31 januari 2019 – Dos cervezas, por favor!

Vandaag is het tijd voor mijn eerste echte uitstapje in de wijde wereld sinds de operatie. Samen met Koenie. Hij pikt mij deze avond op zodat we samen eerst iets lekker kunnen gaan eten en nadien nog een glaasje of twee, drie drinken. Als we vertrekken, is het nog onduidelijk wat of waar we iets gaan eten. Het enige dat we al beslist hebben, is dat we deze keer naar Leuven gaan; net zoals het overige Vlaamse hinterland, een simpeler en gemoedelijker alternatief voor het oncontroleerbare lappendeken dat Brussel is. Wanneer we een tijdje later op zoek zijn naar een parkeerplaats in het centrum van de stad, passeren we aan de Dijle en beslissen dan om maar naar de daar gelegen gekende Mexicaan te gaan vlak tegenover de Kunstacademie, één van de langst bestaande restaurants van Leuven; het bestaat al langer dan 30 jaar, een eeuwigheid naar Leuvense normen. Een hele prestatie in dat openlucht shopping center vol verloren of welgestelde studenten waar dynamisme zich hoofdzakelijk uit in de ongebreidelde ondernemingslust van voortdurend weer andere zelfstandigen op zoek naar easy money met weeral een nieuwe winkel of een nieuw restaurant of café of beide ineen.

We hebben niet gereserveerd, maar omdat het nog maar donderdag is en we tot de eerste klanten van de avond behoren, kunnen we toch aanschuiven. We mogen zelfs een tafeltje voor twee kiezen. Voor het eerst kies ik voor een tafeltje in functie van mijn nieuwe identiteit. Er is nog een tafeltje vrij vlak tegen de zijmuur aan de rechterkant. En als ik met mijn rug naar de keuken ga zitten, en dus met de linkerhelft van mijn gezicht naar de muur toe gericht, kunnen de meeste overige gasten mijn gezicht helemaal niet meer zien. Of misschien heeft het niets te maken met mijn nieuwe identiteit, want dat veronderstelt toch een zekere aanvaarding,  zo’n ‘identiteit’, maar schaam ik me gewoon voor die homp vlees die zich nu bevindt waar vroeger mijn linkeroog zat. Ik check in ieder geval regelmatig met mijn linkerhand of mijn ooglapje nog goed zit want ik heb al gemerkt dat er niet veel voor nodig is opdat de snijwonden terug zichtbaar worden. Hoe dan ook, als ik aan Koen voorstel om die tafel te nemen en ik die stoel aan die kant van de tafel tegen de muur, begrijpt hij direct waarom en is het voor hem al lang in orde.

De keuze van het eten verloopt veel moeizamer dan die van een tafel. Het is de eerste keer sinds lang, heel lang geleden dat we hier komen, en het enigste dat we beiden weten, is dat we een stuk vlees willen. Met Katrijn, zijn vriendin, als niet-flexi vegetariër en ikzelf, met een al even voltijds vegetarische oudste dochter thuis, maken we er een punt van om van deze mannenavonden te profiteren om terug wat eiwitten of proteïnen in vleesvorm op te slaan. Want, akkoord, de nieuwe man is misschien nog niet geboren, maar we moeten er wel voor zorgen dat, in afwachting, de oude man het toch nog even uithoudt. Uiteindelijk valt onze gedeelde keuze op steak met een pikante chili-tomatensaus en guacamole of zoiets. Het klinkt in ieder geval allemaal Mexicaans. Het is trouwens ook één van de weinige schotels zonder kaas in dit restaurant en aangezien Koen om één of andere reden al sinds zijn kindertijd niets van kaas moet hebben, kotsneigingen zelfs krijgt bij de gedachte alleen al ervan te eten, hebben we ook wel niet zo veel keuze.

Na een tijdje haalt Koen zijn tablet boven want het is de eerste keer dat we de tijd hebben om de vakantiefoto’s van Australië te bekijken. Zoals altijd heeft hij weer tal van foto’s gemaakt van gebouwen, architectuur zijn ding zijnde. Hij heeft er ook wel een neus voor. Zo is hij één keer met zijn petekind naar Bulgarije geweest om foto’s te nemen van oude, megalomane communistische bouwwerken en hij kwam terug met mooiere foto’s dan nadien in een artikel in De Morgen verschenen rond hetzelfde thema. Zo goed is hij. Het enigste probleem is dat hij te veel interesses heeft en zich daarom ook niet kan beperken tot het één of het ander, zoals ‘fotograaf worden’. En ook nu weer, zelfs vanuit het pas laat opgebloeide Australië, komt hij weer af met een aantal prachtige foto’s van veelal modernistische gebouwen. Het zijn echter vooral de foto’s van Hong Kong die deze keer blijven hangen. Ze hebben daar enkele dagen verbleven vooraleer door te vliegen naar Australië. ‘Modernistisch’ kan je ze moeilijk noemen, alhoewel dat de gebouwen spiksplinternieuw zijn. Daarvoor zijn ze niet strak en sober genoeg. Meestal komen ze over als opeenstapelingen van woondozen, of de beruchte Aziatische mierenhoop van mensen. Zo is er één foto met het zicht vanuit hun hotelkamer op een binnenplaats met allemaal andere kamers of appartementen rondom, tot vijftig meter hoger. Mij doet het gewoon denken aan de pods van The Matrix, waar de mensen in liggen om langzaam omgezet te worden in energie door en voor de wereldoverheersende robotten. Maar je moet het hen wel nageven dat, als het nodig is, ze bijzonder efficiënt kunnen omgaan met ruimte, die Chinezen. Iets dat wij Vlamingen helemaal niet kunnen beweren met ons rampzalig parcours op het vlak van ruimtelijke ordening.

Na een tijdje valt het Koen op dat ik voortdurend aan mijn ooglapje zit te futselen. Als reactie verklaart hij doodleuk dat hij op het internet een beetje heeft zitten rond kijken, zo op zijn gemak zo en zonder dus iets te zeggen tegen mij, wat de opties voor eenogige mensen zijn en daar gezien heeft dat er eventueel een oplossing voor mensen met luie ogen is, die ik ook zou kunnen gebruiken. Meestal gebruikt men bij kinderen een soort van plakker die over het luie oog aangebracht wordt gedurende een bepaalde tijd. De jongste dochter van Victor heeft zo heel lang rond gelopen, herinner ik me. Maar soms schuiven die mensen ook een oogpad over één van hun brilglazen, als ze een bril dragen natuurlijk, om op die manier dat oog tot rust te brengen. En aangezien ik zo’n grote bril heb, zou ik met zo’n oogpad ook die gapende leegte in mijn gezicht kunnen bedekken, is de eenvoudige conclusie van Koen. Eerst voel ik, zoals altijd wanneer geconfronteerd met verandering, wat weerstand opborrelen. Ik begon net te wennen aan dat piratenooglapje. Maar na enkele minuten, de eerstvolgende keer dat ik weer begin te voelen waar het lapje zich nu weer juist bevindt eigenlijk, begin ik al te beseffen dat het een fantastisch idee is. Zelf ben ik sprakeloos. Dat hij de moeite genomen heeft om even op het internet te gaan checken wat de opties voor mij zijn. En dan met zo’n creatieve en toch eenvoudige oplossing afkomt… Het leven zou toch supersimpel moeten zijn voor creatievelingen zoals Koen? Jammer genoeg is net het omgekeerde vaak waar. Want de bron van die creativiteit is meestal een niet aflatende onrust, een voortdurende druk vanuit de onderbuik, die het hen bijzonder moeilijk maakt om zich over te geven aan onnozel dingen die andere mensen dan weer gewoon vanzelfsprekend vinden, zoals eindeloos lullen over de meest diverse dingen zonder zich ook maar één keer de vraag te stellen of het wel correct is wat ze zeggen.

Als ik thuis kom, ga ik, diezelfde nacht nog, terug naar die Chinese merchants van gisteren op die virtuele wijde wereld van het web en bestel me direct een pakketje briloogpadjes voor luie ogen. Een zakje met 3 varianten, van klein naar groot, telkens 3 exemplaren, dus negen in totaal. Je kan er een hele familie mee voort helpen of, als je heel spaarzaam bent, er een gans mensenleven mee toekomen. En dit voor maar 12,50 Euro. De verzending is gratis natuurlijk. Het zou gewoon schandalig zijn als ze dat apart ook nog eens durfden aan te rekenen.

