Life is like a series of chemo sessions (feb-jun 19)

Patrick Piraat door de kinderen

20, 21 en 22 februari 2019 – De engel van UZGent

Na de laatste sessie van de eerste reeks chemo in 2019 ben ik zo opgelucht dat ze achter de rug is dat ik bij het naar buiten gaan luidop vraag aan de verpleegster aan de receptie of ik vandaag of komend weekend hopelijk toch nog wijn mag drinken? Rode wijn om specifiek te zijn. Pure branie of een ongerijmde vraag op een totaal ongepast moment. Mijn woorden zijn nog niet koud of ik hoor achter mij een snik. En als ik me omdraai zie ik een jonge vrouw die uitgeput in haar rolstoel tegen de muur van de gang zit. Het is alsof ze probeert in het plamuursel te verdwijnen. Ze klauwt in ieder geval met haar rechterhand naar de muur.

Het is een mooie, jonge vrouw. Ik schat haar nog geen dertig jaar of misschien net wel, maar zeker niet ouder. Door de totale afwezigheid van haar heeft ze iets weg van Sinéad O’Connor op jonge leeftijd. Alleen heeft zij ook geen wenkbrauwen meer. Ze ziet lijkwit. Haar lichtroze lippen hangen lichtjes open terwijl ze met een pijnlijke grimas naar de muur blijft grijpen. Ondertussen hangt ze al voorover in haar rolstoel met haar rechterzijkant tegen de muur. En vanuit die positie zit ze hevig neen met haar hoofd te schudden. Ze wilt niet meer luisteren naar die man die haar begeleidt, achter haar recht staat en op haar probeert in te praten. Naar de moed die hij sommeert, naar de hoop die hij haar influistert, naar zijn bezwerende leugens.

Ze probeert de man af te weren door met haar linkerhand naar achter te slaan. Ze is de wanhoop in persoon. Of als er een Godheid van de Wanhoop zou bestaan, dan zou zij het zijn. Het is duidelijk dat ze niet meer verder wilt. Haar lijden is te groot. Nu probeert ze de al knielende man van haar weg te duwen met haar beide armen. Met haar hoofd nog verder weggedraaid richting muur. Als een vis op het droge die moeizaam naar adem hapt is ze op zoek naar dat water dat zich ergens daar beneden tussen haar rolstoel en die muur moet bevinden. Ze is dood. Of ze leeft nu nog, maar eigenlijk is ze al dood. En als ze toen nog niet echt dood was is ze die dag nog gestorven. Of die week. Zeker die maand. Het had geen zin meer maakte ze duidelijk te kennen. Niets had nog zin. In die maand februari van 2019.

De eerste schok die ik voel nadat ik me omdraai en haar opmerk is de haat die ik voel opborrelen. De immense haat voor en walging van mezelf. Hoe kan ik zo lomp zijn om hier op de gang luidop te vragen of ik de komende dagen nog wijn mag drinken? Terwijl dit hoopje ellende zich vlak achter mij, op gehoorsafstand, bevindt. ‘Onnozelaar.’ ‘Crapuul.’ ‘Zijt ge niet verlegen smeerlap.’ Het flitst allemaal door mijn hoofd terwijl ik daar aan de grond genageld sta te staren naar het gruwelijk tafereel.

Maar dan bedenk ik me dat ze mij niet gehoord heeft. Of niets wijst er toch op dat ze mij gehoord heeft. Wat mij brengt tot de tweede schok die mij overvalt: de afstand tussen mij en die jonge vrouw. Niet de fysieke. Ze bevindt zich op nauwelijks drie meter van mij. Maar de afstand tussen haar en mijn wereld. De onoverbrugbare kloof tussen mensen. Zelfs als ze een gelijkaardig lot delen. Zelfs als ze op een of andere manier samen horen. We kennen allen enkel ons eigen lijden. De rest, dat van al de anderen, zelfs van gelijkgezinden en naasten, is van horen zeggen.

Ik probeer stilletjes zo snel als mogelijk de verdieping te verlaten. Weg te vluchten van dat angstaanjagende zwarte gat dat daar plots vlak voor mij verschenen is. Al die ellende en al dat lijden. Waartoe dient het allemaal? Die onnozele Duitse filosoof en wiskundige Leibniz met zijn ‘dit is de beste van alle mogelijke werelden’ mag toch echt oprotten met zijn vunzig Gutmachungstheorietje. Allemaal om te verklaren hoe dat God absoluut goed kan zijn en toch zo veel ellende toelaat. Alsof we zonder kwade dingen geen goede zouden kennen. Alsof we zonder lijden geen geluk zouden kennen. Neen, het is de onpeilbare leegte van het mens-zijn die daar op die gang van dat ziekenhuis plots als een diepe kloof voor mij opdook. En een engel zoals die jonge vrouw in die rolstoel bewijst maar 1 ding: dat alle lijden onnoemelijk groot is en stilte het enige respectvolle antwoord.