7 januari 2019 11u30 – Het facial team van UZ Gent

Ik ben hier voor de eerste keer. Tout court de eerste keer. Na acht jaar studies in Leuven, vijftien jaar wonen in diezelfde rijke universiteitsstad en uiteindelijk, na wat omzwervingen, beland pal tussen Brussel en Leuven in, in de achtertuin van het zo geroemde Gasthuisberg, had ik ook nooit gedacht dat ik hier ooit zou moeten zijn voor een aandoening bij mezelf. En toch is het zo: ik ben aangekomen in het UZ Gent. Het zijn wel niet de naamborden die mij overtuigen gearriveerd te zijn. Naamborden zijn zo gemakkelijk na te maken. Bovendien kunnen ze ook nog eens enorm misleidend zijn. Iedereen die een keer in Luik of op de Périphérique van Parijs gereden heeft, weet dat. Neen, het is het metalen gedrocht vlak voor de deur dat mij overtuigt: weer zo’n parking van staal voor auto’s bestaande uit meerdere verdiepingen.

Nadat ik me heb ingeschreven in de grote lobby van het grootste gebouw op de campus, een betonnen monoliet in t-vorm van ik schat zo’n zestig of zeventig meter hoog, volg ik de cijfertjes en pijltjes richting plastische heelkunde. Het is niet zo ver wandelen, een beetje terug in de richting van het Prinses Elisabeth kinderziekenhuis dat ik net gepasseerd ben komende van de parking. En wat vooral belangrijk is, de afdeling bevindt zich nog steeds op het gelijkvloers, wat goud waard is in zo’n blok beton. Na even aan de receptie te wachten, word ik binnen gelaten in een klein lokaal met zicht op een kleine binnenplaats met een gazonnetje. De dominante kleuren hier zijn wit, groen en lichtbruin. Het bruin van de goedkope meubels is de weggever. Want het zijn dus niet het sneeuwwit en lentegroen van de nieuwingerichte treincoupés van Gasthuisberg, volledig in de stijl van deze onechte tijden van eeuwige jeugd en uit de pan swingende levensvreugde, maar het vale eierschaal gebroken wit en donkergroen van de megalomane jaren tachtig, die hier nog steeds de toon zetten.

Ik ben tien minuten te vroeg. Ik probeer te gaan zitten op de stoel die zich voor de kleine tafel vlak voor het enige raam in de consultatieruimte bevindt. Maar ik ga kapot van de zenuwen. Ik sta terug recht en begin te ijsberen door de kamer. Ik ben ervan overtuigd dat ik aan het wachten ben op mijn doodsverdict. Dat ze direct gaan binnen komen en de conclusie van de oncoloog van het AZ gaan bevestigen; dat er niets meer aan te doen valt, buiten het opstarten van chemo. En als dat zo is, is het afgelopen met mij. Hoger dan dit kan ik niet gaan. Om de twintig seconden ongeveer ga ik terug zitten op de stoel, kijk drie seconden naar buiten, naar het gras en de enkele objecten die zich her en der verspreid over de verlaten binnenplaats bevinden en die ik toch niet echt zie, om dan terug recht te staan en terug te stappen van de ene vuilgroene muur naar de andere. Na een tijdje dwing ik me om te gaan zitten want ik word zot van al dat heen en weer geloop.

Na een vijftiental minuten wachten in reëele tijd, in gevoelstijd de spreekwoordelijke eeuwigheid, wordt er geklopt op de deur, draait ze onmiddellijk open en stappen er drie mannen binnen. Ik spring recht uit mijn stoel als een soldaat die zijn officieren ziet arriveren op het appel. De eerste man komt recht op me af en vraagt met uitgestoken hand: “Mijnheer Hoskens?” Ik steek mijn hand ook uit en antwoord een beetje onzeker: “Dat ben ik.” “Dag mijnheer Hoskens, ik ben Hubert Vermeersch,” en hij schudt mijn hand. Voor mij staat een oudere man met een van de zachtste uitdrukkingen in het gezicht die ik ooit gezien heb. Ook een mooie man. Het is precies een Vlaamse inspector Morse. Met een weliswaar veel minder witte, een grijzere, maar ook een prachtige haardos. En met dezelfde gracieuze, verstilde manier van bewegen. “Dit is Nicolas Dhooghe,” zegt hij en hij wijst traag op een joviaal ogende man die er al een pak jonger uitziet, “de plastisch chirurg.” Ik schud zijn hand en zie ter hoogte van de pols dat typische blauw-wit gestreepte hemd onder de witte jas uit piepen. “En dat is dokter Fransen, mijn assistent.” Een nog jongere man, rossig met sproeten. Ik schat eind jaren twintig. Die heeft al een groen chirurgenpak aan. 

