25 januari 2019 later op de dag – L’enfant gâté

Ik word verwend vandaag. Rond een uur of vijf, enkele uren na Willem, is het Yvo die mijn kamer binnenvalt. Hij vraagt hoe het met me gaat. Ik antwoord: “Zo zo” en kwakkel met mijn hand in de lucht van links naar rechts en terug. Ik zeg hem dat hij Willem gemist heeft en laat het niet na om het goede nieuws van de R0 resection margin aan te kondigen. Ik vertel hem ook ineens van het slaappilletje waar ik voor komende nacht alle heil van verwacht. Gedragen door zijn hartverwarmend empathisch vermogen bekent hij direct dat hij dat ook wel al ooit gebruikt heeft. Hij deelt mee dat er eigenlijk twee types van bestaan: er zijn slaappilletjes waar je van in slaap valt, maar die je voor de rest gewoon met rust laten, en er zijn slaappilletjes die ervoor zorgen dat je gedurende langere tijd in een diepere slaap terecht komt. Niet dat je daarom echter ook beter slaapt, weet hij me te vertellen. In mijn geval denkt Yvo bovendien dat het eerste type het beste zou zijn. Hij vermoedt dat het in slaap vallen het grootste probleem vormt. Dat mijn lichaam moe genoeg is om, éénmaal vertrokken, een langere slaap te bestendigen. Dat laatste kan ik alleen maar bevestigen. Mijn lichaam voelt aan alsof het door een droogpers gehaald is. Het ligt uitgespreid, zo plat als een vijg op het bed en zelfs een beetje wind doet het rimpelen. Zo weinig weerstand biedt het nog.

Op één of andere manier beginnen we te praten over het gebouw waarin ik me bevind. Ik weet niet of er een link is met onze bergwandelingen maar de naam van dit stuk van het gebouw luidt volgens mij niet voor niets K2. Samen met de vleugels K1 en K3 blijkt het een gebouw van Henry Van de Velde te zijn, één van de belangrijkste Belgische architecten ooit, gekend als ‘de apostel van het functionalisme’. Dit omdat hij, in tijden van sierlijke Art Nouveau panelen vol krullen en gratieuze traphallen à la Horta, alsof de architecten van die tijd in een permanente high vertoefden na het roken van wat marihuana, of allemaal geloofden in feeën, trollen en de mystieke suprematie van moeder natuur, voor het strakke en simpele ging, een beetje zoals dat Secessionsgebouw in Wenen; alhoewel zelfs dat nog als barok omschreven kan worden vergeleken met zijn gebouwen. 

Strak is in ieder geval het juiste woord voor dit gebouw: op elke verdieping is er die ene lange gang die rechttoe rechtaan de drie stukken van het langgerekte gebouw, K1, K2 en K3, met elkaar verbindt en doorsnijdt, met ziekenkamers links en rechts van de gang. De boekentoren van Gent is een ander gekend voorbeeld van zijn strakke architectuur. Ook een gebouw volledig van beton, met alleen vanboven een indrukwekkende glaspartij om de boekenwormen beneden van het broodnodige zonlicht te voorzien. Maar dit gebouw is zo eenvoudig opgevat dat ik het zelfs niet door had in een gebouw van een beroemd architect te zijn. Het is dan ook pas achteraf dat ik de trappen van de gebouwen nog zal leren kennen. Wanneer ik terug zal komen voor de nabehandeling. Dat is bijna de enigste plaats waar dat Van de Velde nog iets van de sierlijke lijnen van de klassieke Art Nouveau duldde; een trapleuning die mooi de hoeken van de hal volgt bijvoorbeeld. 

Yvo weet me te zeggen dat het in een veel betere staat is dan het eigenlijke hoofdgebouw op de campus: de K12. Alhoewel dat dit laatste pas in de jaren 70 is neergezet geweest en het Van de Velde gebouw al dateert van voor en na de tweede wereldoorlog. En tijdens de tweede wereldoorlog werden de werken zelfs stilgelegd bij gebrek aan financiële en andere middelen, weet Yvo me te zeggen. Hetzelfde betonrot dat de tunnels van Brussel teistert heeft blijkbaar ook hier in de K12 toegeslagen. In Brussel doet de mythe de ronde dat dossiers uit oude archieven mee in het beton verwerkt geweest zijn. Misschien dat ze hier wat boeken uit de boekentoren in het hoofdgebouw gestoken hebben? Vlaamsnationalisten steken de schuld voor al het betonrot in de tunnels op het falend beleid van Stad Brussel. In Gent kunnen ze het steken op de vrijzinnigen. Want het is niet omdat die vrijmetselaars een passer en een winkelhaak in hun logo hebben gestoken, dat ze d’r iets van kennen, of wel soms? Terwijl het gewoon het veralgemeende gebruik van inferieur en goedkoper materiaal tijdens de economische boom na de oorlog is dat tot zulke immense verschillen tussen gebouwen uit verschillende tijdsperiodes heeft geleid. We mogen eigenlijk al blij zijn dat er geen asbest in steekt. Hoop ik.

Op het einde vraagt Yvo nog met één van zijn warme grijnzen of ik geen zin heb in een verlate Nieuwjaarsdrink. Als ik een beetje flauw teruglach, verklaart hij dat hij sinds kort mee verantwoordelijk is voor de camaraderie op de werkvloer van het UZ Gent en in dat kader deze avond een cocktailbar in de K12 moet bemannen. Ik zeg hem dat het mij spijt maar dat ik me met redon en al, die zich nog steeds in mijn been bevindt, niet naar de overkant van het UZ Gent zie sukkelen, tunnel of geen tunnel. Hij lacht een beetje diplomatisch terug maar het spijt me echt want Yvo is één van de weinige mensen in dit Vlaanderenland die weet hoe dat je een Frozen Mango Daiquiri moet maken. Als echter blijkt dat er deze avond, om het simpel te houden, enkel Gin-Tonics geschonken gaan worden, wordt de spijt al iets minder groot.

‘S avonds komt Tin nog even langs. Gisteren was ze niet kunnen komen omdat het toen de eerste voorstelling Woord van Ella was. En die kon ze moeilijk missen. Des te meer nu dat ikzelf er sowieso niet ging geraken. Daar kwam nog bij dat met die dubbele verplaatsing eergisteren, de dag na de operatie, de grenzen van het vervoer over de dichtgeslibde Vlaamse wegen al bereikt waren. Vandaag vindt de tweede voorstelling van Ella plaats en dus is ze nu alleen afgekomen. Haar moeder gaat in haar plaats samen met Sam naar deze tweede voorstelling deze avond. Tin zelf gaat na haar bezoek aan mij haar Turkse vriendin Zeynep nog bezoeken in het Gentse. Een mooi voorbeeld van migranten die zich met behoud van hun eigen cultuur wel hebben weten te integreren. Maar dat mag niet meer gezegd worden want we moeten de illusie van het Vlaamse platteland in stand houden voor de identitairen onder ons die ironisch genoeg zelf te zwak in hun eigen schoenen staan om zichzelf te bepalen zonder anderen te kakken te zetten. Ik wens haar veel plezier met Zeynep en wacht verder op het slaappilletje. Rond 9 uur ben ik echter het wachten beu en vraag aan de verpleegster of ik er niet al eentje mag hebben. Gelukkig is het geen strenge en geeft ze me direct het type van pilletje dat Yvo me aangeraden had. Ik neem het in en val een half uurtje later eindelijk in een onrustige, maar toch diepe slaap.