30 januari 2019 – Crashen als een windhond in de zetel

Na het ontbijt maken we onze dagelijkse wandeling in het bos achter ons huis; elke dag een beetje verder. Tin, zoals steeds, voor mij, en ik, braaf, als een hond, erachter aan. Met de mooie poep van Tin voor mij als mijn persoonlijke kunsthaas. Niet dat ik zo snel loop als zo’n wedstrijdwindhond. Integendeel, zeker de eerste dagen strompel ik meer dan dat ik wandel. De wonde aan mijn rechterbeen doet nog steeds pijn en bij elke stap die ik zet, voel ik het littekenweefsel trekken. Daarnaast is er ook nog altijd de fysieke weerslag van de afgelopen weken. En ook mijn motoriek heb ik nog niet helemaal onder controle. Zo profiteer ik van de wandeling om mijn dieptezicht te oefenen. Dat is één van de dingen die je verliest als je nog maar één oog hebt, had ik al voor de operatie vernomen uit vele bronnen. En ik kan nu uit eerste hand getuigen dat dit inderdaad klopt. De eerste keren dat ik thuis koffie of thee wil inschenken, kap ik het tot mijn grote verbazing er gewoon naast. Tot mijn grote verbazing, want in mijn ogen (figuurlijk dan want ik heb dus geen twee ogen meer – met dank aan een echte ophtalmoloog, een gediplomeerde, van Gasthuisberg of de KULeuven dan nog wel, met PhD of doctoraat en al), hangt die teut van die pot perfect boven de tas in kwestie. En toch eindigt de koffie of het heet water er ergens naast, op de toog of de tafel. En kan ik de keuken eerst even terug wat opkuisen vooraleer ik die tas aan mijn mond kan zetten. Na enkele dagen vind ik wel de oplossing voor dit euvel. En het is heel simpel: ik moet vanaf nu met mijn handen de tas en de kan vasthouden en manueel de teut in de juiste positie brengen voor het vullen van de tas. Zoals een volledig blinde waarschijnlijk doet wanneer hij een tas koffie of thee wil zetten.

Maar in het bos kan ik moeilijk alles wat ik tegen kom al wandelend even manueel vasthouden om de juiste positie ten opzichte van mezelf te bepalen. En dus is het een ideaal terrein om mijn nieuwe handicap onder de knie te krijgen. Vooral overhangende takken en struiken die zich vlak naast het wandelpad bevinden, vormen het ideale testterrein; zo ontstaat er spontaan in het bos een hindernissenparcours voor pasgeboren cyclopen zoals mij. Ook hier weer tot mijn aanvankelijk zeer grote verbazing, vergis ik me soms wel in de juiste afstand tussen mij en bijvoorbeeld de takkenbos voor mij en eindigt het geheel tegen mijn hoofd of buik, maar na een tijdje leer ik wel beter inschatten waar de hindernis zich ongeveer bevindt. En in de echte noodgevallen – zo is er ergens ter hoogte van het feeërieke beekje onderaan de berg dat naar de domeinen van de Prins de Merode leidt, een dikke tak die dwars over het zandpad hangt op de gemiddelde hoogte van een hoofd – daar gebruik ik toch opnieuw mijn hand om te checken of ik, terwijl ik aan hetzelfde tempo voort wandel, net op tijd de tak voor mij kan vastgrijpen. Jammer genoeg, gelukt dat nooit volledig. Zelfs niet na meer dan een jaar oefenen, blijft mijn grip onnatuurlijk aanvoelen. Maar de foutenmarge lijkt toch aanzienlijk af te nemen na een tijdje. Ik bots bijvoorbeeld toch niet meer met mijn knokels tegen het hout. Dus een totale ramp is het niet.

Na de wandeling begint Tin meestal met het voorbereiden van haar lessen Nederlands voor anderstaligen. Tussendoor verzorgt ze ook nog even elke dag mijn oog. Zelf eindig ik in de loop van de namiddag telkens weer op de zetel beneden. Om te bekomen van de tot dan toe al geleverde inspanningen. Op deze bewuste woensdag, 30 januari, is het wel meer dan een beetje bekomen. Ik crash letterlijk en val in een diepe slaap die meer dan twee uur duurt. Wanneer Yvo later op de dag mij een mailtje stuurt met de vraag hoe het gaat, vertel ik hem dat ik langzaam aan het aansterken ben, maar dat ik vandaag dus toch wel erg lang in de armen van Morpheus gelegen heb. Hij zegt dat dat goed is en stelt dat de Manicheeërs ook al dachten dat de droom een toegang was tot het Rijk van het Licht. Misschien om te checken of ikzelf het licht al gezien heb, vraagt hij of ik wil dat de nabehandeling ook nog in het UZ Gent plaats vindt. Met grote stelligheid reageer ik: “Natuurlijk, Yvo. Waar zou ik anders naartoe gaan? Naar Gasthuisberg soms? Zijt ge zot? Na alles wat ik daar meegemaakt heb? In het UZ Gent voel ik me tenminste op mijn gemak; de mensen zijn veel liever EN ik heb vertrouwen in de staf (en dit is op dit moment ontzettend belangrijk voor mij) Patrick”. Dan vraagt hij nog of en wanneer ik juist terug verwacht word in het UZ Gent. Ik antwoord dat ik de week daarop, op maandag, een opvolgingsconsultatie heb met de plastisch chirurg, Nicolas Dhooghe. Yvo eindigt nog met te herhalen dat rusten goed is, maar dat een beetje fysieke beweging ook belangrijk is. Kwestie dat de motor wat blijft draaien.

Later op de dag, rond een uur of zes ’s avonds, na het werk, komen drie goede vrienden op bezoek: Alex, Achilles en Bert. Ex-collega’s van Mobistar die mijn ontslag daar ook als onrechtvaardig ervaren hebben én er ook openlijk voor uitkwamen, wat al veel uitzonderlijker was. Ongelooflijk hoeveel mensen gewoon weg kijken wanneer er vieze dingen gebeuren rondom hen. Doordat mijn verblijf in het ziekenhuis plots veel korter uitviel dan verwacht, willen ze mij nu zo snel als mogelijk thuis bezoeken. Het wordt een bijzonder leuk bezoek. Misschien ook wel door de doos met zes flessen Siciliaanse wijn die ze meegebracht hebben als cadeau. Niet dat er deze avond veel wijn gedronken wordt, maar ongelooflijk maar waar, wanneer ik de doos open, stel ik vast dat het mijn eigen favoriete Italiaanse wijn van het moment is; Bacaro, gemaakt van Nero d’Avola, sinds een jaar ongeveer verkrijgbaar in de Delhaize. Zo één van die Italiaanse wijnen waarop je moet vallen, die dan één jaargang fantastisch is voor zijn prijs, maar het jaar daarop heel waarschijnlijk op niets meer trekt. Alsof die Italianen heel bewust één jaar een extra-goede wijn lanceren tegen een zachte prijs om dan de jaren nadien te teren op die snel verworven reputatie. Maar ongelooflijk vooral ook omdat geen enkele van de Drie Musketiers al gehoord had van mijn nieuwste vondst en het dus louter toevallig is dat ze net deze wijn meegebracht hebben. Wat het nog beter maakt voor mij is dat de wijn in kwestie blijkbaar voorgesteld is geweest door de vader van Bert, die in bijberoep vinoloog is. Dus op zijn minst slaag ik er als totale leek dan toch al in om een goede wijn te herkennen als ik hem tegen kom. Als zelfs die professionals hem al weten te waarderen…

Maar ook nu weer blijkt dat de impact van die operatie op mijn lichaam nog steeds niet te verwaarlozen is. Gedurende een uur lukt het wel om zo met vier gezellig aan de keukentafel te zitten en wat te keuvelen en te lachen, maar dan slaat de vermoeidheid weer ongenadig hard toe, beginnen die zenuwen in mijn gezicht aan te slaan en evolueren de elektrische schokjes zelfs naar zware, irritante jeuk. Ook hier zal ik eventjes later weer op de zetel eindigen. Alleen, bij het vertrek van de drie vrienden valt er, onbedoeld, nog een onvertogen woord. Misschien is het zijn Franstalige achtergrond – want wie heeft eigenlijk ooit bedacht dat wij Vlamingen zoveel stoerder zijn dan die Walen? – maar het Nederlandstalig afscheidswoord van Achilles luidt: “Allez, geniet nog van uw vakantie.” Hij beseft totaal niet dat wat hij zegt een beetje ongepast klinkt. Alex, de hypergevoelige sympatico, begint al direct te protesteren. Zelf reageer ik met een zwak: “Het voelt wel niet aan als vakantie, Achilles.” En dan blijkt dat het zijn kennis van het Nederlands is, die hem even in de steek heeft gelaten want in het Frans nu, vrij vertaald naar het Nederlands, repliceert hij: “Ik bedoel probeer wat te genieten van de extra vrije tijd, Patrick.” Of hoe snel dat misverstanden tussen anderstaligen kunnen ontstaan, zelfs als ze dezelfde taal spreken. Misschien dat dat wel het echte probleem is met die hedendaagse politici van ons, al sinds het begin der tijden, multicultilandje; in deze tijden van hypercommunicatie, Amerikaanse one-liners en gegoochel met simplistische wereldbeelden over hoe de wereld zou moeten zijn maar niet is, hebben ze zelfs de tijd niet meer om misverstanden uit te klaren.