Nadat ook Dokter Fransen zich voorgesteld heeft, wijst de professor op de medische ligbank die zich in de hoek van de kamer vooraan bevindt. “Kunt u daar even plaats nemen, mijnheer Hoskens? Weet u, we hebben al veel over u gehoord en veel over u gepraat, maar nu zouden we graag zelf eens zien waarover het hier juist gaat. Is dat ok voor u?” Ik zeg van wel, ga zitten op de bank en voel hem voorzichtig mijn kin vastpakken met zijn linkerhand en met zijn rechterhand zachtjes de ooghoek aftasten. Ondertussen is het in de consultatieruimte muisstil. Ik kijk naar boven en zie hem met zijn ogen kijken naar mijn ogen. Zijn gelaatsuitdrukking is helemaal veranderd. Ze is nu een en al focus. Met een getormenteerde blik loert hij naar het gezwel. Het is de blik van een roofdier dat zijn prooi ziet maar nog even zit in te schatten hoe hard en hoe ver hij gaat moeten springen om het te pakken te krijgen. En zoals bij een roofdier stopt het niet na enkele seconden. Het duurt lang. Het is alsof er een onuitgesproken dialoog plaats vindt is tussen hem en het gezwel. Dit moment hier en nu is eigenlijk ook gewoon iets tussen hem en dat gezwel. Ik zit hier enkel als aanhangsel, als transportmiddel voor de tumor. Praktisch gezien ben ik een buitenstaander, want ik weet toch niet waarover dit alles gaat. Na een dertigtal seconden voel ik zachtjes zijn linkerhand bewegen. Ze laat mijn kin los en gaat stilletjes de ganse kaaklijn af. Hij zegt niets. Legt niets uit. Maar ik weet dat hij op de goede oude, ambachtelijke manier checkt of er zich daar geen gezwollen klieren bevinden. Hij vindt hij er geen. Hij laat mijn gezicht los en knijpt, nog steeds zonder iets te zeggen, bemoedigend in mijn rechterarm. De meelevendheid waarmee hij dit alles doet, en vooral die kneep op het einde, raakt me zozeer dat ik verwonderd opkijk. Hij heeft terug de vorm aangenomen van de zachtmoedige man die net binnen stapte. “Sorry, mijnheer Hoskens,” reageert hij, “maar na al die documenten en scans enzovoort is het altijd waardevol om een keer het probleem in levende lijve te zien.”

Hij stelt voor om te gaan zitten aan de kleine tafel vlak aan het raam. Terwijl ik ga zitten, kijk ik onwillekeurig naar buiten; zoek, denk ik, wanhopig nog een laatste vluchtweg. Professor Vermeersch neemt plaats vlak tegenover mij. Dhooghe, de plastisch chirurg, gaat een beetje rechts van hem zitten en Fransen helemaal verderop, achteraan in de hoek. De professor begint te spreken. Hij spreekt bijzonder traag. Lijkt voortdurend zijn woorden te wikken en te wegen. Herhaalt opnieuw dat er al veel gewerkt is op mijn dossier. Dat er al veel mensen mee bezig geweest zijn. Ik luister gefascineerd naar zijn woorden maar bevind me toch in een waas. Zie zijn lippen met de kleine ouderdomsvlekken bewegen. Ik denk: ‘Nu gaat het komen. Nu gaat hij bevestigen wat de oncoloog verleden week heeft gezegd.’ De introductie duurt heel lang. Met lange omwegen probeert hij te geraken waar hij moet wezen. Aan empathie echter hier geen gebrek. Het is alsof hij zelfs niet durft te zeggen wat hij moet zeggen. Of anders vindt hij, Inspector Morse gewijs, dat er al te veel lelijkheid is op de wereld, waarom er dan nog iets aan toevoegen? Dan breekt het fatale nieuws plots toch door: “Kortom, mijnheer Hoskens, ik kan u opereren, maar ik vrees dat ik uw oog niet meer kan redden.” Ik krijg de slappe lach. Alle drie kijken ze onbewogen toe. Maar ik kan niet stoppen. Hoezeer ik ook probeer. Ik probeer de situatie te redden door tussen het lachen door te zeggen wat er volgens mij juist gebeurt: “Sorry…, professor Vermeersch…, ik dacht dat u mij ging zeggen… dat u mij niet meer kon opereren… Dat het al te laat was… Het is van de zenuwen dat ik hier zit te lachen… denk ik. Begrijpt u?…” Hij reageert: “Neemt u gerust uw tijd mijnheer Hoskens,” en kijkt me verder vragend aan. Ik duw alles, en niet alleen mijn middenrif, naar beneden en breng hortend en stotend uit: “Ongelooflijk Professor Vermeersch… Ik kan niet zeggen wat voor een opluchting dit is… Dat u mij nog kunt opereren… Dat is fantastisch! En als ik moet kiezen tussen een oog of mijn leven,… dan kies ik voor het leven hoor professor.” Er verschijnt een tevreden grimas op zijn gezicht. “Goed, mijnheer Hoskens, dan gaan we dat doen.”