25 januari 2019 ’s namiddags – Willem en de medische probabiliteitsleer

Lamlendig lig ik in de namiddag te wachten op de nacht en vooral het nieuwe Walhalla, het slaappilletje dat straks alles zal oplossen, als Willem onverwachts binnen valt. Het doet deugd om nog eens een bekend gezicht te zien want sinds het bezoek van Tristan en zijn cortège gisterenavond is het hier stil gebleven qua bezoek. Niet dat ik het op dit moment mis; mijn energiepijl staat gewoon zo laag dat ik de rust wel kan waarderen. Maar toch, zo iemand die je kent, doet meer dan enkel hier zijn, hij brengt al de onderlinge ervaringen uit het verleden mee en herinnert je op die manier aan heuglijker tijden, tijden toen alles nog goed ging en je zoals al die andere mensen nog met de illusie van het eeuwig leven op deze aardbol rond liep. Maar hij heeft me ook iets belangrijks te vertellen, zegt Willem vanuit de zetel naast mijn bed. Hij heeft daarstraks even mijn medisch dossier kunnen bekijken en volgens zowel Professor Vermeersch als de patholoog zou op het eerste zicht de operatie gelukt zijn. Als hij mijn vragende blik ziet, omdat ik dit toch al eerder dacht vernomen te hebben, wordt Willem enorm enthousiast en zegt: “Ja maar Patrick, je begrijpt het niet, de tumor zou met een R0 resection margin verwijderd zijn!” “Wat betekent dat juist?” “Dat betekent dat het gezwel volledig clean verwijderd zou zijn Patrick. Dat er geen kankercellen meer gevonden zouden zijn aan de rand van het verwijderde weefsel! Een R-nul noemen ze dat.” Ik voel dat ik nog altijd niet mee kan in het enthousiasme van Willem. Hij voelt het ook denk ik, want hij doet er nog vlug een schepje bovenop: “Dat wil zeggen dat, als dit klopt, op zijn minst daar, in je linkeroogkas, Patrick, er zich op dit moment geen kankercellen meer zitten en het gezwel dus, in principe, ook niet meer kan terugkomen!” Ik merk aan zijn gezicht dat hij een beetje verrast is dat ik zijn enthousiasme niet onmiddellijk deel. Van de weeromstuit valt de zijne ook een beetje terug. “Het moet nog wel bevestigd worden, Patrick. De patholoog gaat het weefsel in het labo nog verder grondig onderzoeken, maar als dit dus bevestigd wordt, is dat dus wel heel goed nieuws, hoor,” sluit hij zijn positivistisch betoog zachtjes af. “Ja, dat klinkt echt wel goed, Willem, bedankt” breng ik zwakjes uit om hem toch maar te bedanken voor het goede nieuws. Nu is het de beurt aan Willem om mij met een vragende blik te bekijken. Met een kreun reageer ik: “Sorry Willem, en ik weet dat ik in herhaling val, maar ik heb gewoon geen zin om dood te gaan aan deze kanker. Ik was daar zo vroeg bij. Toen ik het ontdekte dankzij mijn zwembrilletje, was dat gezwel nog piepklein. Je kon het zelfs niet zien met het blote oog. En je voelde er niets van. Alleen dankzij mijn zwembrilletje, dat er op drukte, merkte ik dat er iets zat. En nu, na alles wat er gebeurd is, en vooral misgelopen is,… Hoe groot zou de kans zijn dat die kanker terug komt? Met of zonder een R0-marge?” “Ja, dat kan natuurlijk altijd Patrick. Maar zo’n operatie met een R0-marge is toch een eerste stap naar een mogelijk herstel. Zo moet je het bekijken, “ probeert Willem mij een beetje op te peppen. “Ja, maar ik ben ondertussen wel mijn linkeroog kwijt,” reageer ik verbolgen op zijn goede bedoelingen. “En dat was bij een oogarts dat ik gegaan ben, Willem! Een echte, gediplomeerde oftalmoloog! Bij een professor zelfs! Een professor van de Katholieke Universiteit van Leuven nota bene! Moeten die net niet alles doen om dat ene orgaan, dat verbazingwekkend complex en toch dag in dag uit een ogenschijnlijk simpel dienstbetoon bewijzende oog, die spiegel van de onsterfelijke ziel, te beschermen tegen elke prijs?” “Ja, ik moet zeggen, wat daar allemaal gebeurd is, begrijp ik ook niet zo goed,” antwoordt Willem. “Dat ik het risico loop om vroegtijdig te sterven door de onkunde van één mens en een gerenommeerd medisch instituut dat in al zijn arrogantie zoiets niet alleen mogelijk maakt, maar zelfs bestendigt door aan zo’n zelfingenomen mensen het statuut van een oppermachtige god te geven, kan er bij mij niet in. Dat ik er een oog door verloren heb, vind ik al onvoorstelbaar. Laat staan de kans te lopen om aan een gruwelijke ziekte te overlijden. Twintig jaar vroeger dan eigenlijk nodig was geweest. Kun je je dat voorstellen?” “Niet echt, neen. Maar je hebt gelijk dat dit niet gelopen is zoals het had moeten lopen.” Na een korte stilte lanceert Willem echter een nieuwe aanval: “En aan jouw rechteroog, voel je daar echt niets aan, Patrick?” Ik kijk hem verschrikt aan en voel me al met mijn rechterhand tasten naast mijn oog: “Neen, natuurlijk niet. Anders zou ik dat toch gezegd hebben?” “Dat weet ik wel. Het is alleen vreemd dat het ook zo lokaal zit en op zo’n vreemde plaats.” Die medische fascinatie vat ik ook niet helemaal, voel ik. Het is eerder de neiging om krijsend weg te lopen die nog steeds bij mij de overhand haalt. “Vreemd of niet vreemd, ik wil gewoon niet dood gaan aan deze kanker. Dat zou gewoon schandalig zijn als je ziet hoe vroeg ik er bij was. Nu niet en ook niet binnen 4 jaar.” “Maar Patrick toch!,” roept Willem met een laatste opstoot van enthousiasme triomferend uit, “weet je hoe klein de kans wel is dat die kanker nog terug komt na 4 jaar? Die kans is zo goed als onbestaande! Zo klein is die kans!” “Ja, maar Willem, dat was maar bedoeld als voorbeeld, hoor. Ik wil ook niet dood gaan aan deze kanker binnen 2 jaar, begrijp je?” Deze keer doet Willem er het zwijgen toe. Alleen al op basis van zijn reactie is het duidelijk dat de kans hierop al een pak groter is dan na 4 jaar. We kunnen alleen maar blijven hopen op het beste vanaf nu. Nadat die goede, oude Willem mij terug verlaten heeft, blijven er echter vier woorden door mijn hoofd warrelen: ‘R0 resection margin’. En naarmate dat de dag vordert klinken ze luider en luider. Vooral die nul wint aanzienlijk aan kracht.

25 januari 2019 voormiddag – Ik val van mijn bed

We zijn ondertussen al vrijdag. Drie dagen geleden is mijn linkeroog samen met een motherfucking kankergezwel verwijderd uit mijn hoofd. Dat het al drie dagen geleden is, blijkt onder andere uit de toegenomen pijn of gevoeligheden in en aan mijn hoofd. Gevoeligheden is misschien een beter woord want enerzijds zijn er de pijnscheutjes, die doorgesneden zenuwtakjes waarvan sinds gisteren sprake, die zich doen gevoelen; op dit moment vooral, heel raar, onder mijn neus en, God weet waarom, aan de rechterkant, de andere kant, van mijn bovenlip. Anderzijds zijn er gevoeligheden die zich nog het best als ‘ongevoeligheid’ laten vertalen. Zo is er een hele vreemde sensatie aan de linkerkant van mijn hoofd, vanaf vlak boven mijn linkeroogkas, recht omhoog, tot aan de achterkant van mijn schedel links, waar ik totaal geen gevoel meer heb. Als ik daar met mijn linkerhand aankom, voel ik wel nog de tast van mijn hand, maar niet meer mijn hoofdhuid die te kennen geeft tot hier en niet verder. Wat mijn hoofd betreft, is het een ronde bal die ik aanraak. Als ik wil, draai ik gewoon mijn hoofd los en kan ik beginnen basketballen. 

In de loop van de voormiddag valt Dokter Dhooghe binnen. Hij is duidelijk ingelicht, ofwel door zijn assistent, ofwel door Yvo of Willem, want hij valt direct met de deur in huis. Die zenuwpijnen zijn volledig normaal zegt hij. “Maar jammer genoeg, bestaat er geen specifieke medicatie voor,” vult hij aan, net zoals Willem al had aangegeven. “Als het echt te veel wordt voor u, mijnheer Hoskens, kunnen we u wel een anti-depressivum voorschrijven. Dat is op zich niet ontwikkeld als een pijnbestrijder van zenuwpijn. Zoals de naam het zelf zegt, gaat het om geneesmiddelen die erop gericht zijn een depressie te milderen, uit te vlakken. Maar men heeft over de jaren heen ontdekt dat het ook helpt tegen neurasthenische pijnen, zoals in uw geval. Jammer genoeg hebben die echter ook wel wat negatieve bijwerkingen, zoals slapeloosheid, gewichtstoename, mogelijks ook libidoverlies, en stemmingsstoornissen.” Slapeloosheid doet me na de afgelopen nachten al wat rillen, maar vooral het woordje ‘libidoverlies’ doet bij een macho zoals mij alarmbelletjes afgaan. Maar dokter Dhooghe gaat nog wat door: “Bovendien begint het pas te werken na een aantal weken. Het kan zijn dat u het zes weken moet innemen alvorens u ook maar enig resultaat merkt. Dus mogelijks gaat het pas beginnen werken tegen dat het al niet meer nodig is. Daarom hopen we dat u de pijn zo verder kunt verdragen en dat het na een tijdje vanzelf weg gaat gaan. Dat zou het beste zijn.” Ik begin te begrijpen waarom Willem al hoopvol stelde dat ‘het wel zal beteren met de tijd.’ En libidoverlies is het laatste dat ik ook nog wil mee maken, dus ik beslis sowieso te gaan voor de optie met de knalrode Sportiva’s.

Ondertussen zet Dokter Dhooghe zijn betoog voort: “Verder, mijnheer Hoskens, moet ik zeggen dat u er super uitziet. Uw herstel verloopt voorspoedig. De flap houdt goed stand en we zien geen enkele vorm van infectie opduiken. En de redon kan wat mij betreft ook deze namiddag al verwijderd worden. Er is geen echte toename van pus meer te zien. Dit alles samen, mijnheer Hoskens, betekent dat u wat ons betreft morgen of overmorgen naar huis kunt gaan.”

Als je van een bed zou kunnen vallen zoals je van een stoel kan vallen, dan zou ik nu gevallen zijn. Ik kan mijn oren niet geloven. “Maar u hebt gezegd dat ik zo’n twee weken hier ging moeten blijven?,” reageer ik ongelovig. “Ja, maar alles evolueert zo goed, mijnheer Hoskens.” “Dat kan misschien wel zijn, maar ik voel me helemaal niet zo goed. Als ik deze ochtend niet op rituele wijze gewassen geweest was door die ene verpleegster, zou u mij hier meer dood dan levend aangetroffen hebben.” Dokter Dhooghe moet lachen bij het horen van de woorden ‘op rituele wijze’. Of is het die dramatische ‘meer dood dan levend’ die op zijn lachspieren werkt? “Dat betwijfel ik, mijnheer Hoskens. U ziet er patent uit.” “Sorry, maar ik ben een wrak, Dokter Dhooghe. Sinds de operatie heb ik nog geen enkele keer fatsoenlijk kunnen slapen. Bovendien had u mij ook verteld dat men minstens 5 dagen systematisch die flap in mijn oog ging moeten checken met een Doppler? Met zo’n klein toestelletje checken of mijn hartslag wel goed doordringt tot in het vleeslapje? Dat de doorbloeding dus in orde is en blijft? Als we er vanuit gaan dat ze pas tegen een uur of vijf gedaan was, heeft de operatie nog geen 3 dagen geleden plaats gevonden. Dus tot minstens al overmorgen ’s avonds moet die regelmatige Dopplercheck nog gebeuren als ik goed kan tellen. En nu zegt u dat ik misschien morgen al naar huis kan? Dat is toch allemaal niet consequent?” Dokter Dhooghe voelt zich echter helemaal niet aangesproken en gaat onverstoorbaar verder op de ingeslagen weg: “Ook voor het slapen zou het beter zijn dat u thuis zou verblijven, mijnheer Hoskens. U bent daar in uw vertrouwde thuisomgeving. U gaat daar veel beter slapen. En zoals gezegd, de flap ziet er bijzonder goed uit. Ik zou me dus niet al te veel zorgen meer maken over mogelijke infecties of afstotingsverschijnselen.” Ik wil antwoorden dat ‘niet al te veel meer’ een eufemisme is dat mijn huidige binaire gemoedstoestand niet kan assimileren, maar ik ben te verbijsterd om verder te protesteren. Ik voel alleen hoe mijn lichaam virtueel terug op het bed kruipt en zich ingraaft in de loopgrachten. ‘Wat denken die eigenlijk, zeg? Dat ik zomaar bij het vuilnis kan neergezet worden? Dat ze maar eens proberen mij hier buiten te krijgen!’, zijn de rooksignalen die het geeft.