29 januari 2019 – Oost west, thuis best

Na drie nachten achter elkaar een slaappilletje genomen te hebben, beslis ik, na ellenlang getwijfel, de eerste nacht dat ik thuis slaap er geen meer te nemen en te profiteren van de overgang naar huis om ineens cold turkey te gaan. En het mirakel geschiedt: ik slaap als een roos. De ganse nacht lang. Nooit zo goed geslapen als die eerste nacht thuis, in mijn eigen zalig bed, naast Tin, na een week verblijf in het ziekenhuis. Wanneer ik wakker word, is het eerste berichtje dat ik zie van Jurgen, mijn jeugdvriend die nu in Parijs woont. “Vredig Kortenbergs ontwaken?,” klinkt het kort. Ik antwoord onmiddellijk in mijn eigen buitensporige, mateloze stijl: “Awel, het is niet te geloven, maar ik heb 10 uur in bed gelegen. Ok, mijn Garmin geeft aan dat ik van die 10 uur wel 3 uur heb wakker gelegen (daar kan ik me wel totaal niets van herinneren), maar er zit ook nog eens 3 uur ‘diepe slaap’ bij. Dat heb ik nog nooit meegemaakt – dus dat was duidelijk nodig. Dus ja, echt vredig Kortenbergs ontwaken.”

Misschien dat dokter Dhooghe dan toch gelijk had toen hij stelde dat ik thuis veel beter en sneller zou recupereren. Deze ene, eerste nachtrust doet in ieder geval al zoveel deugd dat ik me als herboren voel en ineens het gevoel heb de wereld terug aan te kunnen. Het enigste wat nog ontbreekt om echt een stap in de wijde wereld te zetten, is een ander masker voor mijn gelaat vinden; dat wit verband, weggemoffeld achter mijn zware, zwarte bril, ziet er nogal ziekelijk uit. Dus beslissen Tin en ik om een ooglapje te gaan zoeken, zo’n ooglapje dat stoere piraten ook dragen, liefst met een doodshoofd en wat sabels op. Maar aangezien de markt van de piraten bij gebrek aan vraag sinds de 18de eeuw volledig is ingestort, is het de vraag waar dat je vandaag de dag nog zo’n ooglapje kunt vinden. En helemaal naar Ethiopië of Somalië trekken om daar in de Perzische Golf enkele lotgenoten te zoeken, is er dan ook weer over. 

God zij dank is er tegenwoordig Google en het World Wide Web. Daar blijken er vooral, hoe kan het ook anders, Chinese merchants te zijn die, naast tal van andere prullaria, verschillende soorten van ooglapjes aanbieden. Nieuw probleem echter: de tijd die het duurt om ze toegestuurd te krijgen. Op de sites zelf wordt er gesproken over een duur van minstens twee tot drie weken. Wat dan weer wel vreemd is, is dat de aankoopprijs meestal bijzonder laag is, bvb. 10 euro voor 3 exemplaren, maar de verzending zelf volledig gratis blijft. Hoe doen ze het, die Chinezen, hoe doen ze het? Die moeten toch met andere kostmodellen dan de rest van de wereld werken? Of misschien gewoon in een andere wereld leven? En wij maar klagen dat de Belgische handelaars niet actief genoeg zijn op het vlak van e-commerce. Alleen al de verzending met de post zou bij ons meer kosten dan de aankoopprijs.

Ik wil echter niet nog eens twee, drie weken wachten en dus ga ik toch niet in op het velleidelijke, vliendelijke aanbod. In de plaats daarvan begin ik te checken of er nergens in de buurt toch niet een ouderwetse, fysieke winkel is waar ooglapjes desnoods zelfs onder de toonbank verkocht worden. Via het internet en een begeleidend telefoontje kom ik terecht bij de ‘Goed Thuiszorg’ – winkel van de Christelijke Mutualiteiten in de Leopold I – straat te Leuven. Ik verifieer vlug nog even, maar mijn eigen ziekenfonds, de ‘Onafhankelijke’, houdt zich blijkbaar niet bezig met zo’n ooglapjes. ‘Goed Thuiszorg’ doet wel pijn aan mijn oren. Zelfs van spelling hebben die katholieken blijkbaar geen kaas gegeten. Of toch niet in de taal van Conscience. Misschien dat ze nog altijd veel beter zijn in Latijn. Vermoedelijk is het een amechtige poging à la Bond Zonder Naam om toch maar een kunstmatig warmtegevoel te creëren door de nadruk te leggen op het ‘gezellig thuis komen’ in hun winkel.

Rond de middag vertrekken Tin en ik samen richting Ladeuzeplein, om daar de auto te parkeren in de ondergrondse parking. Wanneer we aankomen aan de winkel, blijkt dat hij op de middag gesloten is. Nochtans hebben ze daar helemaal niets van gezegd aan de telefoon. Maar we hadden er zelf maar moeten aan denken. Ze pakken in Leuven de uitdagingen van de toekomst fantastisch aan met indrukwekkende infrastructuurwerken, zoals aan het station, maar het is en blijft voorlopig toch een provinciestad.

Dus gaan Tin en ik eerst nog iets eten en drinken in Café Commerce op de hoek van het Hooverplein. Als we een half uurtje later de winkel binnen stappen, maken we kennis met die katholieke warmte waar we zonder het te weten zo lang naar verlangd hebben. We worden ontvangen door een norse vrouwelijke bediende; weer zo’n mislukte moeder abdis – ik kan het niet anders zeggen, maar ja bij gebrek aan roepingen moet dat type van mensen toch ergens terecht kunnen? – deze keer met een grote uilenbril en een snorretje. De lelijke, jaren ’80 architectuur van het gebouw met veel nepnatuursteen, glas en donkergroene, plastieken raamkozijnen helpt ook al niet.

God zij dank laat de abdis zich al snel vervangen door een iets jongere, meer aangename verschijning. Met een wegwuivend  gebaar maakt ze duidelijk dat we bij haar moeten zijn voor ooglapjes. Terwijl de andere winkelbediende ons bedient, merk ik dat mijn eigen nieuwe, opvallende verschijning haar ook niet onverschillig laat: ze spreekt voortdurend Tin aan en kijkt ondertussen zoveel als ze kan weg van mij. Dat lijkt mij dan toch al meegenomen na alles wat er gebeurd is. Zelfs de meer aantrekkelijke vrouwen gaan niet langer naast me kunnen kijken. Daarvoor is de mysterieuze gruwel die zich in mijn linkeroogkas bevindt te groot geworden. 

Afgezonderd in een hoek van de winkel pas ik vlug samen met Tin het ooglapje dat ze verkopen. We stellen vast dat het, zolang het niet te veel beweegt, volledig de flap en de snijranden dekt. Het ziet er zelfs echt wat stoer uit, pekzwart van buiten en groen, het groen en zelfs de stof van een biljarttafel, aan de binnenkant. Zowel Tin als ik zijn dan ook bijzonder opgetogen met de nieuwe aankoop en wandelen enkele minuten later arm in arm, als Kapitein Grijsbaard en zijn geliefde Esmeralda, terug naar hun piratenschip onder de grond.  

Als we thuis aankomen van Leuven, ontdekken we in een plastieken zak twee plastieken dozen op de drempel van ons huis. Het is de spaghettisaus die Ellen nog beloofd had te maken voor ons. Dat is een serieuze meevaller, want shoppen is vemoeiend zelfs als het geen fun-shopping is. Het enigste wat we zelf nog moeten doen is de spaghetti klaar maken. Een drietal uur later, tegen dat de kinderen thuis zijn, zitten we er met de ganse familie lekker van te smullen. Ook Sam en Ella vinden de saus bijzonder geslaagd. Het oordeel van de jury is dan ook unaniem: Ellen mag dat nog een keer doen! Na het eten kijken we samen gezellig wat naar de TV; een uitgestelde aflevering van ‘Bloed, zweet & luxeproblemen’ over volwassen kinderen van Bekende Vlamingen die verschieten hoeveel ellende er wel niet is in de wereld, ideaal gevolgd door de Ideale Wereld, een parodie op die onnozele praatprogramma’s met diezelfde BV’s, op eenzame hoogte het beste programma op de Vlaamse TV en dit al sinds meerdere jaren. Het voelt echt lekker aan om terug thuis te zijn. En hier voelt het tenminste allemaal niet zo fake aan. Maar er is hier dan ook geen taalverkrachtende spellingsfout die voor hoofdpijn zorgt #GoedThuisZijn

Vrouwe Justitia zit ook in haar kot

Beste lezers,

Gisteren was de laatste post van het hoofdstuk ‘In het land van de zieltogenden.’ Zoals de titel al doet vermoeden, moet ik nu beginnen aan het donkerste stuk van mijn verhaal. Daarom moet ik even terug wat recul nemen en alles even op een rijtje zetten vooraleer verder te gaan.