Nu dit heikele thema achter de rug is, zet hij zich een beetje meer comfortabel op zijn stoel en gaat voort: “Nu mijnheer Hoskens, de ingreep zal wel niet enkel uit deze eerste operatie bestaan. Het traject waar u aan gaat beginnen, komt overeen met een goeie zwangerschap. U moet dus rekenen op een goede negen maanden in totaal. Vanaf de operatie tot aan het kunstoog.” “Kunstoog?” “Ja, kunstoog. Er is een Duitse firma die gespecialiseerd is in het maken van zo’n epithese. Zo noemen wij dat. Ik kan u verzekeren dat die mensen heel goed werk leveren. Als er nu iemand zou binnen stappen, hier, die zo’n oog zou dragen, u zou het niet opmerken. Zo goed zijn ze.” “Bedoelt u zo’n glazen oog? Zoals in de film?” Professor Vermeersch valt even stil en zegt dan gepijnigd: “Ik vrees van niet mijnheer Hoskens. In uw geval gaat dat niet volstaan. Is dat ook niet meer mogelijk trouwens. Zo’n epithese bestaat niet enkel uit het oog maar ook het weefsel eromheen, het ooglid met de wimper, de huid, enz… Want we gaan al het weefsel in de buurt van het gezwel moeten verwijderen, begrijpt u?” “U gaat dus heel mijn oogkas leeg maken?,” voel ik een beetje de horror toeslaan. “Wel, ik kan dat nu niet juist voorspellen, mijnheer Hoskens, hoeveel ik zal moeten wegnemen. Dat zal ik tijdens de operatie zelf moeten beoordelen, maar min of meer wel, ja. En nadat we al dat weefsel verwijderd hebben, gaan we dat terug toe maken met wat we noemen een flap; huid van u, normaliter van een van uw billen, omdat zich daar goed doorbloed weefsel bevindt met ook nog wat vet aan. Daarom zitten we hier trouwens met twee. Ik ga het eerste stuk van de operatie uitvoeren. Het verwijderen van de tumor en het omliggende weefsel. Dokter Dhooghe hier zal daarna alles terug opvullen. Hij zal u oplappen als u wilt. Op die manier kan elk van ons zich volledig concentreren op zijn stuk van het proces. Dat is de taakverdeling onder ons. Ziet u?” En ik weet niet door wat het juist komt. Is het de toon van zijn stem; een zachte, gevoelige, maar toch kordate stem? Is het die heilzame overdosis aan empathie die ik zo fel gemist heb bij al die andere specialisten? Is het mijn liefde voor intellect en stijl die via Inspector Morse om de hoek komt loeren? Of is het de eendracht en de collegialiteit die ze alledrie samen uitademen? Misschien is het gewoon de tijd die ze nemen om dit alles uit te leggen, aangepast aan mijn tempo, het tempo van een totale leek. Maar voor het eerst heb ik het gevoel in goede handen terechtgekomen te zijn. Voor het eerst sinds die afschuwelijke diagnose en na al dat vreselijk geklungel in Gasthuisberg krijg ik het gevoel dat er misschien toch nog hoop is, en dat het misschien zelfs nog gaat lukken om van die vreselijke ziekte af te geraken ondanks alles wat er daar verkeerd gedaan is geweest. Dat ik misschien volgend jaar ook nog eens Nieuwjaar ga kunnen vieren. En misschien zelfs terug bij Tim en Isa boven op hun dakterras.

En het is alsof Professor Vermeersch de enorme opluchting voelt want hij gaat door op zijn elan: “Mag Dokter Dhooghe even checken waar we het beste een stuk huid zouden weg nemen om te dienen als flap?” “Ja, natuurlijk,” antwoord ik en ik sta al recht. “Moet ik dan mijn broek laten zakken?” “Liefst wel,” neemt dokter Dhooghe nu voor het eerst over. Ik maak mijn riem los en zie mijn jeansbroek tot aan mijn knieën zakken. Dokter Dhooghe komt dichterbij en zegt al voor hij geknepen heeft: “Dat ziet er al goed uit. U hebt zo te zien een stel mooie, gespierde benen mijnheer Hoskens. Doet u iets van sport?” Ik antwoord: “Ja, ik zwem. Maar wat betreft die mooie benen, gaat dat na de operatie ook nog zijn eigenlijk? Ga ik zelfs nog kunnen zwemmen nu dat ik eraan denk?” “Tja, u zult daar wel een litteken van blijven zien, maar het zal wel meevallen hoor. En zwemmen zou geen enkel probleem mogen zijn.” Nu begint hij echt te knijpen. Eerst neemt hij een stuk van mijn rechterbil vast met zijn duim en wijsvinger en dan van mijn linkerbil. Ik krijg even het gevoel ergens op een jaarmarkt te staan en gekeurd te worden op de sappigheid en de textuur van mijn vlees. Ook Professor Vermeersch mengt zich nu vanop afstand, vanachter de kleine bureau, in de keuring. “Ja, dat ziet er goed uit van hier gezien.” Zelf ben ik gewoon blij dat ze mij nog kunnen en willen opereren. Dus al dat geknijp kan me allemaal niet zo veel schelen. Zelfs mijn geslachtslid hadden ze mogen keuren, deze heren. “Ja, dat komt wel in orde mijnheer Hoskens,” eindigt dokter Dhooghe zijn inspectie nu. “We gaan u wel moeten vragen om voor de operatie een scan van uw dijen te laten maken. Zodat we perfect weten waar we juist de flap moeten weg nemen, waar de beste bloedvaten zitten en dergelijke.” “Geen probleem, dokter.” “We gaan u wel vragen om dit in Aalst te gaan laten doen. Onze scans zijn de komende dagen al helemaal volzet en bovendien hebben ze in het AZ Aalst de juiste scan staan voor dit type van onderzoek.” “Ik heb de laatste weken al zoveel ziekenhuizen gezien. Daar kan er nog wel eentje bij denk ik. Zegt u mij gewoon waar ik moet zijn.” “Ik moet u nog wel waarschuwen mijnheer Hoskens. De eerste 24 uur na de operatie gaan we om het uur komen checken of de flap zich goed hecht. Ook als u slaapt. U moet zich echter geen zorgen maken. We doen dit preventief. Normaliter zou alles goed moeten verlopen, zeker met die stevige benen van u, maar we moeten checken of alles evolueert zoals het zou moeten evolueren. Zeker in het begin, nadien gaan we om de drie, vier uur controleren en na enkele dagen één à twee keer per dag.” “Enkele dagen? Hoe lang moet ik eigenlijk in het ziekenhuis blijven?” “Minimum twee weken, mijnheer Hoskens.” “Twee weken? Wow, dat is lang.” “Dit is ook geen lichte operatie, mijnheer Hoskens.” “Neen, neen, dat wil ik gerust geloven.”

