteringsbureau uit het Leuvense, denk ik dat het opnieuw dezelfde headhunter is. Ik heb echter geen zin de komende dagen nog meer van die mystery calls te ontvangen en dus beslis ik toch even op te nemen en duidelijk te maken dat het nu niet past. “Hallo, met Patrick?,” antwoord ik. “Dag Mijnheer Hoskens.” Vreemd, het is een vrouwenstem die door mijn wagen klinkt en de vorige keren was dat telkens een man, die headhunter. Maar ik tolereer eigenlijk geen enkele vorm van inbreuk op mijn heilige grote vakantie en dus roep ik, een beetje belachelijk, naar de microfoon: “Ik ben wel op vakantie hoor!” “Op vakantie, mijnheer Hoskens?” “Ja!” “Ja, maar dit gaat wel over uw gezondheid hoor.” Mijn gezondheid? Gaat die vrouw misschien pillen of zo proberen te verkopen aan mij? Of een cursus zentherapie? “Wat bedoelt u met ‘mijn gezondheid?,” vraag ik beleefd. “U bent Patrick Hoskens? Uit de Kruisstraat, te Kortenberg?” ‘Lap,’ denk ik, ‘ik zit daar weer in een of ander gehacked klantenbestand.’ “Ja?” “U spreekt met Dokter Nelissen van Gasthuisberg. Ik werk voor Professor Mombaerts. Ik bel u om te zeggen dat we de operatie een beetje gaan moeten uitstellen.” “Uitstellen?” “Ja, we zouden willen voorstellen om de operatie te laten plaats vinden op 26 september ipv 10 september.” Misschien is het de warmte waardoor die bobbel precies maar blijft groeien, of anders is het omdat andere mensen, zoals Koen, het beginnen te zien, maar ik zie verder uitstel totaal niet zitten en zeg dat ook. “Ja maar, mijnheer Hoskens, het kan niet anders hoor. En uiteindelijk gaat het maar over een week of twee. Dat zal het verschil niet maken zeker?” Ja, als je het zo stelt, bedenk ik me, stelt dat natuurlijk niet veel voor, twee weken extra wachten, ik ben al meer dan vier maanden aan het wachten. Ik wil echter niet gewoon zeggen dat het voor mij allemaal goed is en dus reageer ik: “Kan ik ervan uitgaan dat er dan geen verder uitstel meer zal zijn?” “Ja, mijnheer Hoskens. Natuurlijk, mijnheer Hoskens. De operatie gaat dan door op 26 september. Zonder fout.” “Allez, het is goed dan,” antwoord ik. Tegelijk bedenk ik me dat als het niet goed zou zijn, ik sowieso ver achter die 26 september zou terecht komen. Vind maar eens een nieuwe oogarts die bereid zou zijn een operatie uit te voeren. En dan zou de operatie nog moeten ingepland worden ook nog. En we zijn zelf pas rond 19 augustus terug in België. Hopeloos. “Ok, tot 26 september dan.” “Tot 26 september, mijnheer Hoskens.”