Pas wanneer Dokter Dhooghe terug vertrokken is, dringt het tot me door dat ik op eigen kracht zelfs nog niet uit dit bed ben geraakt. Hoe gaan ze mij dan in hemelsnaam in een auto krijgen, vraag ik me af? Misschien met de rolstoel tot aan de auto rijden en dan erin steken met de hulp van een body builder vermomd als verpleger? Of zouden er hier in de gangen soms nog meer van die bizarre figuren met een gemiste roeping rondlopen? Zoals die wasnon? Zou er hier ook nog een in het wit geklede, mislukte buitenwipper in de gangen rond dolen? Hoe dan ook, dat ik al voldoende hersteld zou zijn om morgen of overmorgen al naar huis te gaan, lijkt mij volledig van de pot gerukt. Misschien moet ik daar dan ook de reden voor mijn mogelijks vroegtijdig vertrek niet zoeken. Misschien is dit wel eerder gewoon het beruchte tekort aan ziekenhuisbedden waar in de media zoveel over gesproken wordt zonder dat er, zoals zo vaak tegenwoordig, iets aan gedaan wordt? Is het misschien zo dat men tegenwoordig standaard mensen al buiten zet of terug naar huis stuurt nog voordat ze goed en wel te been zijn? Nog voordat ze goed en wel terug mens zijn? Is dit soms weer één van die concrete gevolgen van dat kortzichtige Management by Excel? Rechtstreeks gecopieerd van die gehypete privéfirma’s door onze enkel op bezuinigingen ingestelde politieke bewindvoerders? Zo’n beetje als dat homeworking dat de afgelopen jaren zo populair is geworden in al die privé-bedrijven? De idee zijnde: als alle werknemers minstens één dag in de week thuis werken, hebben we 20% minder bureaus nodig in ons bedrijf, hetgeen in een ideale wereld, een lineaire kostenbesparing qua infrastructuur van 20% oplevert. Vertaald naar een ziekenhuis, wordt dit fantastisch verhaal zelfs nog beter, want daar gaat het niet zozeer om een kostenbesparing maar zelfs om een groei qua productiviteit van 20% procent; want ja, die bedden in een ziekenhuis brengen natuurlijk wel direct geld op aangezien de klanten van het ziekenhuis de bedbewoners zelf zijn. Van zo’n productiviteitsgroei van 20% kunnen ze zelfs in die privé-sector alleen maar dromen.

Het probleem is alleen zoals steeds dat we niet in een ideale wereld leven, en dat geldt zelfs voor die economische modellen, laat staan voor die ziekenhuizen die hun bestaansreden zelf halen uit het niet-perfect zijn van deze wereld. Ziek-zijn en perfectie gaan nu eenmaal niet goed samen. Vraag het maar aan die sociale media. De enige zieke mensen die daar getoond worden, zijn de vechters, de moedigen, zij die zelfs de gruwelijkste dingen aankunnen; met foto’s zonder benen, maar wel met blinkende witte tanden liefst. Een zieke die het niet meer ziet zitten, zul je daar niet tegen komen. Die moet beroep doen op empathie en laat net dat een zeldzaam goed geworden zijn in deze tijden van allemaal Zonnekoningen of ‘zie mij schijnen’. En dan hebben we het nog niet gehad over dat andere favoriete thema van de gestrengen onder ons, zij die graag hun wijsvingertje opsteken in deze ver van perfecte wereld: de beperkte financiële middelen. Als we daarover beginnen, mogen die patiënten al blij zijn dat ze geopereerd worden. Voor hetzelfde geld zouden we gewoon per casus een korte kosten-baten-analyse kunnen uitvoeren en des te ouder, of des te afgeleefder, des te waarschijnlijker dat we de kosten er niet meer uithalen, of wel soms, mijn beste medeburgers? En in derdewereldlanden, waar ze zelfs niet over zulke uitgebreide voorzieningen beschikken, kun je het al helemaal schudden. Dus moeten ze niet te veel zagen over vroegtijdig naar huis gestuurd te worden, de gelukkigen.

25 januari 2019 ’s ochtends na de metten – Eén daad, drie werken van barmhartigheid

Ik ben dood. Letterlijk aan het eind van mijn Latijn. Zelfs spreken lukt me nog maar amper. Zo slap als een vod lig ik in het bed van het ziekenhuis. Het eerste wat ik gedaan heb, toen ik wakker werd om 7 uur, was een mailtje sturen naar Yvo en Willem. Om te vertellen over die pijntjes in mijn gezicht. Om te vragen of Dokter Dhooghe even langs kon komen. En vooral om te laten merken dat ik toch een beetje ongerust was; schrik had dat het opnieuw kanker was. Iets later was er al de assistent van Dokter Dhooghe, bezig aan zijn dagelijkse ronde, die me vertelde dat zo’n symptomen perfect mogelijk waren na zo’n operatie. En rond 9 uur bevestigde Willem ook al via mail dat de pijntjes volledig normaal waren. Hij wist me te vertellen “dat er een aantal zenuwtakjes doorgesneden waren en dat dat een tijd schietende pijn kon geven”. Hij voegde er wel aan toe dat er niet echt geschikte pijnmedicatie voor bestond, maar dat het “met de tijd wel zal beteren”. OK, dat het dan toch geen kanker meer was, was op zich al heel geruststellend. Maar dat het ‘met de tijd wel zou beteren’ klonk niet noodzakelijk even bemoedigend, komende van een man die niet zo lang geleden spiksplinternieuwe bergschoenen kocht, knalrode Sportiva’s, het Italiaanse supermerk, en daar dan ineens, zonder ze in te lopen, gespreid over anderhalve week drie verschillende bergtochten mee ondernam waarbij hij twee vierduizenders moest opgeraken; eerst de Gran Paradiso, gewoon als voorbereiding, als lichte hap, om dan nadien de enige echte Mont Blanc op te wandelen. Met blijnen al vanaf dag 1, nog voor dat er zelfs van een Paradijs of een Witte Berg sprake was, tijdens een eerste, korte inleidende tocht in de, vergeleken met die twee joekels, heuveltjes rond Martigny in de Romandie. Zodat zijn voeten al open lagen tegen dat hij nog maar begon aan enkele van de hoogste bergen van Europa. Om maar te zeggen dat het zelf nogal een harde is, die Willem. Dat of zo zot als een deur, zoals ze bij ons in de Kempen zeggen.

Al deze dingen malen door mijn hoofd als, even na het ontbijt, er plots een verpleegster binnenstapt in mijn kamer die ik nog niet gezien heb. Zonder omwegen verkondigt ze: “Dag Mijnheer Hoskens. Ik kom u wassen.” “Wassen?” “Ja, wassen. Van kop tot teen.” “Hoezo? Hier in bed?,” en ik wijs op de drain die nog in mijn rechterbeen zit. “Ja, natuurlijk. Normaliter doen we dat zo goed als elke dag. Maar om één of andere reden lukt het nu pas om bij u een keer langs te komen.” Ik bekijk haar nog eens goed. Dit is helemaal geen roze engel. Een roze engel mag mij gerust wassen van kop tot teen, en liefst zelfs tot teen. Maar deze verpleegster is nog ouder dan mij en heeft bovendien een heel hoog non-gehalte. Niet a la Crevits, met een nasale haakneus die tot in de verste uithoeken van Vlaanderen op de radio en de TV weerklinkt om haar lijdzaam beleid als verkozen abdis te rechtvaardigen, maar eerder het andere cliché, dat van het schuchtere type, bijna ongezond wit van huid waardoor de lichtroze poppenwangetjes nog meer opvallen, dat slechts met veel moeite tot spreken komt over wat haar echt bezig houdt, en ter compensatie volledig wegvlucht in de taak die voor haar ligt, welke deze ook mag zijn. En vooral ook typerend: daarbij geen enkele tegenspraak duldt over de door haar uit te voeren heilige taak, want niet alleen priesters kennen roepingen. Wat misschien ineens verklaart waarom ze blijkbaar op deze dienst als enigste lichaamwasser door de gangen circuleert: dat is van mij, dat lichaam met die stigmata wassen, van mij en van mij alleen.

Dat ze haar taak bijzonder nauw neemt, blijkt uitvoerig tijdens de uitvoering ervan. Na mij volledig gestript te hebben, protest is zelfs geen optie, neemt ze een voorafgaandelijk verwarmd washandje van haar karretje en haalt het uit de folie waarin het verpakt zit. Zelf ben ik nog maar amper in staat om te bewegen maar het contact met het warme washandje verricht wonderen. Het is alsof ze door elke beweging die ze uitvoert, elk streling met het washandje over mijn armen, mijn borst, mijn benen, enz… de energie in mijn lichaam terug opwekt. En terwijl ikzelf als verlamd op mijn bed lig, voel ik langzaam het leven in mij terugkeren; alsof ze mij terug uit de doden oproept. Hypergeconcentreerd doet ze dit met mijn hele lichaam, stap voor stap, been na been, arm na arm, buik, borst, hoofd, nek, mijn vingers en mijn tenen, al mijn lichaamsdelen komen aan de beurt.

Voor het eerst in mijn leven, ervaar ik letterlijk aan den lijve wat barmhartigheid betekent. Wat één mens voor een ander kan betekenen als hij er maar de nodige aandacht aan schenkt. Hoe één mens dit akelig bestaan met een eenvoudige daad zin kan geven. Ze verricht met deze ene daad maar liefst 3 van de zeven werken van barmhartigheid: 1) ze bezoekt de zieken want als ik op dit moment één ding ben is dat ziek, nog voor dat ik vader, partner, broer, vriend of product manager ben, in die volgorde, 2) ze laaft de dorstigen want het is alsof mijn lichaam door het membraan van de huid heen het warme vocht aanwezig in het washandje gulzig opzuigt en 3) ze kleedt de naakten want ze helpt me na het wassen in een verse pyjama, of zelfs voorafgaand aan dat, kleedt ze me al door het wassen zelf. Want, alhoewel ik hier nu naakt lig, met een handdoekje zedig over mijn geslachtsdelen heen, maakt ze me proper met elke beweging die ze maakt met het washandje en maakt ze op die manier terug een mens van mij. Een mens van vlees en bloed. En terwijl ik het bloed terug door mijn lichaam voel stromen, komt de wetenschap hard binnen dat zelfs vrijzinnigen dat kunnen, barmhartig zijn. Dat is helemaal geen voorrecht of privilege van die Katholieken. Of nog straffer. Ik moet eerst de hel op aarde meemaken veroorzaakt door die pompeuze Katholieken in hun belachelijk uit de kluiten gewassen ziekenhuis waar kwaliteitszorg duidelijk geen prioriteit meer is, de boel draaiende houden is waarschijnlijk al moeilijk genoeg, om dan hier de barmhartigheid van de vrijzinnigen te kunnen ondergaan. De cirkel is misschien dan toch rond?