Hier neemt Professor Vermeersch terug het woord met zijn oorstrelend timbre: “Nadien, een maand of zes later, zal er dan een tweede, veel kleinere operatie volgen, mijnheer Hoskens.” “Een tweede?” “Ja, het resultaat van de eerste ingreep zal zich eerst wat moeten ‘settelen’. Genezen eigenlijk. Zodat we nadien het fijnere werk kunnen doen.” Maar ook dokter Dhooghe laat zich niet meer onbetuigd en geeft aan: “Tijdens de eerste ingreep gaan we al wel doen wat we kunnen hoor, mijnheer Hoskens. Zo gaan we dan al twee bouten aanbrengen in uw voorhoofd waar later de epithese aan kan vastgemaakt worden.” “Bouten?” “Ja, twee stalen pinnen eigenlijk waarop nadien het kunstoog vastgeklikt kan worden.” “Ah, ok.” “Vanaf die tweede operatie moet u nog rekenen op een goede drie maand om het kunstoog te laten maken door die gespecialiseerde firma,” beEindigt de professor het overzicht van het traject. 

“Hebt u soms nog vragen hierover mijnheer Hoskens?,” vraagt hij nu. “Ja, de Grote Vraag eigenlijk nog. Wanneer gaat de operatie doorgaan? Ik bedoel de eerste operatie, de operatie waarbij ik eindelijk van dit gezwel ga af geraken? Horendol word ik ervan.” “Wel, we zouden willen voorstellen, dinsdag 22 januari.” “22 januari?,” reageer ik geschrokken, “dat is nog eens twee weken wachten!” Voor het eerst zie ik enig teken van ergernis bij professor Vermeersch. Hij voelt zich door mijn spontane reactie in zijn gat gebeten en reageert kortaf: “Mijnheer Hoskens, er is nog heel veel werk te doen voordat we u kunnen opereren. Twee weken lijkt mij een redelijke termijn om dat allemaal gedaan te krijgen.” Ik probeer de plooien snel terug glad te strijken: “Sorry, professor Vermeersch, het was niet mijn bedoeling om uw deskundigheid in vraag te stellen. Het is alleen… Ik voel dat gezwel nu al maanden groeien in mijn oog, explosief zelfs sinds die foute operatie in Gasthuisberg. Ik voel dag in, dag uit, uur per puur, elke seconde, hoe agressief dat ding wel niet is. En na al dat geklooi op Gasthuisberg, met dat risico op metastase, heb ik enorm veel schrik dat die microschilfers zich al aan het verspreiden zijn in mijn lichaam, begrijpt u? Nog eens twee weken wachten na al dat tijdverlies in Leuven, lijkt mij gewoon ondraaglijk lang.” “Sorry voor de vraag, maar wat hebt u juist gestudeerd mijnheer Hoskens?” “Psychologie. En nadien MBA. Beide aan de KUL.” “Ah, u bent psycholoog? Ik dacht even dat u ook een medische opleiding genoten had. Omdat u over metastase en zo begint. Maar,” gaat hij nu vergoelijkend door, “mijnheer Hoskens, naast al het werk dat nog gedaan moet worden, is er ook het feit dat 22 januari het eerste beschikbare slot is qua operatiezalen om een operatie van deze omvang uit te voeren. Nietwaar, dokter Dhooghe?” En hij wenkt naar de plastisch chirurg. “Dokter Dhooghe heeft het slot voor u vastgelegd, mijnheer Hoskens,” eindigt hij om de plotse doorverwijzing te verklaren. Dokter Dhooghe beaamt onmiddellijk het gebrek aan ruimte in de overbeladen agenda’s van de operatiezalen. “Tja, dan zal het niet anders gaan zeker?,” reageer ik. “U moet begrijpen dat mijn angst groot is professor. U gaat dit belachelijk vinden maar sinds enkele dagen heb ik bijvoorbeeld een kopvalling en bij elk stuk snot dat ik langs mijn keel naar beneden voel zakken, denk ik dat het vol zit met van die schilfertjes. Zo erg heb ik het zitten. En dan doe ik alle moeite van de wereld om dat tegen te houden, terug naar boven te krijgen, door te rochelen en te reutelen als een oude man. Vreselijk gewoon.” “Ik begrijp uw zorg mijnheer Hoskens, maar u moet u daar op dit moment niet mee bezig houden. Bovendien is het normaliter niet op die manier dat een eventuele uitzaaiing gebeurt.” “De oncoloog van het AZ Maria Middelares stelde voor om nu al chemo op te starten, operatie of geen operatie,” probeer ik nog. “Chemo? Nu nog? Geen sprake van!,” reageert hij als door een bij gestoken. “Dat is helemaal niet aan de orde nu!” Ik ben al gewoon blij dat hij nu kwaad is op iemand anders, maar professor Vermeersch gaat door: “Misschien dat we na de operatie enkele sessies chemo zullen moeten doen. Maar zelfs dat betwijfel ik op dit moment. Ik denk dat er eerder enkele bestralingssessies nodig zullen zijn. Maar geen chemo. Als er al iets nodig zal zijn. Als de operatie goed lukt, gaat misschien zelfs dat niet nodig zijn.” Alles wat die man zegt, klinkt plots allemaal als muziek in mijn oren. Misschien gaat chemo zelfs niet nodig zijn. Jezus, ik zou hem zo kunnen dood knuffelen, de brave man. 