Eigenlijk komt dat wel goed uit. Want in deze tijden van Corona, waarin dokters en verpleegkundigen heldendaden verrichten, voelt het onfatsoenlijk aan om wandaden in de medische sector aan te klagen. Zelfs als je zelf het slachtoffer bent. Kortom, blijkbaar moet zelfs Vrouwe Justitia even wachten tot dat alles terug een beetje genormaliseerd is. 

Hopelijk tot snel, 

Patrick

PS: Door problemen met Facebook zijn twee van de laatste posts niet opgenomen in de blog op datzelfde Facebook. Het volledige overzicht vind je dus eerder terug op http://www.patricksmedischefout.blog

28 januari 2019 de rest van de dag – Op weg naar huis

Gedurende de rest van de dag bereid ik me verder voor op mijn vertrek. De paniekaanval van in de ochtend ligt ver achter mij. Ik wandel nog wat op en neer in de gang, maar voel me al helemaal niet meer zo verloren als daarstraks. Ik begin al elke deur van de gang te kennen en kan de nummers van de kamers al bijna van buiten opsommen. Zo geraak ik tegen het einde van de dag, al hinkend, aan mijn zelfopgelegd doel van zesduizend stappen, het dubbel van gisteren. Het doet gewoon enorm veel deugd aan mijn zo zwaar beproefd lichaam om nog eens op één dag, en dit voor de eerste keer sinds de operatie, een normaal verloop van fysieke activiteit te kennen.

Ik doe alles op mijn gemak en neem de tijd om afscheid te nemen van deze kamer en dit gebouw die de afgelopen dagen zo veel voor mij hebben betekend. Uiteindelijk doe ik er de ganse dag over. En dat is goed. Want ik heb een ganse dag. De kinderen willen absoluut samen met Tin mij komen ophalen en dus gaan ze pas na schooltijd hier geraken. En het afscheid nemen van mijn kamer alleen al duurt enkele uren. Dat brede venster dat uitkijkt op het K2-gebouw en tussenin de metalen meerverdiepingen monsterparking. Dat televisietoestel dat daar wat klungelig tegen de muur hangt te bengelen en waar ik bij gebrek aan een duidelijk zicht amper gebruik van heb kunnen maken. De badkamer om de hoek waar dat Harry Angel ofwel telkens in verdween ofwel uit tevoorschijn kwam. Ik ben er nog altijd niet uit. En mijn bed. Mijn trouw bed. Op tijdelijke basis wel, maar in een ziekenhuis is het bed de patiënt en omgekeerd. En dit niet alleen voor de boekhouding. Want wat is een mens in een ziekenhuis als hij zelfs geen bed heeft? 

Maar het belangrijkste afscheid dat ik moet nemen is dat van het verplegend personeel. De Roze Engel krijg ik niet meer te zien, maar ook wat al die andere verpleegsters allemaal voor mij gedaan hebben de afgelopen dagen, op goede en slechte momenten, laat zich niet zomaar even bepalen. Vooral ook de correctheid en de menselijkheid waarmee ze mij keer op keer benaderd hebben was bewonderenswaardig. En de directheid van spreken telkens weer in dat sappige Oost-Vlaams wist ik enorm te waarderen. Wat een verschil met dat afstandelijke, zogenaamd hyperprofessionele Gasthuisberg van mijn voeten. Als ik kan en mag, ga ik de rest van mijn leven naar deze plek terugkomen want hier weet ik tenminste dat ik geholpen zal worden. 

Hoogtepunt van de dag is deze keer de pillenverpleegster. Niet dat dat haar officiële functie is. Maar ze profileert zich wel zo. Zoals dat iedereen in dit biotoop zich mag bepalen in alle vrijheid zolang ze maar de algemene regels respecteren. Ze krijgt bijna een aanval wanneer ze de pillen aan het geven is die ik mee naar huis mag nemen en ik onschuldig voorstel om de diclofenac samen met de bloedverdunnende spuiten te gaan innemen. Ze loopt bijna hysterisch met het plastieken zakje vol pillen de kamer uit om de lijst te laten herzien terwijl ze krijst: “Je mag die geneesmiddelen niet samen nemen! Nooit!” Ze overweegt sommige medicaties zelfs niet langer mee te geven, zo onvergeeflijk vindt ze mijn beginnersfout, maar wanneer ik plechtig beloof het niet te doen, is het toch in orde en zijn we terug allerbeste vrienden. Ze begint me zelfs bijkomende tips te geven over wat ik eventueel nog allemaal kan gebruiken voor mijn oog en vooral ook hoe ik dat alles moet toedienen of gebruiken. Ondertussen wandelt in de loop van de dag de rest van de verpleging mijn kamer binnen en buiten om haar in orde te brengen voor de volgende patiënt. Ze gaan hierbij voortvarend te werk want ze staan zoals altijd onder tijdsdruk. Zo verdwijnt het boeket van Zeynep dat ik pas twee dagen geleden gekregen heb in mijn afwezigheid richting exit. Zelf ben ik bezig mijn zoveelste ronde in de gang af te werken.

Tegen de avond stuur ik een berichtje naar iedereen die ik eerder verwittigd had dat ik minstens twee weken hier in het UZ Gent zou vertoeven om te zeggen dat het avontuur nu al afgelopen is. Ik maak er ook een punt van om nog een dankwoord via mail te richten aan Yvo en Willem. Wat die gasten allemaal voor mij gedaan hebben de afgelopen weken, dat ga ik nooit kunnen terugbetalen. Zelfs niet als ik eeuwig zou leven. Hoe er dan aan beginnen? Ik schrijf: “Ik vind hetgeen jullie allemaal voor mij gedaan hebben – jullie twee, Vermeersch, Dhooghe, Fransen, maar ook die verpleegsters allemaal allemaal ongelooflijk. Ben oprecht onder de indruk van het teamwerk dat jullie hier verzetten en dat allemaal op een innemende en toch superprofessionele manier. Respect. UZ Gent is een superkliniek.” En eindig om toch maar te beginnen met enige vorm van afbetaling: “Zelf voel ik op dit moment oneindig veel dankbaarheid. Als ik ooit iets voor jullie kan doen, hoe onbenullig ook, laat het me weten.” Deze keer is het Willem die reageert: “Laat het zeker weten indien er problemen zijn Patrick! Vlot herstel gewenst en tot binnenkort. Willem” Ongelooflijk. In tegenstelling tot wat ik verwacht had, zijn ze mij nog altijd niet beu. En maar blijven geven. Of hoe dat zelfs wanneer ze reageren op een dankwoord, ze erin slagen om de schuld nog wat verder te doen oplopen, de smeerlappen.

Iets na zes komen Tin en de kinderen aan in het ziekenhuis. Het is al donker, maar ik werp rechtopstaand toch nog een allerlaatste blik naar buiten en neem het beeld voor mij goed in mij op. Met links van mij de verlichte, bovengrondse tunnel die dit gebouw en het grote K2, die betonnen blok ginder, met elkaar verbindt. En rechts voor mij het Aziatisch ogend containerpark met op het nu kletsnatte dak van elke container zijn eigen airconditioning voor in de zomer en dat, vermoed ik, overdag vol zit met administratief personeel. Er branden in ieder geval amper lichtjes ‘s avonds. Tin en de kinderen helpen me om al mijn spullen mee te nemen. Sam en Ella staan d’r op om de zakken met kleren en wasspullen te dragen. Tin verwijdert nog vlug uit de ijskast wat er nog in staat: de resterende soep van Zeynep, wat drankjes en nog enkele overblijvende pralines. Ik draag het familieportret gemaakt door Sam en Ella plechtig terug naar huis.

Het is donker op de weg. En vies winters weer. Sam en Ella zitten vanachter in de auto met hun iphones bezig. De ganse terugweg wordt er niet zoveel gesproken door Tin en mij. Er valt precies ook niet zo veel te zeggen. Het is niet dat er feest te vieren valt na alles dat er gebeurd is. En soms is spreken ook niet nodig tussen mensen en bestaat er een soort van stilzwijgend begrip. Of misschien ligt de oorzaak van het zwijgen elders? Zo merk ik nu voor de eerste keer van mijn leven één van de concrete gevolgen voor de rest van mijn leven van het onvoorstelbare amateuristische geklungel van dat hautaine Gasthuisberg, van de goddelijke handoplegging in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Professor Ilse Mombaerts. Nu dat ik mijn linkeroog kwijt ben, zie ik, zelf zittend in de passagiersstoel van een auto, niets nog van de chauffeur naast mij. Zolang ik, zoals je normaal doet in een auto, naar de weg voor ons kijk natuurlijk. Ik moet me al helemaal omdraaien en mezelf in een heel ongemakkelijke houding zetten om Tin nog te kunnen zien. Ik houd het dan ook niet lang vol en begin voor me uit te staren naar de natte sneeuw die in de donkerte buiten op de voorruit begint te vallen en langzaam naar beneden schuift. Vanaf nu zal ik dus al die zo belangrijke lichaamstaal links van mij moeten missen. In de auto en daarbuiten. Misschien is die lichaamstaal wel veel belangrijker dan we denken voor het tot stand komen van communicatie tussen mensen? Is er zonder lichaamstaal niet dat eerste signaal dat aangeeft dat er iets te zeggen valt? Blijven de mensen nog meer dan anders in hun eigen wereldje vasthangen? En ik was daar al zo’ne krak in. Dat belooft.