Wanneer het washandje na een tiental minuten al wat te veel afgekoeld is naar haar goesting neemt de verpleegster resoluut een tweede ter hand. Ze voelt zelfs nog even of het wel warm genoeg is vooraleer mijn afgekoeld lichaam eraan bloot te stellen. Ondertussen lig ik daar halfdood te wezen en kan ik nauwelijks iets uitbrengen. Het protest dat ik voelde opborrelen in het begin is al volledig weggeëbd. Verdwenen samen met het vocht dat enkele seconden op mijn huid achterblijft nadat ze haar magische streling heeft uitgevoerd om dan opgenomen te worden door mijn verschraald lichaam. Ze vraagt me nog op mijn zij te gaan liggen en doet ook nog, met dezelfde nietsontziende Duitse grondigheid, mijn rug, kont en achterbenen. Zelfs mijn enkels worden nog apart meegepakt. Helemaal op het einde gaat het zedig handdoekje weg en wordt ook mijn mannelijke trots nog onder handen genomen. Niet dat er nog veel trots mee gemoeid is. Misschien dat de etymologische oorsprong van de uitdrukking ‘zo slap als een vod’ zich daar wel ver tussen mijn benen bevindt.

Tegen dat de waszuster gedaan heeft, ben ik diegene die beschaamd achterblijft. Niet beschaamd omwille van mijn lichaam. Als kanker en operaties al één ding doen blijkbaar, is het een dissociatie creëren met je lichaam; dat verraderlijke lichaam, dat je niet langer kunt vertrouwen, dat door vreemde krachten verteerd wordt, en dat net open gesneden is geweest door derden, die zich dat lichaam daardoor volledig toegeëigend hebben, is al niet meer van jou, waarom zich er dan nog voor schamen? Maar beschaamd omwille van mijn mateloze arrogantie en de leeghoofdige liederlijkheid waarmee ik mijn dagen doorbreng in het zicht van zoveel menslievende vrijgevigheid van één mens voor een ander mens. Kortom, een gevoel van een grote onnozelaar te zijn overheerst tegen het einde volledig mijn herwonnen levenslust.

Om het helemaal compleet te maken, geeft ze mij op het einde ook nog eens de tip van de dag of misschien zelfs de week wanneer ze verneemt dat ik nu al twee nachten bijna niet geslapen heb. “Waarom neemt u geen slaappilletje mijnheer Hoskens?” “Een slaappilletje?” “Ja, dat hoeft niet zo zwaar te zijn hoor. Zo vlak voor het slapen gaan? Voor één keer mag dat wel hoor. En ik denk dat éénmaal wanneer u vertrokken bent, niets u nog zal wakker krijgen. Het is gewoon die eerste stap die u moet kunnen zetten.” Ze zegt het alsof het niets is. De meest vanzelfsprekende zaak ter wereld: een slaappilletje. Dat ik daar niet aan gedacht heb. Het is weer die Vlaamse aard die zijn lelijke kop opsteekt. Drugs, die mag je nemen zoveel je maar wilt. Dat is iets voor stoere en zelfverzekerde Vlamingen. En als er geen bier is, pakken we wel iets anders. Maar slaappilletjes, dat is iets voor losers. Voor mensen die het moeilijk hebben en ‘met zichzelf genen blijf weten.’ Sukkelaars die depressief zijn. Bovendien moet je volgens diezelfde canon oppassen met slaappilletjes. Zuipt of spuit u desnoods te pletter, maar van die slaappilletjes blijf je beter af. Je kunt daaraan verslaafd geraken.

24 januari 2019 ’s nachts – In dit leven moet je het heft, en soms ook andere dingen, in handen nemen

Ik lig met mijn ogen toe met mijn hoofd op mijn hoofdkussen. Ik lig op mijn rug want het is mijn linkeroog dat ze weggehaald hebben, dus ik kan niet liggen op mijn linkerkant. Nu dat ik eraan denk, ik kan dat oog dus eigenlijk ook niet meer toe doen. En in mijn rechterbeen steekt er een drain in de grote snijwonde die ze daar gemaakt hebben voor die flap in mijn linkeroogkas, dus ik kan ook niet op mijn rechterkant liggen. Blijft over: plat op mijn rug. Niet eenvoudig om in slaap te vallen in zo een opgelegde houding en geen mogelijkheid tot woelen of zelfs maar omdraaien. Maar na afgelopen afschuwelijke nacht met de geest van Harry Angel die totaal onverwachts op bezoek kwam, hoop ik eindelijk nog eens goed te kunnen slapen. 

Het lukt echter weer niet. En deze keer is het niet meer mijn hart dat op hol slaat. Deze keer is het gewoon pijn. Vreemde pijn wel, zenuwpijn. Pijn die ik de laatste weken voor de operatie heb ik leren kennen. Toen was het het kankergezwel dat drukte op zenuwbanen in mijn oogholte en sinus of voorhoofd, zo werd er mij gezegd. Nu is het… wat? Want het gezwel is weg. Of toch niet? Het begint met een zeurderig gevoel ter hoogte van mijn neus. Dan worden het elektrische storingen die zich onderhuids voortplanten. En langzaam beginnen de elektrische schokjes zich te verspreiden. Tegen dat het 3 uur ‘s nachts is, is het alsof mijn linkeroogkas of alles wat daarin zit of daarrond hangt voortdurend kortsluitingen genereert. 

Van slapen komt dus weer niet veel in huis. En zelfs niet zozeer door de pijn want zo pijnlijk is het nu ook weer niet. Maar vooral door de vragen die de pijn oproept: is het gezwel wel echt weg? Heb ik soms nog steeds kanker? Ondanks de opoffering van mijn oog en de operatie? Misschien was het dan toch allemaal een maat voor niets en waren we de facto te laat. Heeft Hartenkoningin na haar ridicule handoplegging mijn doodvonnis getekend en afgekondigd met passend klaroengeschal; nu al een maand of acht geleden op 1 juni 2018; vanachter haar bureautje, vanop haar troon, boven op Gasthuisberg. Mijn kinderen zien studeren, laat staan afstuderen, gaat niet meer lukken. Mijn kleinkinderen ga ik ook nooit leren kennen. Het zijn deze misselijkmakende gedachten die door mijn hoofd spoken en mij het slapen onmogelijk maken.

Misschien wordt de pijn veroorzaakt door de baxter die ze vandaag weggehaald hebben en moet ik dringend nieuwe pijnstillers krijgen? Ik beslis dan ook te wachten op de nachtverpleging die elk moment terug langs moet komen om dat vleselijk ooglapje te checken. En misschien is het wel terug de engel met het roze debardeurke, stel je voor. Tot overmaat van ramp, tegen half vier, alsof mijn bioritme daarop ingesteld is, krijg ik opnieuw een enorme buikkramp. De ganse dag heb ik er geen last van gehad. Terwijl ik nochtans de ganse dag geduldig aan het wachten was. Die cirkulaire beweging van die verpleegster had haar doel niet gemist. Aangevuld met de statement: “Als dat ook nog terug in gang schiet, is alles terug in orde,” was de boodschap duidelijk overgekomen. En nu, midden in de nacht, terwijl ik al wakker lig van de pijn en vooral al die gedachten die door mijn hoofd spoken en dus weer niet kan slapen terwijl ik fysiek volledig op ben, beslist die spijsvertering ter hoogte van de darmen zijn eindspurt in te zetten terwijl voor zover ik weet die kont nog steeds een doodlopend steegje is.

Ondertussen sijpelen er continue geluiden van op de gang binnen. Vooral het piepende karretje hoor ik voortdurend op en af rijden. Eerst moet ik terugdenken aan Johnny Favorite, op zoek naar een hart om aan de duivel te ontstappen. Maar na een tijdje heb ik door dat de nachtverpleegster gewoon beide vleugels van deze verdieping zit op en af te rijden. Eén nachtverpleegster voor vijftig bedden? Nog een voorbeeld van Excelbesparingen door onze politieke bewindvoerders? Uiteindelijk heeft zo een verpleger of verpleegster, wat het ook mag zijn, toch al die patiënten van 10 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens helemaal voor haar alleen. Dat is 8 uur. Gedeeld door 50 bedden. Dat geeft 9,6 minuten per bed. Is dat niet genoeg soms? Bovendien slapen die patiënten toch wel allemaal of toch de meesten onder hen? Dat kunnen toch niet allemaal van die sukkelaars zijn zoals ik? Met stront in de buik én in de kop? Als zelfs maar de helft goed slaapt, wat ons toch een heel conservatieve inschatting lijkt met al die drugs hier, dan hebben we al 19.2 minuten per bed. Dat is al wat beter. Excelmanagement: het summum van professioneel management aan het begin van de 21ste eeuw. Rechtstreeks overgewaaid uit de privé-sector van die chique managers naar de openbare voor de professionalisering van de dienstverlening. Bijkomend voordeel, ook zowel in de privé als in de openbare sector: ge moet geen keuzes maken. Ge bespaart gewoon op alles en ondertussen kunt ge stoer op uw borst kloppen. Want gij durft dingen te doen die anderen niet durven te doen. Gij zijt gewoon keigoed bezig. En als iemand u tegenspreekt, haalt ge gewoon uw Excelfile boven.

Tegen een uur of vier kan ik het niet langer aan en druk ik op de bel. Met veel lawaai dendert de roze engel even later binnen. Onze kortstondige ontmoeting van afgelopen nacht heeft haar zelfvertrouwen blijkbaar serieus deugd gedaan. Ze is amper binnen of ze roept al uit: “Hoe gaat het met u, mijnheer Hoskens?” Alsof ze door luid te spreken, mij tracht te bezweren. Ik leg haar uit dat ik opnieuw een kramp heb, en ondanks mijn geduldig wachten tijdens de dag nog altijd niet in staat ben geweest om naar het toilet te gaan. Op het einde vraag ik haar om mij, net zoals afgelopen nacht, te helpen er te geraken. Enkele minuten later schuifel ik weer als een oud, versleten manneke richting toilet. In mijn linkerhand heb ik als een wandelstok op wieltjes de standaard vast, deze keer al zonder baxter maar nog wel met redon, terwijl zij mij aan mijn rechterarm ondersteunt. De bemoedigende woordjes laat ze deze keer gelukkig wel achterwege want ik voel de rebellie in mij over mijn miserabele toestand agressief toenemen. 