Professor Vermeersch kijkt me echter indringend aan. “Mijnheer Hoskens, is het goed dat voor dat we deze consultatie formeel afsluiten, mijn collega’s en ik nog even apart overleggen? Daar worden geen dingen gezegd die u niet moogt horen hoor. Dus het is niet zo, en ik zeg dit nadrukkelijk, dat daar andere dingen gezegd worden dan dat er hier gezegd geweest zijn. Het is alleen misschien verwarrend voor u om ons bezig te horen. Daarom is het beter dat we dit overleg even apart houden. Is dat goed voor u?” “U doet maar professor. Doet u maar alles wat u nodig acht.” “En wilt u dan even wachten hier terwijl wij hiernaast overleggen?” “Ja, natuurlijk, waar zou ik anders naartoe gaan, professor?” “Ok, mijnheer Hoskens, we komen direct terug.” “Tot direct dan.” En ze verlaten alle drie samen het kleine bureautje.

Na een minuut of vijf komen ze terug. Deze keer blijven ze recht staan. “Goed, mijnheer Hoskens, alles is in orde aan onze kant. We zijn dus aan het einde van deze consultatie gekomen wat ons betreft. Tenzij u nog extra vragen hebt natuurlijk.” Ik antwoord van niet. Verklaar dat ik gewoon ontzettend blij en dankbaar ben dat ze mij nog denken te kunnen en willen opereren. “De volgende keer dat we mekaar zullen zien, zal dan op maandag 21 december zijn. De dag voor de operatie. Want, dat hadden we nog niet besproken, mijnheer Hoskens, maar we stellen voor dat u de dag voor de operatie in de late namiddag naar hier komt en u inschrijft. En dat u dan hier al overnacht. Op die manier kunnen we u ‘s ochtends, in alle vroegte, opereren. Is dat ok voor u?” “Ja, natuurlijk.”

“Nog één ding, mijnheer Hoskens. Is het misschien mogelijk de volgende keer met twee te komen. Met uw vrouw of zo? Ik veronderstel dat u een vrouw hebt?” “Ja, die heb ik.” “Niet om u te controleren of zo hoor. Maar omdat op consultaties zoals dit er altijd zo veel dingen gezegd worden en terloops afgesproken. En een mens vergeet al snel iets, niet? Op die manier kan de ander helpen om alles te onthouden.” “Ja, geen probleem professor, de volgende keer zullen we met twee zijn. Maar deze voormiddag moest Tin, mijn vrouw, les geven en, tja, ik dacht dat u mij enkel slecht nieuws ging meedelen.” Hier begint hij eindelijk breed te lachen: “Dan hebben we dat toch al kunnen vermijden, niet, mijnheer Hoskens?”

Ik denk dat het nu echt afgelopen is. Dat de voor mij prachtig verlopen voorstelling naar haar einde loopt. Maar dan volgt tegen alle verwachtingen in nog de klap op de vuurpijl. Bij het afscheid nemen herhaalt professor Vermeersch voor de derde keer dat er al hard gewerkt is op mijn dossier. Maar deze keer voegt hij daar expliciet aan toe: “Het is vooral dokter Fransen hier die al veel werk verzet heeft mijnheer Hoskens,” en hij wijst met een van zijn elegante, vertraagde bewegingen naar de jongste van drie. De jonge assistent heeft tijdens de hele consultatie geen woord gezegd. Maar hij, de nestor, maakt er een punt van om hier en nu, publiekelijk, in aanwezigheid van de patiënt, hem te bedanken als erkenning voor al het geleverde werk. Waar vindt men nog zoveel eerlijkheid en correctheid in deze meer en meer valse egotripwereld van over lijken gaande wolven en haaien? Mijn knuffeldrang wordt nog groter. Ik moet me echt inhouden om de professor niet van pure bewondering en toegenegenheid om de hals te vliegen. En terwijl ik me daar sta in te houden, maakt hij het me nog wat moeilijker want uit het niets vraagt hij, nadat dokter Dhooghe en dokter Fransen de ruimte al verlaten hebben, van de ene onzekere, sterfelijke mens tot de andere, of alles duidelijk was en vooral of ik als psycholoog vond dat hij alles goed aangebracht heeft. Terwijl ik nu al begin te twijfelen tussen hem om de hals te vliegen of hem carrément een kus te geven, antwoord ik hem aangedaan van wel, dat hij het prachtig gedaan heeft en een medaille verdient in vergelijking met hoe anderen te werk gaan. Hij begint spontaan te lachen en nadat hij een laatste keer mijn hand schudt, verlaat ook hij de vaalwitte-donkergroene Bühne met lichtbruin gelakte bomen.

Een verpleegster komt me nog even ophalen om enkele documenten in te vullen en te ondertekenen. Nadat alles afgerond is, vlucht ik snel naar buiten en bel opgelucht naar Tin vanuit de overdekte gehandicaptenzone aan de ingang. Beschut tegen de wind en de regen daar vertel ik alles wat er gezegd is geweest terwijl de tranen overvloedig over mijn wangen rollen. Ik praat luid en lach uitgelaten terwijl diezelfde tranen maar blijven komen. En ik hoor aan de andere kant Tin hetzelfde doen.