Tijdens de rit voel ik ondanks de opkomende sombere gevoelens toch ook een beetje trots opwellen bij mezelf. Ik vind dat ik het allemaal toch niet zo slecht gedaan heb. Ik vind het jammer van die paniekaanval deze ochtend, maar op één week tijd met een kankergezwel én een oog minder, zo maar zelfstandig, zonder de assistentie van een buitenwipper, terug naar buiten wandelen uit een ziekenhuis en in een auto kreuffelen om thuis te geraken, dat moet je toch kunnen, vind ik. Wie gaat mij dat na doen?

28 januari 2019 ’s ochtends – Voor alles is er een eerste keer

Nu dat ik later op de dag naar huis ga, beslis ik in de ochtend, na het ontbijt, een douche te nemen. Het is de eerste keer sinds de operatie, nu bijna een week geleden. Het enigste wat ik voorlopig nog moet zien te mijden, zo werd mij gezegd, is mijn linkeraangezicht. Er mag voorlopig nog geen water komen op mijn linkeroogkas, de flap erin, het verband erop en errond. Ook mijn kin, waar een kleine snijwonde is gemaakt geweest om die ader los te maken die de flap moest bevloeien, laat ik beter nog even met rust. Dat is allemaal iets wat pas vanaf volgende week ergens mogelijk zal worden. Een beetje rillerig stap ik de douche in, maar eenmaal wanneer het warme water op mijn lichaam valt, voelt het heerlijk aan om het water langs mijn lichaam naar beneden te voelen lopen. Het is alsof het niet alleen alle stof en vuil en stank van de afgelopen dagen wegspoelt, maar ook alle zorgen. 

Het kost me ook niet zoveel moeite om te vermijden dat er water op mijn gezicht terecht komt. Bij het wassen van mijn ondertussen vettig haar hang ik mijn hoofd helemaal naar achter en zorg ervoor dat de shampoo goed ingewreven wordt vooraleer ik alles opnieuw achterwaarts, op zijn Herman Brusselmans’, begin te spoelen. En daar waar de drain zich bevond in mijn rechterdij, dep ik voorzichtig het litteken en het nieuwe huidweefsel met het washandje af. Het genieten van het lopende water is zo groot dat ik er minstens 10 minuten over doe om mijn lichaam overal zo’n beetje te wassen. Wanneer ik gedaan heb, maar nog steeds onder de douche sta te bekomen, beslis ik vlug even te checken hoe het met mijn linkeraangezicht gesteld is. Ik haal het washandje weg, zet het water af, en ga met mijn linkerhand naar boven. In de stilte van mijn badkamer, achter de gesloten deur, voel ik voorzichtig tastend aan mijn wang. Op dat ene, specifieke moment barst de bom los.

Eerst was er het voelen. Voor woorden was het nog veel te vroeg. Onder de huid op mijn wang voel ik totaal onverwachts wormachtige verdikkingen. Verdikkingen die er nog nooit geweest zijn, of die er voordien toch zeker niet waren. Verdikkingen die zich ver van mijn linkeroogkas en ver van de kleine wonde onder mijn kin, maar wel in mijn linkerwang, bevinden. Verdikkingen die, en deze vaststelling ontploft in alle hevigheid in mijn hoofd, aanvoelen als nieuwe tumoren, als nieuwe kankergezwellen: als ik erop duw, doen ze geen pijn, en toch springen ze niet echt weg onder de druk van mijn vingers. Ik voel mijn adem versnellen. In paniek verlaat ik de douche, droog me half af, trek terug mijn kleren aan en loop de gang op, op zoek naar hulp. Want de paniek die ik voel is zo groot dat in de kamer blijven gewoon geen optie is. Ik zie echter niet onmiddellijk iemand. Het enigste wat me blijkbaar nog resteert, is de gang op en af te wandelen met mijn hand aan mijn wang. Ik besef dat ik voor het eerst in mijn leven een paniekaanval heb. 

Na een aantal minuten op en neer gewandel bots ik op iemand van het verplegend personeel die net een andere kamer uit komt. Ze ziet de angst in mijn rechteroog staan en vraagt bezorgd wat er aan de hand is. Ik krijg mijn ademhaling niet naar beneden. Met horsten en stoten antwoord ik: “Ik denk dat ik terug kanker heb. Ik denk dat alles voor niets geweest is. Er zitten hier knobbels in mijn wang.” De verpleegster kijkt me opnieuw bezorgd aan en vraagt lief: “Heeft u dit al besproken met een dokter?” Ik kijk wanhopig naar boven, naar het plafond van de gang, terwijl ik de lucht in mijn keel naar beneden tracht te forceren: “Neen, ik heb het zelf pas ontdekt in de douche,” weerklinkt in gebroken Nederlands, “ik voelde even aan mijn wang en voelde opeens die knobbels onder mijn huid.” “Ik denk dat het belangrijk is dat je dit eerst een keer door iemand van de medische staf laat checken, mijnheer Hoskens.” Ik reageer lichtjes gepikeerd: “Ja graag, maar kunt u dan even vragen aan iemand van de dokters om zo snel als mogelijk langs te komen? Ik word zot gewoon.” “Ja, ik zal dat dadelijk doen. Maar misschien is het wel beter dat u in uw kamer wacht in plaats van op de gang, mijnheer Hoskens.”

Na een tijdje verschijnt een nieuwe assistente van dokter Dhooghe vergezeld van een al wat oudere dokteres die ik ook al nooit gezien heb. De jonge assistente is een ravissante blonde verschijning. Zo één uit de boekskes. Een beetje bourgeois wel. Je ziet haar zo met foulard en zonnebril op in een Aston Martin langs de Côte d’Azur razen. Alleen de in stretchjeans geperste spillebenen zijn een enorme afknapper. De al wat oudere dokteres wordt mij dan weer kort voorgesteld als een bezoeker uit een ver en afgelegen land, Nederland als ik me goed herinner. Ze volgt een soort van training in residence van enkele dagen hier in het UZ Gent. De blondine vervangt de no nonsense assistent van dokter Dhooghe die mij de relativiteit van afstand voor zenuw versus slak had uitgelegd. Blijkbaar hebben zij een soort van wekelijkse beurtrol hier op de ziekenhuisvloer. 

Wanneer ik aan de twee toeristen uitleg wat er gebeurd is, blijven ze allebei een beetje besluiteloos naast mijn bed staan. Zelf leun ik tegen de rand van het bed. Liggen of zelfs zitten lukt mij op dit moment niet meer. Zo overstuur ben ik. Ze vragen me om even mijn wang los te laten zodat ze zelf kunnen checken wat er juist aan de hand is. Met moeite krijg ik mijn volledig gecrispeerde hand weg van mijn gezicht. Om beurten tasten ze aan mijn wang. “Mijnheer Hoskens, ik vermoed dat dit nog een gevolg is van de operatie,” zegt de assistente na een tijdje. “Ik denk dus niet dat het kanker is. Bij de operatie is er een baan gemaakt van uw hals naar de huid in uw oog om bloed aan te voeren en het is deze baan, of dit kanaal als u wilt, die wat dik staat, denk ik.” Ik heb haar echter nog nooit gezien. Bovendien waait er een zwaar geparfumeerde foulard voor mijn gezicht. Dus volledig geruststellend vind ik haar woorden niet. Mijn lichaam dat nog steeds in overdrive is, en dus ook niet langer naar mij luistert, laat dat ook merken. “Mijnheer Hoskens,” komt de oudere dokteres nu met een beetje meer authoriteit tussen, “anders moet u wachten op dokter Dhooghe straks. Die gaat zeker bij u langs komen in de loop van de dag. Hij kan u dan ook een keer zeggen wat hij denkt dat het is.” “Goed?,” eindigt ze met enige Nederlandse aandrang. “Ja, ja, goed voor mij. Het is gewoon dat ik het zelf even niet meer weet, begrijpt u?” “Ja, dat begrijp ik, maar wacht u nu maar rustig op dokter Dhooghe. Hij kan u vertellen wat er juist gebeurd is tijdens de operatie. Hij heeft ze ook uitgevoerd, niet?” “Ja.” “Goed, tot de volgende keer dan?,” neemt ze luid en toch nasaal afscheid. “Ja, dank u.”