Als ik eindelijk op het toilet geraak, komt er weer net als afgelopen nacht enkel lucht uit. Marlene Dietrich heeft me ook weer net als afgelopen nacht even alleen gelaten. Ik beslis terplekke om alles zelf in handen te nemen. Ik buig me naar voor terwijl ik op het toilet blijf zitten en me met mijn rechterhand voorzichtig aan de metalen stang op wieltjes vast houd, zodat ik niet van het toilet af kan glijden, en ga op medisch onderzoek uit. Ik tast voorzichtig met mijn linkerhand naar mijn gat. Wanneer ik de locatie van de kringspier nauwkeurig heb vastgelegd, ga ik met de vingers van mijn linkerhand in mijn aars en probeer vast te stellen waar dat het juist blokkeert. Ik hoef niet diep te gaan om te voelen dat er een keiharde bol zit met een doorsnede van enkele centimeters. “Er zit gewoon een steen in mijn kont. Geen wonder dat er niets uitgeraakt,” hoor ik mezelf met een galmende echo luidop zeggen in de badkamer. Ik probeer met mijn vingers rond de steen te geraken om hem vast te pakken. Eenmaal wanneer dit lukt, begin ik eraan te wrikken. Zo ontdek ik dat hij enkel vanonder, aan de onderkant, de kant richting doorgang, de kwalificatie ‘steen’ verdient. Daarboven is hij al iets toegeeflijker, maar nog altijd stevig genoeg om vast te grijpen. Met veel moeite en geduld slaag ik erin om hem na een minuut of vijf uit mijn kont te wrikken. Ik hoor hem met veel lawaai in de pot vallen. Het klinkt bijna als een steen die in een diepe put valt en terloops nog wat afketst van de stenen wand. De opluchting die ik voel is gigantisch. En er volgt nog een echt klein kakje eventjes later. “Kijk mama, zonder handen,” flitst door mijn hoofd.

Als de roze engel terugkomt, moet ik me inhouden om niet met trots op mijn stoelgang in de toiletpot te wijzen. Maar een minuut later ben ik al niet langer een peuter die leert om zindelijk te zijn, maar terug een oude vent van 90 jaar die nog maar moeilijk te been is. En terwijl ze mij terug richting bed helpt, stoot ik per ongeluk met mijn rechterelleboog tegen één van haar ver in het witte uniform verborgen borsten. Ter hoogte van de tepel zo lijkt het. Ik voel in ieder geval iets hards tegen mijn elleboog schuren. De vieze oude vent in mij slaagt erin om zelfs dit, op zo’n diepmenselijk moment van totale afhankelijkheid, erotisch te vinden. Die fabel van de scorpioen en de kikker is dan toch niet zo slecht gevonden. Ik laat me dan ook gewillig naar mijn bed voeren en vraag haar daar gedegouteerd van mezelf – genoeg is genoeg – of ze niets tegen de pijn heeft, stilletjes hopend dat ze met zo’n morphinespuit afkomt zoals in de post-operatieruimte zodat ik zo snel als mogelijk weg geraak van deze plaats. Ze antwoordt: “Ja, ik heb hier nog wel wat liggen. Maar hoeveel pijn hebt u juist, mijnheer Hoskens?” Ik heb schrik dat ze weer met zo’n leugendetectorachtige pijnschaal afkomt en reageer snel: “Toch wel redelijk veel. Ik vraag me af of het misschien is doordat de baxter verwijderd is geworden vandaag in de namiddag, kan dat?” “Ja, dat kan,” antwoordt ze, “hebt u al wat pilletjes gekregen?” “Neen, tot nu toe niet.” “Dan zullen we u eens een goei straf pilletje geven,” reageert ze moederlijk. “Is dat OK voor u, mijnheer Hoskens?” “Ja, goed straf, dat klinkt heel goed. Is dat dan geen spuitje?,” probeer ik nog eens. “Neen, een spuitje is het niet. Maar het is wel een straf pilletje. Wacht ik zal er eens eentje gaan halen.” Een tijdje later komt ze terug en geeft me een pilletje ‘Diclofenac’. Nooit van gehoord van die chemische drug. Ik voel het vooral in mijn maag nogal stevig aankomen; een vlammende pijn die enkele seconden aanhoudt. Aan die zenuwpijn in mijn gezicht doet het precies niet veel. Maar tegen een uur of vijf val ik opnieuw en toch pas in slaap.

24 januari 2019 ‘s avonds – Een zelfmeelijwekkend hoopje

Afspraak is dat, na al het heen en weer gerij van gisteren plus de eerste voorstelling Woord van Ella deze avond, Tin vandaag niet komt. En als ik heel eerlijk ben, afgaande op mijn buitensporige reactie op de drukte gisteren, kan ikzelf ook wel een rustpauze gebruiken. Eerst een beetje aansterken vooraleer ik opnieuw geconfronteerd word met die ongebreidelde energie van die twee monsters, luidt de conclusie. Maar het is ineens wel heel rustig geworden hier in mijn kamer. In het begin kon het mij niet zoveel schelen. Er was genoeg beweging en dingen te doen met die witte brigade die binnen en buiten vloog. Maar naarmate de dag vordert, voel ik me eenzamer en eenzamer worden. En tegen dat het avond wordt, voel ik me gewoon alleen op de wereld.

Zelf had ik gedacht dat mijn zuster, nog eerder dan mijn broer, als één van de eersten hier zou staan, maar voorlopig valt ze nergens te bespeuren. Misschien had ik haar dan toch een mailtje moeten sturen met gedetailleeerde richtingaanwijzingen over hoe je hier kunt geraken, met de auto of met het openbaar vervoer, zoals ze zelf eigenlijk gevraagd had onlangs aan de telefoon. Ik had die bizarre vraag niet serieus genomen want wat was het probleem eigenlijk? Van Dessel naar Gent gaan? Is dat niet hetzelfde als van Dessel naar Turnhout gaan? Alleen een beetje verder? Maar terwijl dat ik, als ex-universitair, en product managerke van mijn voeten, met mijn leasingwagen overal naartoe rijd alsof het niets is, is voor haar, ex-leerlinge snit en naad van het Heilig Graf en ondertussen ook al gepensioneerd, een trip naar het UZ Gent misschien al bijna even ver als voor mij een city trip naar Toulouse of een familieuitstap naar het Zwarte Woud. Of is dit allemaal onzin en willen ze zich gewoon de ellende besparen van die eerste dagen, zijn ze van plan pas dit weekend of volgende week af te komen?

Om het nog erger te maken, blijft de complexiteit van een verplaatsing naar het UZ Gent zelfs niet beperkt tot de fysieke kant van de zaak. Voor ons, afstammelingen van Kempische katholieke boerenzonen en -dochters, is Gasthuisberg het hoogst haalbare wat betreft gezondheidszorg in dit Belgenland. En het is niet omdat die illusie bij mij volledig in scherven op de grond ligt, aan diggelen geslagen door een schabouwelijk beheerd departement, universitair ziekenhuis of geen universitair ziekenhuis, dat dat bij mijn zuster ook het geval zou zijn. Dat UZ Gent, of al dat vrijzinnig gedoe in het Gentse, staat aan de andere kant van het spectrum en is de grote vijand van de familiezuil waarin we allen opgegroeid zijn. Kortom het is voor ons ongekend terrein en behoort tot een andere wereld. Zelf kan ik me vanaf nu alleen maar beklagen grootgebracht geweest te zijn met zo’n grote oogkleppen op, maar ik ben er zeker van dat mijn zuster nog nooit in het UZ Gent geweest is. Net zo min als dat ik ooit gedacht had hier te moeten zijn om professionele hulp te krijgen. Tot een goede maand geleden.

Net wanneer de eenzaamheid dreigt de overhand te nemen, en ik op het punt sta te besluiten dat niemand mij met één oog nog graag heeft, wordt er tot mijn grote blijdschap geklopt op mijn deur. Het is Tim die mij helemaal uit Brussel komt bezoeken. Of beter gezegd: hij moet voor zijn werk ergens in de buurt zijn en probeert de twee activiteiten te combineren; vandaar ook dat Isolde er niet bij is. ‘Voor zijn werk’ is echter wel heel relatief deze keer: hij moet naar een etentje aangeboden door een leverancier van zijn werk. In een chique restaurant. En vooral ook een restaurant dat bekend staat voor zijn goede wijnen. Als wijnliefhebber pur sang en levensgenieter in het algemeen net zoals mij is dat eigenlijk de max: lekker eten vergezeld van de juiste wijnen. Geef die rijstepap met gouden lepels maar aan anderen.

Maar alhoewel ik dus keiblij ben dat hij er is en dankbaar dat er toch iemand mij vandaag nog komt bezoeken, voel ik dat het bezoek mij niet goed afgaat. Daarvoor voel ik me gewoon te slecht. Of ben ik gewoon nog altijd te moe na die zware operatie en twee slapeloze nachten. Ik zie dat hij ook een beetje verschiet van hoe slecht ik er wel aan toe ben. En niet alleen fysiek, zo met één oog minder, maar ook moreel. Want het is niet omdat dat gezwel nu eindelijk uit mijn hoofd weg is, dat het allemaal vanaf nu terug in orde is. Daarvoor heb ik veel te veel kostbare tijd verloren in Gasthuisberg. En ik kan het niet laten om dat tegen Tim te blijven herhalen en herhalen tot in het oneindige.

Hijzelf zit met zijn rug tegen de muur schuin voor mij. En is zoals altijd in piekfijn kostuum. Terwijl hij daar zit en mijn geklaag aanhoort, zie ik hem stijlvol zijn nagels verzorgen en besef ik plots het immense verschil tussen ons beiden ook vanaf nu. Hij, de nog steeds bijzonder succesvolle manager van een bedrijf in die dynamische telecomsector, ondertussen al verantwoordelijk voor een honderdtal mensen. Ik, de product marketing manager die de afgelopen jaren heeft zitten wroeten in die allesbehalve dynamische banksector, in een zelf volledig vastgeroest bedrijf, om toch maar nieuwe, innovatieve diensten van de grond te krijgen. Met als enige afwisseling af en toe knokken met een sociopathische Sales Manager, voor wie mensen vernederen een hobby is. En nu, net op het moment dat er eindelijk, na vier jaar vechten, extern en intern, er klanten gingen zijn die op de nieuwe offers zouden gaan intekenen, val ik uit en mis ik volledig mijn moment de gloire. Daar komt nog eens bij dat als ik ooit uit deze put geraak, als ik al ooit terug aan het werk geraak, dat het al minstens met één oog minder zal zijn en een verminkt gezicht. En wie wilt er nu delicate gesprekken voeren met iemand met een geschilderd kunstoog; wimpers, oogvocht en al inbegrepen? Je kunt zo iemand zelfs niet in de ogen kijken. Mijn ontslag bij Mobistar, waar ik het al zo moeilijk mee heb gehad, was klein bier vergeleken met dit alles. Van deze klap ga ik nooit meer kunnen herstellen, hoezeer ik ook mijn best doe. Ik ga dan ook een groot kruis kunnen maken over mijn verdere loopbaan. 

Ondertussen is Tim zijn nagels al aan het afbijten. Na een uurtje staat hij opgelucht recht. Hij mag de afspraak natuurlijk niet missen, zegt hij. “Natuurlijk niet,” antwoord ik. “Doe dat goed,” zeg ik nog, “en geniet ervan. Wat zou ik graag mee gaan. Die ziekenhuiskost hier is toch niet zo’ne vette, hoor. Misschien dat je mij een flesje wijn kunt nasturen?” Hij moet lachen, belooft me zijn best te doen en wenst me nog een goed herstel. Even later hoor ik Tristan met zijn trotse, zelfverzekerde voetstappen langzaam verdwijnen in de gang. Terwijl ik, Kurnewal, dodelijk getroffen achterblijf. “Het kan verkeren,” zei Bredero al aan het begin van die Gouden Eeuw. En voor één keer had een Hollander gelijk.