5 januari 2019 – Nieuwjaar bij Tin thuis

Vandaag gaan we Nieuwjaar vieren bij Tin thuis. Niet dat ik daar veel zin in heb natuurlijk. Nieuwjaarke vieren voor de laatste keer is nu niet echt iets om naar uit te kijken. Want Nieuwjaar vieren veronderstelt dat er nog vele jaren zullen volgen. Maar noblesse oblige, en bovenal is er de jaarlijkse tombola in Reet zonder dewelke mijn kinderen geen dag langer zouden kunnen leven. Bovendien zal het me ook wat afleiden want sinds dat we afgelopen donderdagavond thuis zijn aangekomen van AZ Maria Middelares sleep ik me voort van bed naar zetel en terug. Het enige wat me nog een beetje verzet biedt, is een wandeling in het bos die Tin plots als een verplichte dagelijkse oefening afgekondigd heeft. Dan loopt zij daar aan een strak tempo voor mij, in haar botten, met haar mooi poepeke verstopt onder haar plastieken regenjas en ik als een hond er braaf achteraan. Een wandeling van een uur ongeveer langs de oude kloostersite boven op de berg waar ergens nog een goudschat verborgen zou moeten liggen tot, helemaal aan de andere kant van het langgerekte bos, de prachtige gracht waar de Prins de Merode, een van de grondleggers van de Belgische staat, een fatale hartaanval gekregen heeft ergens in de jaren stillekens. Weer ongelooflijk eigenlijk ook van die Tin. Als de rollen omgekeerd zouden zijn, had ik enkel nog eten en drinken voor haar kunnen klaar maken of zoiets. En kuisen misschien. Zo in de basisbehoeftes wat voorzien. En voor de rest had ik haar zoveel mogelijk met rust gelaten. Als een echt ridicuul alfamannetje. Maar zij weigert bij de pakken te gaan neer zitten. Al strijdende ten onder gaan, dat zult gij!  Zijn of niet zijn! Wandelen of niet wandelen! Wat een superwijf.

Het eerste wat ik gedaan heb toen we thuis aankwamen van AZ Maria Middelares was bellen naar Willem. Om hem te vertellen wat de oncoloog allemaal gezegd had. Dat het volgens hem al te laat was om geopereerd te worden, maar dat hij zich zou neerleggen bij wat Professor Vermeersch zou beslissen. Dat volgens hem echter er enkel nog chemo kon opgestart worden. Dat het allemaal al veel te lang geduurd had en dat het risico op metastase – door die vreselijke microschilfers – groot is. Willem blijft echter kalm en zegt dat dat allemaal wel kan, maar dat we hoopvol moeten blijven, dat Professor Vermeersch inderdaad een éminence grise is en dat hij alle vertrouwen in hem heeft. Tussen de regels door versta ik dat wat Willem eigenlijk zegt, bloednuchter als altijd, is dat we gaan voor de these dat het nog vroeg genoeg is. Want als het te laat is, is het te laat. Zo simpel is dat. Om zijn woorden kracht bij te zetten zegt hij nog: “Die enkele weken extra gaan het verschil niet maken, hein Patrick?” “Volgens die oncoloog wel,” werp ik tegen. “Luister, Patrick, ga gewoon maandag naar Professor Vermeersch, ok? Laat ons eerst eens zien wat hij te zeggen heeft. Als Vermeersch tot dezelfde conclusie komt als de oncoloog, kan je dan nog altijd die chemokuur laten opstarten, niet?” Als Hitler Willem als generaal had gehad, had hij gewonnen, gaat nu door mijn hoofd. Als hij geluisterd zou hebben tenminste. En dat was heel onwaarschijnlijk. Net zoals ik op dit moment moeite heb om te luisteren precies. Ik zeg: “Ok Willem, ge hebt weeral gelijk. Maar amai, ik moet toch zeggen en weeral, voor de tweede keer, dat die oncoloog er blijkbaar telkens in slaagt om alle hoop in mij kapot te maken. En hopeloos zijn is één ding. Geen hoop meer hebben een ander en veel erger. Begrijp je?” Willem zegt van wel en als we afscheid nemen, vraagt hij onmiddellijk iets te laten weten na het gesprek maandag met Professor Vermeersch, hoe het verlopen is, enzovoort. “Evidentemente,” antwoord ik in mijn lievelingstaal, de taal van en voor mijn lieverds.

Maar nu is het dus Nieuwjaarsfeest bij Tin thuis. Sinds een aantal jaar vindt dat telkens op de eerste zondag na Nieuwjaar zelf plaats. Tegenwoordig omdat ondergetekenden normaliter op Nieuwjaar zelf in het buitenland vertoeven, maar oorspronkelijk omdat het telkens, met alle verplichtingen in al die verschillende schoonfamilies, een miserie was om iedereen samen te brengen op Nieuwjaarsdag zelf. Ook dit jaar zijn we weer op een of andere manier op de zaterdag voor de zondag in kwestie aanbeland. Maar voor ons is deze algemene regeling nu perfect. Zodat we bij het begin van de Kerstvakantie, op Kerstmis, bij mijn zuster thuis, mijn familie kunnen bezoeken en op het einde van de Kerstvakantie die van Tin. Van balans gesproken. Yin en yang is er niets tegen. 

Tegen onze gewoonte in komen we niet als laatsten aan. Niet dat dat aan ons ligt. Toon, de oudste broer van Tin, is als succesvol begrafenisondernemer een druk bezet man geworden. Hij heeft dit weekend weer twee of drie diensten en zal een beetje later zijn. De familieleden van Tin bejegenen me ondertussen met veel meer omzichtigheid dan normaliter het geval is. Zelfs haar vader maakt veel minder grapjes dan anders over mijn nog altijd gezonde eetlust. Want het moet gezegd worden: het eten is, zoals altijd, keilekker. Er is wel één nieuwigheid die dit jaar geïntroduceerd wordt, een bewijs dat zelfs tot hier de Nieuwe Tijden doorgedrongen zijn: voor de vegetarische kleinkinderen worden er vegetarische gerechten op de keukentafel geserveerd – de nog-niet-vegetarische, jongere kinderen mogen erbij zitten. Aan de hoofdtafel bedient iedereen zich zoals vanouds uitvoerig van de hutsepot met rundvlees, aardappelen en witloof. En tegen dat het dessert op tafel staat, is mijn schoonvader al schertsend weer vlot commentaar aan het geven op mijn schaamteloze eetlust die volgens hem zo’n zware belasting voor onze toekomstige erfenis maar vooral zijn huidige portefeuille betekent.