Wachten op dokter Dhooghe is goed voor mij, maar in afwachting van hem, raadpleeg ik terug mijn zo betrouwbare noodlijn en stuur naar Yvo en Willem een nieuwe mail om te zeggen wat er gebeurd is. Om volledig te zijn vermeld ik ook de assistente en haar theorie over het kanaal tussen de kaak en de flap. Eerlijk gezegd, ik weet weer niet wat ik zonder die noodlijn gedaan zou hebben, maar deze keer heb ik vooral ook schrik dat ze via via gaan vernemen dat ik toch echt wel een patiënt van mijn kloten ben, een ondankbare klootzak die niet weet wanneer hij zijn mond moet leren houden. ‘Eerst zo moeilijk doen over het snel naar huis gaan en nu ook nog eens insinueren dat alles wat ze gedaan hebben, allemaal voor niets geweest is, wat voor een kwast me dat zeg!’ Zoiets dus. Deze keer is het Yvo die onmiddellijk reageert. En al even duidelijk als Willem altijd doet. De boodschap is heel simpel: kanker kan het niet zijn, want geen enkele kanker groeit zo snel. “Het kan wel iets anders zijn, want zo’n operatie gebeurt niet zo vaak”, zegt Yvo, “maar dat pakken we dan wel aan wanneer het zich voordoet.” Op zijn Jean-Luc Dehaenes voegt hij er nog aan toe met zijn typische deugnieten kwinkslag.

Wanneer dokter Dhooghe afkomt, is het al laat in de namiddag. Niet dat dat zo erg is. Vooral de mail van Yvo heeft al terug wat rust gebracht. Mijn basisattitude in het leven is op enkele weken tijd blijkbaar verworden tot: alles is goed voor mij, zolang het maar geen kanker is. Zoals gevreesd is Dokter Dhooghe wel een beetje op zijn tenen getrapt. Zijn eerste reactie wanneer hij toekomt, zegt genoeg: “Ik had jou dat toch gezegd, mijnheer Hoskens? Dat er zich daar tijdelijk zo’n verdikkingen konden voordoen?” Ik herinner me er niets meer van en zeg dit ook. Hij kijkt me een beetje geïrriteerd aan, maar bevestigt dan volledig het verhaal van zijn assistente. Hij verduidelijkt verder dat het ganse wangstuk tussen kaak en het gebied van het oog volledig los gemaakt is geweest tijdens de operatie. En dat het dus volledig normaal is dat er zich nu dergelijke ‘knobbels’ onder de huid van de wang bevinden. En dat deze met de tijd zouden moeten weg gaan. Ik kan hem weer niet genoeg bedanken. En voel me schuldig omdat ik vandaag voor niets zo’n scène heb gemaakt. In een poging om het goed te maken, zeg ik dat ik vandaag toch nog naar huis zal gaan zoals hij en zijn assistent gevraagd hadden. Dat Tin mij straks  komt ophalen. Rond een uur of zes wel pas omdat Sam en Ella absoluut mij mee wilden komen oppikken. Dus moet ze wachten tot de school gedaan is. En met die files tijdens de piekuren op de ring van Brussel en de E40 richting Gent zal het ook al niet zo vlug gaan.

26 en 27 januari 2019 la parte degli amici – Forza, Patrizio!

Nu dat het weekend is, en ik eindelijk een keer een beetje fatsoenlijk heb kunnen slapen, wordt mijn kamer na al het geleden leed als bij toverslag omgevormd tot de zoete inval. Vlak voor de middag, ik heb net voor de eerste keer sinds de drain uit mijn been is, eindelijk bevrijd dus van die standaard voor baxters op wieltjes, de gang op en af gewandeld, komen de ouders van Tin op bezoek. Vooral haar vader voelt zich echter niet op zijn gemak in dit groot gebouw vol zieke mensen. Het is aandoenlijk om te zien hoe hij zijn best doet om het bezoek luchtig te houden. En alle mogelijke mopjes over ziekenhuizen en patiënten vertelt die hij zich maar voor de geest kan halen. Ondertussen probeert Tin haar moeder met onzekere hand het schip wat in het midden te houden door het gesprek voortdurend terug naar hier en nu te sturen. Maar erg lang houden ze het beiden niet vol. Na een uurtje schipperen vertrekken ze al terug. Net op tijd voor het middagdeten. Want ik weet niet wat dat is, maar nu dat ik eindelijk een keer redelijk heb kunnen slapen, heb ik echt zin in eten.

Later op de dag is het de beurt aan Stef en Ellen om binnen te vallen. Helemaal vanuit Kortenberg zijn ze naar Gent gekomen. Ook wel omdat Stef zelf afkomstig is uit het vlakbij gelegen Lokeren en ze het combineren met een familiebezoek daar. Goed voor mij want ze hebben keilekkere, zelfgemaakte vanille en chocolade schepijsjes en sorbets van de ouderlijke boerderij van Stef meegebracht. Of van zijn broer ondertussen want waar dat Stef zo’n beetje als de beste osteopaat van Kortenberg en omgeving met een grote praktijk in een prachtig herenhuis door het leven gaat, is het zijn broer die het vele generaties oude familiebedrijf heeft overgenomen. Ik wil eerst enkele van de toetjes bijhouden voor Tin, maar ze zijn te lekker en ik eet ze allemaal alleen op nog voor dat ik besef dat er toch geen diepvriesvak is in die koelkast hier op de kamer.

Ze zijn net op als Zeynep en haar Nederlandse echtgenoot, Gregory, aankomen. Jammer genoeg zonder hun guitig zoontje met de bolle Turkse wangetjes van een jaar oud ongeveer. Blijkbaar is het gisterenavond plezant geweest met Tin. Zo plezant dat Zeynep gisteren wat linzensoep voor mij heeft meegegeven aan Tin. Ik had ze zelf onlangs nog voor haar bij ons thuis gemaakt toen ze nog eens een keer bij ons op bezoek was, en had haar toen het recept meegegeven. Nu dat ik in het ziekenhuis lig, wilt ze mij op haar beurt een beetje verwennen. Ik kan al niet wachten om ze op te eten, maar ik zal wel moeten want ze is bij Tin thuis. Maar wat ze wel meegebracht hebben is mijn eerste echte ruiker bloemen. Zo goed geïntegreerd zijn ze. Hetgeen de Vlamingen zelf niet meer doen, doen zij nog wel. Omdat het zo hoort.

Ondertussen door al het gepraat over lekker eten of is het gewoon de soep die Zeynep in het vooruitzicht heeft gesteld, stelt Ellen voor om de komende dagen ook een keer wat eten klaar te maken voor ons thuis. “Want,” zegt ze, “waarschijnlijk zullen jullie het toch wel al druk genoeg hebben met al deze toestanden.” Ze laat hierbij het magische woord ‘spaghettisaus’ vallen. Mijn eigen maag en de voorliefde voor pasta van mijn kinderen indachtig kan ik het niet laten om op het aanbod in te gaan en antwoord: “Een beetje spaghettisaus zou wel tof zijn. Heel hard bedankt van Tin en mij Ellen, als je dat zou willen doen.”

Om het helemaal gezellig te maken, valt net op dat moment ook Koenraad nog binnen. We zitten nu al met 6 mensen in de kleine kamer. Hij gaat straks, bij afwezigheid van Babs en de overige kinderen, met zijn jongste dochter eten in het Italiaanse restaurant hier in de buurt waar ik de avond voor de operatie nog geweest ben met Tin en Koen en de kinderen. Vandaag is het Koenraad die mij van mijn bed doet vallen, maar dan op een heel zacht kussen van marsmannentrots. Terwijl ik tot nu toe dacht dat hij toen aan de zee, in zijn appartement, mij een dikke onnozelaar vond met zijn semi-verontwaardigde uitroep: “Wat heb jij aan je oog?”, blijkt nu net het tegenovergestelde. Nadat de anderen al lang vertrokken zijn, en we het hebben over wat er allemaal gebeurd is, stelt hij onomwonden: “Ik dacht dat je weer aan het overdrijven was daar aan de zee, Patrick. Daar ben je soms wel goed in, in zo’n beetje overdrijven. Maar als toen bleek dat het echt serieus was, amai. Echt chapeau van jou om daar in Gasthuisberg zo aan de bel te blijven trekken en niet af te geven. En ook dat je Willem in ons appartement om hulp vroeg. Dat heb je allemaal echt goed gedaan.” Als de leader of the pack zo’n lovende commentaar geeft, voel je je ego toch terug wat groeien, moet ik zeggen. Dan voel je je al wat minder een dikke onnozelaar. En dan kun je al wat beter die niet zo fraaie buitenwereld opnieuw aan; Harry Angel, als verpleegster in het wit verklede buitenwippers, Professor Ilse Mombaerts, laat ze maar komen, de lelijkerds. Maar voor alle zekerheid, en laf als ik ben, vraag ik vlak voor het slapen gaan toch maar een slaappilletje. Je weet maar nooit wat voor een gedrochten de onderwereld nu weer op mij afstuurt. En de Roze Engel is ook al lang verdwenen.