24 januari 2019 overdag – De vliegende witte brigade

Het is de tweede dag na mijn operatie en het is alsof de verpleging en het overige medisch personeel dit zien als het signaal om terug in actie te schieten. De bedrijvigheid van op de gang verplaatst zich in tegenstelling tot gisteren integraal naar mijn kamer. Vanaf in de vroege ochtend komen om beurten de verpleegsters binnen met ontbijt, gevolgd door allerlei meetapparatuur en uiteindelijk medicatie. Ze komen in alle kleuren en maten. Er zijn er blonde bij, bruine en zwartharige. Er zijn er kleine, middelgrote en grote. En er zijn er dikke bij en dunne. Tot mijn grote spijt is de gemiddelde leeftijd van de dagploegen wel iets hoger dan die van de witte engel met het roos debardeurke van afgelopen nacht. Ik schat ongeveer 45 jaar gemiddeld; een mooie belcurve dus met enkele jonge dertigers en een aantal wat ruimer uitgevallen vijftigers zoals mij. En ook het divagehalte valt wat tegen, ondanks het feit dat het allemaal verpleegsters zijn die dat ik te zien krijg, nu dat die ene homoseksuele verpleger die mij in het begin zo warm en vooral luidruchtig ontving net nu wat recuperatiedagen lijkt te hebben.

Maar wat ze allen gemeenschappelijk hebben, is hun professionele attitude. Er wordt geluisterd naar mijn vele verzuchtingen en er worden gerichte vragen gesteld. Voor zever is er hier duidelijk geen plaats. Na een tijdje besef ik dat er vooral ook geen tijd voor is want dan pas begrijp ik hoe breed uitgesponnen het verplegend personeel niet is, ruimtelijk en functioneel: ze moeten met een team van vijf, zes man deze ganse vleugel van het gebouw bedienen en ze moeten zo goed als alles doen. Alleen het eten wordt door apart personeel aangedragen, zo wordt geleidelijk aan duidelijk.

“Of ik goed geslapen heb?,” wordt er gevraagd. “Barslecht,” antwoord ik, “of amper toch. Pas tegen een uur of vijf ben ik in slaap gevallen.” En ik vertel over afgelopen nacht, mijn plotse aanval van slapeloosheid, over de geweldige buikkramp en over de knullige poging om tot wat stoelgang te komen. Johnny Favorite en Harry Angel laat ik bewust achterwege. Als je de film niet kent, heb je er toch niets aan. En de jaren ‘80 zijn al net zo lang als puntschoenen geleden. “Dat is normaal, weet u?,” reageert de verpleegster. “Normaal?” “Na een operatie. En zeker na een operatie die zo lang geduurd heeft als bij u.” “In welke zin dan?,” vraag ik benieuwd. “Dat moet allemaal terug in gang schieten, begrijpt u?,” en ze maakt enkele cirkelbewegingen met een slap handje voor haar eigen buik. “Dat u al hebt kunnen pissen, is al een goed teken. Als u nu vandaag of morgen ook nog eens op het groot toilet kunt gaan, weten we dat alles terug heropgestart is.” “Ach zo, dat wist ik niet. Ik bedoel, ik wist niet dat die ganse spijsvertering ook stil lag onder algemene verdoving.” “Toch is het zo,” reageert ze nu met enige zelfbewuste authoriteit, “u zult trouwens merken dat uw eerste stoelgang veel harder zal zijn dan normaal. Het is daarom ook dat het wat meer moeite kost.” “Nogmaals, dat wist ik allemaal niet. Bedankt voor de informatie alvast. Zo weet ik tenminste wat er aan de hand is.”

Soms stellen ze ook bijzonder vreemde vragen. Zo vragen ze mij opnieuw en opnieuw wat mijn naam en geboortedatum is. Alsof ze om de vijf voet willen checken of ik nog wel helder bij hoofd ben. Aangezien ze het systematisch doen, vermoed ik dat het de standaardprocedure is om te checken of alles nog in orde is met de patiënt? Om te voorkomen dat er ergere dingen gebeuren, zoals een onopgemerkte hersenbloeding na een operatie of voorkomen dat de patiënt helemaal begint te raaskallen net wanneer er bezoek is? Of misschien hebben ze op één of andere manier toch gehoord van afgelopen nacht, van Johnny Favorite en de zijnen? En willen ze checken of ik niet nog steeds aan het hallucineren ben? Ik beslis om het snel te testen en antwoord de volgende keer dat ik de kans krijg: “Harry Angel, 25 December 1966,” om te zien hoe ze reageert. Het is duidelijk dat ze er niets van weet. Maar ze kan er ook niet mee lachen en kijkt me streng aan: “Dat is hier wel niet om te lachen hein, mijnheer Hoskens.” “Ja, maar als je mijn naam al weet, waarom vraag je het dan?,” reageer ik op mijn teen getrapt. “Wij moeten dat doen, mijnheer Hoskens. Dat zijn de regels.” “Het is alsof jullie constant zitten te checken of ik nog wel weet wie ik ben.” “Dat is niet de bedoeling, mijnheer Hoskens. Het is net andersom. Het is om te checken of wij wel bij de juiste patiënt zijn.” Mij klinkt op dat moment dat antwoord al even belachelijk in de oren. “Alsof er zoveel patiënten zouden zijn,” flitst er misnoegd door mijn hoofd. Pas nadien, als ik zie aan wat voor een tempo ze mekaar opvolgen en vervangen wanneer nodig, heb ik door dat het misschien toch niet zo onverstandig is, die systematische identiteitscontrole door de vliegende witte brigade.

Wat ze ook op elk scharniermoment van de dag vragen, is mijn pijnscore op een schaal van 1 tot 10. Ik antwoord: “Pijn? Op dit moment? Zo goed als geen. 1 misschien. Of 2 maximum. Die pijnstillers doen hun werk bijzonder goed blijkbaar.” “Ja, in die baxter zitten voorlopig nog wat pijnbestrijdende middelen. Dat werkt goed. Maar straks gaan we de baxter al wel verwijderen. We zullen zien hoe de pijn dan zal evolueren,” krijg ik als reactie. Het woord pijnstillers doet me echter ook denken aan mijn eigen pilletjes en mijn op hol geslagen hart van afgelopen nacht en ik vraag vlug of ik die nog niet moet beginnen nemen. Dat ik die normaliter elke dag neem. Ze antwoorden van wel. Dat ik die gisteren, de dag na de operatie, gemist heb, is niet zo erg zeggen ze, omdat mijn lichaam toch nog wat moest herstellen van de operatie. Maar vanaf de tweede dag wordt het wel tijd om ze terug te beginnen innemen. Dus neem ik vlug terug mijn bloeddruk- en anti-cholesterolpilletjes. 

Iets na de verpleging in de ochtend is het de beurt aan de assistenten van Dokter Dhooghe om langs te komen. Hun bezoeken zijn veel korter en to-the-point. Meestal komen ze per twee. Ze maken blijkbaar wel gebruik van de bovengrondse tube die tussen het hoofdgebouw en dit gebouw loopt. Want ondanks de winterse taferelen buiten, voor het eerst sinds lang ligt er nog eens een dun laagje sneeuw over ons zeeklimaatland, komen ze af in hun open witte doktersoverall gedragen over hun vrijetijdskleren heen. Het vleeslapje wordt telkens gechecked en ook of ik pijn heb, komt steeds aan bod. Daarna volgt het vragenminuutje en mag ik om het even welke medische vraag stellen. Zolang ze maar relevant is. Maar ze luisteren wel met veel empathie en ze antwoorden telkens naar eer en geweten zodat ik echt wel het gevoel krijg hier in goede handen te zijn.

In de loop van de voormiddag, net wanneer ik op vraag van de verpleging op mijn zij lig met mijn rug naar de deur toe terwijl zij de kussens van het bed een beetje aan het opkloppen zijn, valt Professor Vermeersch binnen samen met wat achteraf de oncocoach van het UZ Gent blijkt te zijn. Ik verschiet van de plotse aanwezigheid van de professor, draai me snel om in mijn bed en roep een beetje overdreven uit: “Professor Vermeersch, wat tof om u te zien! Ik wil u ongelooflijk hard bedanken voor alles wat u gedaan hebt! U hebt mijn leven gered!” Hij reageert zichtbaar gegeneerd en kijkt vanonder zijn mooie haarbos verlegen naar de oncocoach terwijl hij met zijn stijlvol, lijzig Morsetimbre zegt: “Ja, ik denk dat de operatie goed verlopen is, maar we gaan nu moeten zien hoe alles verder evolueert, hein mijnheer Hoskens.” Zijn voorzichtigheid doet hem weer alle eer aan. Zelf word ik weer overvallen door die onweerstaanbare drang om hem te knuffelen. Bescheidenheid tot op het einde. Waar vind je dat nog? Held.

Als ik even later alleen met de oncocoach in de kamer achterblijf want ze wilt zich nog even persoonlijk voorstellen, blijkt dat ze het niet zo graag heeft om oncocoach genoemd te worden. Wanneer ik, vertrekkende van mijn recente ervaringen in het AZ Maria Middelares, het woord in alle onschuld laat vallen, zie ik haar bedenkelijk wegkijken om mij daarna snel te corrigeren door te zeggen: “Ja, ik begeleid mensen als u, dat klopt. Maar wij noemen dat niet oncocoach hier, hoor.” “Hoe dan wel?,” vraag ik nog. Maar ze houdt het blijkbaar liever vaag en vindt de titel ‘oncocoach’ iets te simplistisch. Het is inderdaad dan ook niet zo’n eenvoudig om zo’n job onder één noemer te vatten, denk ik. Maar ook zij weet op deze manier al direct mijn aandacht te winnen want mensen die oog hebben voor de complexiteit en de impact van woorden en daarom, hoe moeilijk ook, op zoek gaan naar de juiste woorden, moeten gekoesterd worden in dit tijdperk van verbale diarree.