Na het eten word ik uitvoeriger aangesproken over wat er allemaal gebeurd is. Ik probeer me recht te houden in de veel te ruime zetel door met veel bravoure te stellen dat het maandag erop of eronder zal zijn. Dat ik dan eindelijk die professor Vermeersch zal ontmoeten die mij misschien nog kan redden. En dat wat die oncoloog van het AZ Maria Middelares mij allemaal verteld heeft om het zwak uit te drukken niet echt hoopgevend was. Wat ik er niet bij vertel, is dat ik ondertussen overtuigd ben geraakt van de idee dat de oncoloog eigenlijk onder één hoedje speelt met het facial team van het UZ Gent. Dat hij eigenlijk gewoon gezegd heeft wat zij zelf al besloten hebben: dat ik niet langer geopereerd kan worden. Dat ze gevraagd hebben om dit al te communiceren zodat op deze manier het voor hen gemakkelijker zal zijn om op maandag dezelfde boodschap over te brengen. Want een gewaarschuwd man is er twee waard. Of in mijn geval is het misschien eerder nog maar een halve. Of zelfs maar een tiende man als ik op mijn gevoel op dit moment afga. De link tussen de oncoloog en het facial team werd gelegd door Tin die donderdagavond in het midden van mijn formele debriefing thuis aan haar plots vroeg: “Ik dacht dat je gezegd had dat die oncoloog al voordien gezegd had dat hij akkoord ging met een ingreep van die Professor Vermeersch? Via een mail of zo?” En inderdaad, plots herinnerde ik me ook dat Willem dat gezegd had. En als het onderlinge overleg al zover gevorderd is, waarom zou er dan al geen eensgezindheid bestaan over de uiteindelijke conclusie? Toch blijf ik hopen op een operatie. Want de illusie dat ik toch nog geopereerd zou kunnen worden, al is er maar een waterkans dat dit effectief ook zo is, maakt het wachten draaglijk en het feest hier, midden in de velden, in deze opgeknapte boerderij, überhaupt mogelijk.

Na de obligate peptalk volgt de langverwachte tombola. Het is eigenlijk meer een verloting – in het Engels noemen ze het geloof ik een raffle – dan een echte loterij want achter elk ticket zit er gewoon een prijs. De vraag is alleen welke prijs want elk Nieuwjaar zijn er zo’n 200 cadeautjes te verdelen over een goede 14 man. Zoals het hoort bij een echte raffle is het meestal rommel, maar toch blijft, verbazend genoeg, het openen van de cadeaus nog altijd even spannend. De overdaad aan cadeautjes voelt aan als een overdaad aan liefde en ‘s avonds gaan elk jaar vooral de kleinkinderen moe maar tevreden naar huis met ieder zijn goedgevulde prijzenpot op de schoot in de auto. Zelf profiteer ik nog vlug van de gelegenheid om bij het afscheid nemen duidelijk te maken aan Toon dat de assen uitstrooien in de Noordzee mij een ideale manier lijkt om van mijn stoffelijke resten af te geraken. Als begrafenisondernemer is hij niet het type om zoiets te vergeten. En daarmee is dat ook weer geregeld.

3 januari 2019 17u00 – Hij gelooft niet in mij

We zijn opnieuw allen samen naar het AZ Maria Middelares gereden. Opnieuw ook met de bedoeling om na de consultatie nog even het bruisende Gent te bezoeken en daar samen iets te gaan eten. Bovendien is de solden net begonnen. Het is al donker als we aankomen in de kliniek. Maar het winkeltje in de grote inkomhal is nog open en de kinderen beginnen al te snuisteren in de spullen. Ik spreek met Tin af dat ik direct terugkom eenmaal de consultatie afgelopen is en begeef me op pad.

De vorige keer dat ik hier was, op consultatie bij deze oncoloog, was dat in allerhaast, op het middaguur, tussen het vele werk door. Misschien dat ze, net zoals ik, hun middaglunch opgeofferd hadden om me toch maar even te kunnen zien. Ik werd dan ook onmiddellijk ontvangen om te redden wat er te redden viel van het middaguur. Deze keer heb ik een standaardafspraak op een al lang vastgelegd moment met zijn dienst. Dus nu zit ik tussen tal van andere patiënten te wachten in de kleine wachtruimte. Ze zit helemaal vol. Ik ben zelf veruit de jongste van alle aanwezigen. Of toch van de ogenschijnlijke patiënten. Tussen de begeleiders zitten ook nog wat zonen of dochters van de wachtenden. Maar wat me vooral direct opvalt is het grote verschil tussen de patiënten onderling. Ik denk dat ik rondom mij zowat alle mogelijke stadia van kanker zie. Een beetje links van mij zit er nog een relatief jong iemand die er ook nog redelijk kwiek uitziet. Op basis van zijn uiterlijk vermoed ik dat die persoon ook nog in stadium 1 zit, net zoals ik nu nog hopelijk. Maar voor het overige zie ik alle mogelijke variaties rondom mij verzameld, gaande van slecht tot slechter tot slechtst. Recht tegenover mij zit er denk ik een stadium-4-patiënt. Ik schat dat hij ongeveer 80 jaar oud is. Zijn dochter of schoondochter zit naast hem en houdt hem in het oog. Hij is volledig kaal, ik veronderstel van de chemo, en zit wat schuin onderuit gezakt op zijn stoel te wachten. Ik vraag me zelfs af of hij soms niet in het ziekenhuis verblijft want het is alsof hij een witte pyjama aanheeft en daarmee naar hier is gekomen. Maar ik zie geen baxter of iets dergelijks, zie dat hij toch schoenen draagt en een grote overjas bij zich heeft en vermoed dus dat het meer gaat over de beperkte kledingkeuze van iemand die zwaar ziek is. Zijn dochter vervult ondertussen haar plicht met flair, maar kan niet verhullen hoe slecht de man er aan toe is. Met een vaal gezicht zit hij wat in het ijle te staren. De vraag is naar wat. Zelf kan ik het niet laten om met mijn ogen telkens weer af te glijden naar de oude, zieke man. Ondanks dat mijn maag verder samenkrimpt bij elke nieuwe blik die ik werp. 