Op zondag dan weer is het eerst de beurt aan Tin om mij te verrassen. Sam en Ella zijn er niet bij want die gaan naar de grote klimaatbetoging in Brussel samen met oma en hun kleinste neefje en nichtje. Dus is Tin nog eens alleen gekomen. Ze is blij om mij te zien. En ik haar. Ze heeft de linzensoep van Zeynep meegebracht. Ik zeg tegen haar dat ik me al veel sterker voel. Als een klein kind voeg ik er fier aan toe dat ik in de ochtend zelfs als zo’n 3,000 stappen heb weten te zetten door gewoon de gang op en af te wandelen. Voorzichtig breng ik aan dat ik misschien dan toch morgen op maandag al naar huis kan. Zoals die doctors hier gevraagd hadden. Tot mijn grote opluchting ziet Tin dat zelf ook 100% zitten. Ik krijg zelfs de indruk dat ze er zin in heeft om mij lekker op te vangen thuis. Ze stelt voor om nog te zien hoe het vandaag verder evolueert hier en dan eventueel morgenmiddag , na haar les van de voormiddag, zo rond een uur of één, naar hier te komen om mij op te pikken. Het klinkt allemaal als muziek in mijn oren. Nu nog zien dat ik morgen hier in de auto geraak en thuis boven.

Eventjes later ontvang ik via Whatsapp enkele foto’s van Sam en Ella waarop ze de spandoeken voor de betoging thuis op onze natuurstenen vloer aan het afwerken zijn. Trots als ik ben op mijn kroost die voor het klimaat opkomt, stuur ik deze zelfde foto’s later op de dag naar De Morgen wanneer de krant daartoe oproept. Eventjes later kan mijn trots als pater familias nog wat verder aanzwellen want de krant publiceert de foto’s zowaar in zijn digitale media. Je ziet de kinderen en oma noestig werken aan de doeken en de stokken met potten verf in alle mogelijke kleuren op gekreukeld krantenpapier hier en daar tussen hen in. Uiteindelijk blijkt het de grootste klimaatbetoging tot dan toe te zijn, met meer dan 70,000 betogers, een waar succes. Voor het eerst sinds de operatie kijkt mijn ene resterende oog glunderend in het rond.

Op dat moment komen Elise en Fabrizio binnengewaaid; de Franse ouders van twee dochters van exact dezelfde leeftijd als Sam en Ella, die bovendien allemaal, per toeval, samen in de klas hebben gezeten, met een verschil van twee jaar tussen de oudsten en de jongsten dan wel natuurlijk. Ze wonen in Armendael, de heuvel waarop zoals in de Middeleeuwen de rijken van Kortenberg wonen, maar staan al even open in het leven als wijzelf. Zij zijn wel helemaal vanuit Kortenberg met de auto naar hier gekomen enkel en alleen om mij te bezoeken. Wanneer ik aandring dat ze ervan moeten profiteren om ook Gent te bezoeken, de mooiste en gezelligste nog bruisende stad van Vlaanderen wat mij betreft, en vooral ook om mijn eigen schuldgevoel een beetje te compenseren, blijkt dat ze zo snel als mogelijk terug naar huis moeten want hun dochters gaan ook nog moeten gaan volleyballen later op de dag. Die ouders van tegenwoordig, Frans- of Nederlandstalig doet er niet toe, zijn toch niet meer wat ze geweest zijn.

Net nadat ze allen vetrokken zijn, vallen Koenie en Katrijn binnen. Ook zij enkel om mij te bezoeken, maar dan weer helemaal vanuit Rotselaar. Maar ze blijven niet lang want Katrijn kan het niet goed aan om mij zo te zien met een dik verband op mijn gezicht en daarachter een gapende leegte. Ofwel is het mijn zelfmedelijden dat ze niet kan luchten. Alhoewel, ik denk dat ergens tijdens de afgelopen nachten achtergelaten te hebben. Ik check vlug even of het zich niet bevindt naast mij in bed; links of rechts, maar zie niets. Het excuus dat ze gebruikt om te vertrekken is dat ze nog vanalles moeten doen, maar als ik nadien van Koen hoor dat ze in de auto op weg naar huis gezegd heeft dat als dit ooit met haar gebeurt, dat hij er dan een einde mag aan maken, en ze bedoelde niet aan hun relatie, spreekt dat boekdelen natuurlijk. Hier en nu zie ik Koen verbaasd kijken en hoor hem vragen: “Hoe? Moeten we nu al terug vertrekken?” Maar het is onmiddellijk duidelijk dat er hier sprake is van een geval van overmacht en dat er geen tijd is voor verder overleg. Ze vluchten samen terug weg door de gang, de twee schatten.

Net wanneer ik denk dat het gedaan is met al die bezoeken en ik al bezig ben met alles een beetje op te rommelen met het zicht op een mogelijk vertrek naar huis morgen, wordt er weer geklopt op mijn deur. Deze keer is het Thomas, de meest empathische van de bergfreunde, of de man die zo empathisch is dat hij moet oppassen of hij verdwijnt zelf volledig en niet gewoon in de achtergrond. Als hij ooit die persoonlijkheidstest van Insights gedaan heeft, moet hij zo groen als een kikker gescoord hebben. Zelf ben ik geel-groen in deze op kleuren gebaseerde typologie, wat simpel gesteld wil zeggen dat ik vooral bezig ben met waar we collectief naartoe moeten en daarbij af en toe overvallen wordt door bezorgdheid om mijn medemens. Ook nu weer haalt bij Thomas zijn groene empathie direct weer de bovenhand en vraagt hij indringend, met een onontwijkbare dwingende toon, hoe het met me gaat. Het is de eerste keer dat ik hem terug zie sinds het weekend aan de zee en dus vertel ik in geuren en kleuren wat er allemaal sindsdien gebeurd is. Na een tijdje, ik schat zo’n half uur, ongetwijfeld in de hand gewerkt door zijn volle aandacht, vraag ik lichtjes gegeneerd: “En hoe gaat het met jou Thomas? Ik zit hier maar heel de tijd te vertellen over mij…” Hij grinnikt: “Gij zijt wel diegene die hier in het ziekenhuis ligt, niet Patrick?” “Dat is ook waar,” antwoord ik, waarop er een lange, pijnlijke stilte volgt. Een stilte die des te pijnlijker is omdat we, in tegenstelling tot gisteren, toen het hier precies een café was, volledig alleen zijn. Eigenlijk moeten we gewoon stilletjes toegeven dat groen en groen niet zo goed samen gaan. Dat is de grote zwakte van die groenen. Alles valt stil als ze enkel onder mekaar zijn. Als het opbod, om als eerste de vraag te stellen hoe het met de andere gaat, afgehandeld is. Zij hebben klootzakjes nodig om kwaad op te zijn of om te wijzen op een fundamenteel gebrek aan respect voor anderen. Anders kunnen ze zelf gewoon niet functioneren. Ik hoop wel dat die groene jongens Calvo en Almaci deze blog niet aan het lezen zijn. Of ze gaan subiet nog bellen om te vragen wat ik nu juist bedoel met al deze zever.

26 januari 2019 la parte dei medici – Nieuws van het westelijk front

We zijn zaterdag en in de loop van de ochtend komt één van de assistenten van Dokter Dhooghe langs. Eerst bevestigt hij dat de redon vandaag verwijderd mag worden. Hij benadrukt tegen de verpleegster die aanwezig is dat dat deze voormiddag nog mag gebeuren. Hij verklaart ook ineens wat er juist aan de hand is met mijn hoofd. Hoe dat het komt dat er van vlak boven mijn linkeroogkas (het oog is weg, dus heeft het geen zin meer om erover te spreken) recht omhoog, over mijn hoofd heen tot bijna vanachter, ik totaal geen gevoel meer heb. “Er bevinden zich twee hoofdzenuwen in het hoofd van een mens”, zegt hij, “één die langs links loopt en één die langs rechts loopt.” En bij mij moet de linkse hoofdzenuw geraakt geweest zijn tijdens de operatie. Met als resultaat de totale gevoelloosheid van die kant van mijn hoofd. Hij zegt me wel ook dat dit permanent gaat zijn waarschijnlijk. Zo’n hoofdzenuw eenmaal die geraakt is, valt niet meer te herstellen. Wat niet permanent zal zijn, herhaalt hij wat Dhooghe en Willem mij al wisten te vertellen, zijn de pijntjes in mijn gezicht, de naaldenprikken. Die zouden geleidelijk aan minder moeten worden. En ook de gevoelloosheid onder mijn neus rechts en het gevoel alsof mijn bovenste snijtanden verdoofd zijn, alsof ik net bij de tandarts geweest ben, ook deze symptomen zouden moeten verdwijnen met de tijd. Hier gaat het over kleinere en fijnere zenuwen die geraakt zijn, maar die “moeten terug hun weg vinden,” zegt hij. “Die gaan terug verbindingen aangaan met andere zenuwen en zo langzaam zich herstellen. Maar dat gaat wel een tijdje duren, mijnheer Hoskens. Zenuwen groeien ongeveer 1 millimeter per dag. En bij u is er een holte gemaakt geweest met een doorsnede van zo’n zes à zeven centimeter en een diepte van een à twee centimer. Dus kan je zelf inschatten dat dat niet één, twee, drie gaat opgelost zijn.”