Wat me vooral weer opvalt in de loop van de dag is de mate waarin verplegend personeel en dokters elkaar en onderling als volledig gelijken behandelen. Hier weer geen stricte hiërarchie zoals in dat arrogante Gasthuisberg waar het organigram gebaseerd is op het katholieke splijtende principe van God versus klein Pierke en dat doorgetrokken tot in de hemel. Zodat iedereen ineens zijn plaats kent op deze wereldlijke aarde met chirurgen die zelfs aartsbisschoppen de loef afsteken als het gaat over de pikorde aan de rechterhand van de Almachtige. Neen, zo plat als een vijg is deze organisatie. Hier is de input van een verpleger even veel waard als die van een dokter. En, gewoon op basis van de enkele interacties waar ik getuige van ben, heb ik de indruk dat als er hier een verpleger neen zegt, het zelfs neen blijft. Of dat er in ieder geval veel meer overtuigingskracht vereist is dan ‘ik ben de baas’ om hun standpunt te doen veranderen. Ik zie het de zo-vol-van-zichzelf-zijnde Hartenkoningin nog niet doen. Ze zou ze nog eerder laten executeren al die vervelende, insubordinerende kaarten. Jammer genoeg geldt die platte organisatie ook wel voor mij. Nadat ik op mijn beurt een kritische vraag stel aan één van de witte professionals die in de loop van de dag binnen vallen, antwoordt ze mij dat ik precies een moeilijke ben. “Ik mag dat toch zeggen?,” vraagt ze onmiddellijk daarna uitdagend met de kin naar voor. Ik grijns en reageer terug: “Gij, gij moogt van mij zeggen wat gij wilt, gij.” Maar zo weet ik ineens wel dat ik braaf moet luisteren en ook wat meer mijn mond moet leren houden.

23 januari 2019 ‘s nachts – Angel Heart in het platte land van Brel

Ik kan niet slapen. Niet dat ik klaar wakker lig. Dat veronderstelt dat je helder van hoofd bent. En dat kan ik moeilijk zeggen. Ik weet zelfs niet meer waar ik ben. Ik weet nog wel in wat ik ben: in een ziekenhuis. En ik weet maar al te goed dat ik geopereerd ben. Hoe zou ik het ook kunnen vergeten? Dat ding dat op mijn gezicht drukt, die dikke compres boven op mijn linkeroog, herinnert mij er constant aan. Maar dat ik in het UZ Gent in België ben en dat ik dus omringd wordt door professionele dienstverleners die het beste met mij voor hebben en die mij zouden helpen als ik het zou willen, dat, dat allemaal, ben ik helemaal vergeten. 

Neen, het ziekenhuis waarin ik lig, is eerder een macaber ziekenhuis. Het is een ziekenhuis waar dat pijn hebben als iets van het leven beschouwd wordt, net zoals eten en drinken dat is. En nu mag dat de facto ook wel zo zijn, maar de illusie dat het niet zo is, moet wel in stand gehouden worden, anders kunnen we allemaal net zo goed nu ineens collectief zelfmoord plegen. En dat is nog maar het ziekenhuis waarin ik verblijf in het begin van de nacht. Tegen een uur of drie wordt het nog erger: dan wordt het een ziekenhuis dat zijn patiënten graag pijn doet. Ik probeer me wanhopig voor te stellen hoe dit gebouw er nu weer van buiten uitziet en waar het juist gelocaliseerd is, waar in dit vlakke Vlaamse land dat ook van mij is, om toch maar iets van normaliteit terug te vinden. Maar het beeld dat me keer op keer, tot mijn eigen gruwel, voor ogen schiet, terwijl de wind en de regen buiten tegen het raam botst, is dat van het hotel met vele verdiepingen in de cultfilm uit de jaren ‘80 ‘Angel Heart’ waar Johnny Favorite druk in de weer is met het hart van een jonge soldaat op weg naar de oorlog uit zijn lichaam te snijden. Om daarna het nog kloppende hart op te eten en op deze manier, met behulp van zwarte magie, de identiteit van die jonge soldaat, Harry Angel, over te nemen en zo aan de duivel te ontsnappen aan wie hij zijn ziel verkocht heeft. Maar deze keer is de helrood verlichte hotelkamer in New York waar dit alles gebeurt, mijn kamer hier.

En ofwel was het al langer daarmee bezig en heeft het zo uit de coulissen van het verleden Johnny Favorite en Harry Angel terug tot leven gewekt, ofwel begint op ongeveer hetzelfde moment mijn eigen hart op hol te slaan. Of regelmatig een slag over te slaan, een van de twee. Ik voel het met zijn asynchroon ritme harder en harder bonzen in mijn borst, tot in mijn oren slaan zelfs. En het begint door mijn hoofd te malen dat ik sinds eergisterenochtend geen bloeddrukpilletje meer genomen heb. Iets wat ik, in navolging van ons moeder zaliger, al een jaar of twintig doe. Misschien dat, gecombineerd met die zware operatie, al twee dagen geen pilletje tegen de bloeddruk nemen, mijn hart gaat doen ontploffen nog voor ze het eruit kunnen halen? Ondertussen hoor ik Harry Angel verder krijsen en gillen door de muren heen.

De verpleging komt, net zoals dokter Dhooghe voorspeld had, om de twee a drie uur checken of alles goed gaat met dat stukje vlees in mijn linkeroogkas. Maar de laatste keer dat ze nu zijn langs gekomen was ergens rond 12 uur. En we zijn nu al bijna 4 uur. Af en toe bereiken er mij geluiden uit de gang, maar ik ben sinds de operatie nog altijd niet uit dit bed geweest. Omdat ik me nog niet sterk genoeg voelde, maar vooral ook omdat er in mijn rechterbeen nog zo’n redondrain steekt langs waar vuil bloed en andere vieze dingen afgevoerd worden uit de grote snede die ze daar hebben moeten aanbrengen toen ze een stuk huid voor mijn linkeroog zochten. Een drain die eindigt op een flesje dat onder aan het bed vasthangt om daar al de smurrie die traag naar beneden sijpelt op te vangen. En om daarmee rond te gaan wandelen zonder te weten hoe dat dat juist in mekaar steekt, neen, dank u. 

Ik ben ook wel niet zeker of ik al kan steunen op datzelfde rechterbeen. Misschien springt die wonde wel terug open bij de minste druk op het been. En om het helemaal compleet te maken is er sinds een half uur een bijkomend, veel concreter probleem: ik moet, ook voor de eerste keer sinds bijna twee dagen, dringend naar het toilet. Pissen is me al gelukt. In zo’n stalen bed urinoir. Maar deze keer voel ik een gigantische kramp in mijn darmen opkomen om ook een keer mijn groot gevoeg te doen. Net wanneer ik het niet meer zie zitten, wanneer ik overweeg om dat stalen bed urinoir onder mijn gat te proppen of gewoon te kakken in mijn bed, hoor ik de deur open gaan. De deuropening zelf kan ik niet zien door de hoek die gevormd wordt door de badkamer links van mij, maar eerst zie ik een karretje om diezelfde hoek verschijnen en daarachter aan, tot mijn grote opluchting, een jonge verpleegster en niet Johnny Favorite. Pas afgestudeerd lijkt ze en een beetje timide. Ik zie, vermoedelijk tegen de koude, een roos debardeurke boven het kolletje van haar wit uniform uitsteken. Ze spreekt ook nog eens in dat zacht Hents, maar ondanks dit alles is ze de daadkracht zelve. Als ik te kennen geef dat ik dringend naar het toilet moet, vraagt ze of ik denk dat ik zelfstandig kan gaan of dat ze een rolstoel moet halen. Wanneer ik antwoord dat ik denk wel zelf te kunnen wandelen, alleen schrik heb dat de redon ergens blijft achter haken en op die manier mijn been terug doet openscheuren, staat ze direct naast mijn bed en begint ze vanalles rond en aan mijn bed los te maken en te verzamelen. Na een tijdje helpt ze me recht. Even later schuifel ik als een oude, gebroken man richting toilet met, als steun, in mijn linkerhand de standaard op wieltjes waar een baxter en ondertussen ook de redon aan hangt te bengelen. Terwijl zij mijn rechterarm geklemd vast houdt en als een zorgzame ouder tegen een klein kind bemoedigende woordjes uitspreekt. Eenmaal op het toilet laat ze mij achter en zegt dat ik op mijn gemak op het toilet kan zitten en gewoon moet bellen als ik klaar ben. Ik zoek haastig en vind inderdaad vlak naast mijn hoofd in de muur van het toilet een rode belknop.

Tot mijn grote verbazing komt er enkel wat lucht uit mijn kont. Maar die vreselijke kramp is daarmee wel weg. Ik blijf nog een tiental minuten op het toilet zitten om te bekomen, maar ook omdat ik er zeker van wil zijn dat er toch niets substantiëler meer uit komt voordat ik terug naar dat bed sukkel. Maar er komt niets uit buiten nog wat extra lucht. Als ik klaar ben, druk ik op de bel. Wanneer de jonge verpleegster terugkomt, verlicht ze de ganse kamer zodat het niet alleen het nachtlampje meer is die de ruimte verlicht. Zo ontdek ik dat ze nog knap is ook nog. Maar het knapst aan haar is die overweldigende “Yes, we can!”-attitude die ze tentoon spreidt. Plichtsbewust helpt ze me weer recht en schuifelen we opnieuw samen richting bed. Ze checkt nog vlug mijn linkeroog. Brengt nog wat ontsmettingsmiddel aan op de draadjes en het omringende vlees en zegt dat alles er goed uit ziet. En terwijl ze dit alles doet, groeit ze meer en meer in haar rol en wordt zo’n pittige, zelfstandige, knappe oostvlaamse die je zo ziet mee doen aan de Gentse Feesten of Oljst Karnaval. Of misschien is zij wel echt een engel? Wanneer ze weg gaat, check ik in ieder geval vlug of er vanachter geen vleugeltjes aan hangen. Ze heeft mij letterlijk, en nog veel meer figuurlijk, recht gehouden die eerste, afschuwelijke nacht in de hotelkamer van Harry Angel. Tegen een uur of vijf val ik eindelijk in slaap.

23 januari 2019 19u30 – De kinderen

Ze vallen samen binnen. Op enkele seconden tijd zit de kamer tjokvol opluchting. Tin is opnieuw enorm blij om mij terug te zien. En dat de kinderen ook hunne pere gezien hebben, blijkt vooral uit het feit dat ze zo druk bezig zijn. Helemaal over hun toeren staan ze in de kamer commentaar te geven op mijn gezicht, mijn haar, het bed, het alarm dat eraan hangt te bengelen, de ramen waarvan de gordijnen nog altijd open zijn terwijl het buiten al pikkedonker is, de vuilgroene kleur van de kamer, enzovoort… Ze weten van geen ophouden.

Zelf kijk ik verwonderd toe. De drukte die ze hier en nu tentoon spreiden is niet hun normale doen. Voor het eerst merk ik dan ook dat zij deze keer ook een beetje getwijfeld hebben. Niet zeker geweest moeten zijn dat hun sterke papa, die alles aan kan, het zou halen. Tot nu toe had ik altijd de indruk dat ze, naïef als ze zijn, er het volste vertrouwen in hadden dat ik dit allemaal zou overwinnen. Vingers in de neus zelfs zou overleven. Maar deze keer moet het dan toch ook voor hen een beetje spannender geweest zijn. En er is duidelijk behoefte aan wat afreageren. 