Ik begin deze assistent in al zijn directheid al sympathiek te vinden, maar dan begint ook hij met mij onder druk te zetten om zo snel als mogelijk terug naar huis te gaan. Hij stelt voor om ten laatste morgen mijn biezen al te pakken, misschien vandaag al als ik dat zie zitten. Ik kijk hem uitdagend aan en stel dat dat totaal onmogelijk is. Dat ik sinds de operatie nog maar amper zelfstandig uit dit bed ben geraakt en dan enkel nog maar om op en af te gaan naar het toilet vijf meter verder. Het enigste wat ik daarnaast nog gedaan heb, is een keer in de zetel gaan zitten zodat de verpleging het bed kon verversen. Ik zeg luid dat ik nog steeds doodmoe ben en dat het niet is omdat ik nu toch al één nacht redelijk goed heb kunnen slapen of, accurater gesteld, toch al één nacht heb kunnen slapen tout court, ik nu al van mezelf kan stellen dat ik me zo fris als een hoentje voel en klaar om de boze buitenwereld terug aan te kunnen. Dat ik volgens mij ten vroegste maandag zou kunnen vertrekken en dan nog alleen maar als alles goed verloopt tot dan. “Ok, maandag dan,” geeft de assistent dan toch toe net voordat hij de kamer verlaat. “Zo komt het bed ook vrij voor anderen want we hebben bedden tekort, begrijpt u, Mijnheer Hoskens?”. En alhoewel ik al opgelucht ben dat er toch al geen sprake meer is van dit weekend nog te vertrekken, blijft het korte, venijnige gesprek op mijn maag liggen. Het gevoel van niet langer welkom te zijn hier, een vieze profiteur te zijn, besluipt me en ook dat er mij een schuldgevoel aangepraat wordt, want ik leg hier beslag op een bed dat iemand anders hard nodig heeft, zit mij enorm dwars. Het is niet dat ik gekozen heb voor al deze miserie, integendeel.

Later in de namiddag, de redon werd ondertussen verwijderd, het voelde aan als een lange breinaald met kleine weerhaakjes die uit je been getrokken wordt, beslis ik dan ook toch maar gebruik te maken van mijn geheime hulplijn en snel een mail te sturen naar Yvo en Willem. Ik was van plan hen niet langer lastig te vallen na alles wat ze al voor mij gedaan hadden, maar ik kan als een klein kind het niet laten om mijn ongenoegen te laten blijken over de gang van zaken. Bovendien moet dat geschonden vertrouwen hier zich dringend herstellen. Dit was toch allemaal niet de afspraak?

“Ok Willem en Yvo, ik ga misschien toch nog een beetje hulp aan jullie moeten vragen (indien mogelijk).

De plastische dokter die deze ochtend langs kwam (dus niet Dhooghe maar de dokter van wacht of zoiets) begon me net als hem te pushen om misschien morgen al te vertrekken (Waar er dus op de eerste meeting was gezegd dat ik minimum 2 weken ging moeten blijven. Remember? Qua setting expectations is dat toch niet zo’ne vette, niet?).

Heb hem gezegd dat dat volgens mij totaal onmogelijk was en dat dat volgens mij ten vroegste op maandag zou kunnen en dan nog…

Waarop hij besloot ok maandag dan (en terloops mij meldde dat er niet genoeg bedden waren (wat ik dus al langer vermoedde dat dit het echte probleem was)).

Zelf kan ik mij echter totaal niet voorstellen hoe ik me ga voelen maandag en ben dus niet zeker of dit wel allemaal gaat gaan – daarom even mijn status op dit moment meegeven:

– ben nog altijd heel slap (na het middagmaal crash ik letterlijk, een intens gesprek van langer dan 10 minuten kan ik voorlopig niet aan (ik kan trouwens ‘ook’ nog altijd niet TV of Netflix kijken – na 10 minuten moet ik wegkijken omdat ik het letterlijk niet aankan (trouwens die betonnen gespikkelde vloer hier is bijzonder interessant – een gigantische rorschachtest is het))

– heb nog altijd veel pijn (ik zit nu op om de 4 uur een paracetemol (ik heb al geprobeerd dit te rekken tot 6 uur maar daar krijg ik al gauw spijt van (het tactiele vuurwerk begint in mijn aangezicht dan) en een doplidax of zoiets een half uur voor het slapen gaan – plus sinds gisteren (god zij dank) een slaappilletje)

– heb sinds dinsdag tot nu toe geen enkele dag meer dan 500 stappen gezet (hoop dit ‘record’ vandaag wel te breken nu dat de redon weg is – een eerste stapke op de gang doen is mijn bedoeling) en als ik twee minuten rond stap mag ik terug gaan zitten vanwege de plotse hevige slapheid alweer

– deze nacht is er nog redelijk wat bloed uit mijn neus gedruppeld – als ik zo naar huis ga, krijgt Tin een crisis want ze gaat elke dag de lakens mogen wassen (dit lijkt misschien bijzaak maar voor alle twijfelaars: we leven niet in een patriarchale maatschappij!)

– een douche pakken (alhoewel die plastische dokter deze ochtend dit als een fait divers voorstelde alsof het niets was) geen idee of ik het kan doen, wat er nat mag worden wat niet – enzovoort (bon dit zal hopelijk tegen maandag wel opgelost zijn – anders ga ik toch te hard beginnen stinken)

– de staat van mijn gezicht blijft heel opgezwollen en heel zichtbaar qua littekens en scheef staande neus (de plastische dokter vindt natuurlijk dat dat allemaal goed meevalt – en die scheve neus kan ik eventueel later laten opereren heeft de assistent daarjuist gezegd) maar het is dus NIET zo dat ik nu al met opgeheven hoofd mensen tegemoet treed (eerder neergebogen en schuchter wegkijkend)

– mijn zicht is nog steeds heel troebel – mijn rechteroog doet wat het kan maar dat fantoomlinkeroog blijft stoorzender spelen precies – bovendien probeer maar eens op een convenabele manier een bril te dragen met verband op je gezicht en een hoofd waar je niet aan mag komen wegens te gevoelig en schadelijk voor het genezingsproces

-… (hier staat wat ik nog allemaal vergeten ben)

Kortom, als de topic ergens opduikt, kunnen jullie dan misschien duidelijk maken dat ikzelf hier geen dag langer wil zitten dan nodig is (je weet hoe graag ik lekker eet (need I say more?)), maar ook geen zin heb om me slecht en op mijn ongemak voelend in een auto te gaan zitten waar ik amper uit geraak (fysiek en mentaal), om dan in een huis te gaan zitten waar ik amper de trappen op geraak en iedereen alleen maar tot last ben?

En als ik tegen maandag voel dat het gaat lukken zal ik de eerste zijn om aan Tin te vragen om mij te komen halen… Beloofd.

Maar dus zelf denk ik dat dinsdag vertrekken al heel ambitieus en mogelijks (net, juist, nipt) haalbaar is. 

Op dit moment lijkt mij alles voordien waanzin.

Trouwens en om mijn verhaal helemaal af te maken – pas morgen om 17 uur zijn de zogezegd 5 kritische Dopplerdagen (5X24uur) afgelopen – willen ze mij naar huis sturen zelfs voor dat deze kritische periode gedaan is? Allez, allez, dat is toch niet meer serieus?

Groetjes,

Patrick”

Om negen uur ’s avonds nog stuurt Willem een kort antwoord terug: “Dag Patrick, geen zorgen, je kan zo lang als nodig in UZ blijven – Willem”. De tranen schieten in mijn ogen, of toch in het ene oog dat mij nog resteert, bij het lezen van het bevrijdend bericht. Toch iemand die beseft dat dat hier niet allemaal om te lachen is.