Enigste probleem: ik ben nog steeds doodop. Die dut van daarstraks, na het bezoek van mijn broer en schoonzuster, heeft precies niet zo heel veel deugd gedaan. Of heeft in ieder geval niet wezenlijk de batterijen heropgeladen. Maar ja, ik denk dat ze dan ook zo goed als leeg waren daarstraks, of eigenlijk al sinds gisteren. Na een tijdje kan ik de drukte niet meer aan en moet ik aan mijn twee oogappels vragen om het wat rustiger aan te doen. Tin treedt me onmiddellijk bij. Haar zevende zintuig deed weer van in het begin alarmpjes afgaan, maar omdat ze ook zag hoeveel deugd het wel niet deed aan de kinderen en aan mij om mekaar terug te zien, liet ze alles even begaan. Nu moet er echter terug een beetje orde komen en als een echte schooljuf roept ze ons losgeslagen nageslacht terug tot de orde.

Als de rust teruggekeerd is, stel ik vast dat al de opwinding van het afgelopen half uur, misschien dan toch niet enkel door de onzekerheid over de afloop van de operatie veroorzaakt is geweest. Ik was even vergeten dat Ella deze namiddag haar laatste algemene repetitie voor Woord had. Blijkbaar is ze meegevallen en ziet ze de twee voorstellingen voor publiek de komende dagen nu helemaal zitten. Maar met al de stress die elke voorstelling en zelfs de algemene repetitie van vandaag met zich mee brengt, moet er nu ook wel wat stoom afgeblazen worden. Sam wilt ondertussen het familieportret, door henzelf gemaakt, terug mee naar huis nemen. Ze vindt het niet goed genoeg en schaamt zich er een beetje voor dat al die mensen hier dat portret gaan zien. Ik protesteer hevig en eis dat het blijft waar het is. Zeg dat ik het keimooi vind en dat tot nu toe iedereen die het gezien heeft het prachtig vond. En dat ik het ook even nodig heb om er hier naar te kunnen kijken. De andere argumenten konden haar duidelijk niets schelen, maar het laatste overtuigt haar. Toch kan ze het niet laten mij met haar puberogen een beetje spottend aan te kijken: die gekke, oude papa.

Wanneer ze vertrokken zijn, is het eerst mijn beurt om opgelucht te zijn. Om onmiddellijk daarna overvallen te worden door spijt. Spijt dat ze weg zijn. Spijt dat ik te moe was en hen niet langer aan kon. Spijt dat ik zo hevig reageerde op de dreigende verwijdering van het portret. Hoe zielig. Als wapen tegen de sterfelijkheid zich vastklampen aan zijn kinderen. Er zou een gevangenisstraf op moeten staan.

23 januari 2019 14 uur – Bloedbanden

Ze weten het zelf niet, maar ze zijn mijn eerste officiële bezoek. Mijn broer en mijn schoonzus samen, naast mekaar, voor mijn neus. Ongelooflijk. We hebben elkaar de afgelopen tien jaar niet gezien, op één keer na. En nu zijn zij, of all people, de eersten om mij te bezoeken. Een mens zou van minder warm van binnen worden. 

Tin, maar dat ben ik en zij is mij, is deze voormiddag al langs gekomen. Ik was pas op mijn kamer aanbeland of ze stond er al, de schat. En vandaag gaat ze dan toch twee keer helemaal op en af moeten rijden van Kortenberg naar Gent. Deze voormiddag hebben de kinderen nog school en Ella heeft in de namiddag nog een algemene repetitie voor een voorstelling van Woord later op de week. Maar als dat ook gedaan is, komen ze allemaal samen terug af.

Ze is gisteren door de hel moeten gaan, heeft Tin gezegd. Pas tegen de avond heeft ze een telefoontje ontvangen van dokter Dhooghe. Tegen dan was ze al in alle staten en vreesde ze het ergste. Maar terwijl zij geschrokken en in tranen reageerde, bleef dokter Dhooghe heel lief en heeft hij haar direct gerust gesteld, en heeft hij haar gezegd dat uiteindelijk alles gelukt was. Maar hij stelde ook wel dat het niet veel zin had om mij gisterenavond nog te bezoeken in de post-op zaal. Dat ze beter wachtte tot vandaag. Dat ze mij toch maar amper ging kunnen zien want op die afdeling is het bezoekuur beperkt van 20 tot 20u30. En dat ikzelf sowieso nog half onder verdoving ging zijn.

En inderdaad, ik ben zelfs nu nog, bijna een dag later, wat gedesoriënteerd, en een beetje mijne kluts kwijt, en ik merk ook dat ik na 10 minuten spreken al pompaf ben, maar dat net mijn broer en mijn schoonzus mij nu al bezoeken, raakt mij zo diep dat het mij allemaal niets kan schelen. Ze mogen blijven zolang als ze zelf willen. Bovendien is het alsof we mekaar gisteren nog gezien hebben. Ze zijn geen haar veranderd. Niet dat ze van mij op dit moment nog hetzelfde kunnen zeggen. Ik ben vanaf nu al minstens één oog veranderd. En dat is wat anders dan een onnozel haar. 

Niet dat ik het zelf besef. Zelf heb ik het gevoel dat ze gewoon een heel dik compres op mijn linkeroog gelegd hebben om het toe te houden. Dat ik, als ik het zou willen, gewoon dat ding eraf zou kunnen halen en mijn oog zo maar zou kunnen openen. Zonder ook maar enig probleem. In mijn beleving is er dus voorlopig niets veranderd buiten dat kwaadaardig gezwel dat nu hopelijk eindelijk weg is. Eindelijk na al die gruwel van dat, het klinkt als een contradictio in terminis maar dat was het jammer genoeg niet in mijn geval, amateuristische Gasthuisberg. Na een gans jaar van hallucinant tijdverlies en verkeerde of ongepaste of onbekwame interventies.

Ondertussen doet het enorm veel deugd om mijn broer en schoonzus terug te zien. Niet alleen zijn ze fysiek nauwelijks veranderd, ook hoe ze onderling spreken en zich verhouden tot elkaar is totaal niet veranderd. Mijn broer is nog steeds de reus van twee meter en meer en minstens 130 kilo die zich op de achtergrond in de hoek tegen het raam zet, een bovenmaatse hond zoals mij maar dan nog met twee hondenogen, die de kat uit de boom kijkt. Mijn schoonzus voert nog steeds, net zoals vroeger, het hoge woord. En af en toe onderbreekt hij haar betoog met leuke weetjes of splijtende opmerkingen. Zo ontdek ik gaandeweg dat mijn broer ook niet gespaard is gebleven van fysieke ongemakken de afgelopen jaren. Ondanks, of misschien net door zijn pensioen. Zo heeft hij een aantal jaar geleden een stent moeten laten plaatsen in een van zijn hartslagaders. Om de bloedtoe- of afvoer van het hart op peil te houden. 

Wat ook uitvoerig ter sprake komt tijdens ons heuglijk weerzien, zijn het aantal kankergevallen in onze naaste omgeving. Ok, er is de factor leeftijd: ik, de Benjamin en het accident van de familie, ben geen twintig en zijn zijn geen dertig meer. Maar we schrikken toch van het aantal gevallen dat we zo kunnen opnoemen. Ook in de naaste omgeving trouwens. De oudste zus van mijn schoonzus bijvoorbeeld. En bij ons in Kortenberg, onze buurvrouw van vlak naast de deur, die al in een vergevorderd stadium zit. En mijn broer blijkt ook regelmatig met de auto een goede vriend van hem naar Gasthuisberg te voeren voor chemobehandelingen. En dat zijn dan nog maar enkele van de gevallen die heel dichtbij zitten.

Wanneer het woord ‘Gasthuisberg’ valt, valt er even een ongemakkelijke stilte. Ze weten beiden wat er met mij daar gebeurd is en delen mijn verontwaardiging over de gang van zaken daar, maar we, en al zeker mijn schoonzus, als ex-verpleegster, beseffen maar al te goed dat daar toch ook wel goede dingen moeten gebeuren. De ongerijmdheid van het ene met het andere valt moeilijk te plaatsen. En dat maakt het onderwerp net zo pijnlijk beseffen ze. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat er zo’n grote fouten kunnen gebeuren in zo’n gereputeerd ziekenhuis? 

En het gaat niet zozeer over dat missen dat zo menselijk is. Het gaat over het gebrek aan controle en streven naar kwaliteit binnen die organisatie net omdat dat missen zo menselijk is. De enige mogelijke rechtvaardiging voor die manier van werken is het geloof in die onbevlekte goddelijkheid van die geneesheer-specialisten, die departementshoofden, een geloof dat regelmatig gedoemd is om te falen als men er eerlijk en transparant over zou zijn. Dat en een je m’en foutisme ingebed in die hypocriete tjsevencultuur stoelend op die onchristelijke wet van de grote getallen. Want als je beaat al zoveel verloren zielen voorthelpt, dan is het toch niet zo erg dat er hier of daar een slachtoffertje rond loopt, of wel soms? Dus hoeveel mensen zouden iets dergelijks als mij mee maken in die veel te grote, volledig ontmenselijkte fabriek van zieke mensen? Hoeveel mensen al voor mij en hoeveel zullen er nog zijn na mij?

Mijn schoonzus vindt het intussen een absolute schande dat er zelfs geen scan is genomen bij het eerste onderzoek door Professor Mombaerts. Haar lijkt dat in een casus als het mijne een absolute minimumvereiste. Wat zit men daar in hemelsnaam in mensen te snijden zonder zeker te weten wat er aan de hand is, zeg? En vooral hemeltergend en dat zeker in zo’n alom geroemd ziekenhuis: aan wat voor een risico’s en mogelijke gevolgen wordt een patiënt niet bloot gesteld als achteraf blijkt dat ze het fout hebben met hun pauselijke handoplegging, zoals in mijn geval? 

De solidariteit die mijn broer en schoonzus hier in deze ziekenhuiskamer mij betuigen doet me al evenveel plezier als het eenvoudige weerzien van die twee oerfiguren uit mijn jeugd. Er is alleen die verdomde vermoeidheid. En dus ben ik verplicht om na een uurtje toch te beginnen te kennen te geven dat ik een beetje uitgeput ben. Dat ik dringend terug een dutje moet doen. Dat ik een lang gesprek echt nog niet aan kan. Vijf minuten later zijn ze weg. Mijn broer en mijn schoonzus. Archetypes uit mijn kindertijd. Zelfs als ik mijn ene, overblijvende rechteroog toe doe, zijn ze er nog.