Ondertussen is het een af- en aangeloop rondom ons van in het wit gekleed verplegend personeel. Ik begin nu te begrijpen wat voor een hondenstiel dat niet moet zijn, medisch oncoloog zijn. Al die mensen, en ik tel er hier, in deze kleine wachtruimte alleen al, een achttal, die naar jou toekomen met letterlijk de moed der wanhoop als voornaamste aandrijvingskracht. Ernstig zieke mensen die je moet aansturen, geruststellen, op de juiste baan zetten richting genezing in het beste geval, een tergend langzame dood in het slechtste geval. Met, op basis van datzelfde aantal mensen dat ik hier zie, misschien een kwartier per persoon dat je hebt om aan al die meestal onuitgesproken verwachtingen tegemoet te komen. Of misschien zelfs maar tien minuten? Letterlijk op de lopende band ongelukkigen zien passeren voor je neus die hopen dat jij de oplossing hebt. En het enigste wat je kunt bieden is een beetje soelaas en een levensgrote gok. Wat een vreselijk beroep moet dat niet zijn.

Na een twintigtal minuten word ik eindelijk binnen geroepen. Opgelucht dat ik eindelijk uit mijn benarde situatie bevrijd ben, stap ik de consultatieruimte binnen. Hij zit helemaal alleen aan zijn tafel met de computer rechts van hem. Net zoals verleden keer. Alleen is het nu al pikkedonker buiten, met als gevolg dat ik zijn gelaat nu zie oplichten in het blauw-witte schijnsel van zijn computerscherm. En net zoals de vorige keer blijft hij ijverig en geboeid verder lezen en tokkelen op zijn computer terwijl ik plaats neem. Het enigste grote verschil met de vorige keer is dat de onco-coach nergens meer te bespeuren valt. Maar na wat ik net gezien heb in de wachtkamer, vind ik dat de normaalste zaak van de wereld. Ik zou me zelfs beschaamd gevoeld hebben als ze hier wel gezeten zou hebben. Ik had haar stante pede naar buiten gestuurd om die mensen die het echt nodig hebben te gaan ondersteunen.

Ik heb de indruk dat de oncoloog nog snel het medisch dossier van de patiënt voor mij aan het afwerken is. Nog wat laatste comments en notas erin aan het steken is voordat hij ze vergeet. Wanneer hij gedaan heeft, kijkt hij voor het eerst op en vraagt hoe het met mij gaat. Nu pas valt me op hoe moe hij er wel niet uit ziet. Die kerstvakantie heeft toch niet veel geholpen precies. De zwarte randen onder zijn ogen zijn nog uitgesprokener geworden en zijn spits, hongerig gezicht loert me aan door het fijne brilletje. Opnieuw moet ik denken aan die overladen lopende band die ik net daarbuiten gezien heb. Misschien is hij gewoon op weg naar een burn out, vraag ik me af. Ik zou het in ieder geval niet aankunnen zo’n werk. Ik antwoord: “Redelijk,” en begin uit te leggen dat vooral het wachten mij bijzonder zwaar valt. Het wachten op wat er nu allemaal moet gebeuren. Maar ik moet nog maar beginnen praten of hij zit terug met zijn donkere, zwartomrande ogen te staren naar zijn computerscherm. Deze keer heb ik de indruk dat hij mijn dossier even aan het bekijken is. Om te zien wat er tot nu toe allemaal gebeurd is. De resultaten van de scans aan het bekijken en de uiteindelijke diagnose dat het gezwel primair is. Ik zeg nog vlug ter info dat we toch niet met het gezin naar Boedapest gegaan zijn en val dan stil wachtend op een nieuwe vraag of opmerking van hem. 

Na een tijdje, draait hij zich opnieuw om en kijkt me nog eens goed aan. Hij zegt: “Dat is toch een serieus gezwel dat daar zit, mijnheer Hoskens.” Ik kan dat alleen maar beamen en begin al terug te vertellen over hoe ondraaglijk het niet is om dat verder te voelen groeien in mijn oogkas na alle fouten die er gebeurd zijn in Gasthuisberg. Maar net zoals de vorige keer interesseert hem mijn perceptie of aanvoelen van wat er allemaal gebeurd is niet zo erg. Hij murmelt iets over een bepaalde quotient die gebruikt wordt om de aggressiviteit van een kwaadaardig gezwel aan te duiden en geeft aan dat die in mijn geval toch redelijk hoog is. Ik vraag hem wat dat juist betekent. Hij blijft verder kijken naar zijn scherm en begint nu weer over de locatie van het gezwel. “Het is ook wel bijzonder zeldzaam,” zegt hij, “zo’n type gezwel naast het oog. Wacht,” zegt hij, “ik zal eens zien of ik nog zo’n geval terug vind.” Hij begint naarstig te tokkelen op zijn klavier terwijl hij de donkere blik onafgebroken op het scherm houdt. “Hier,” zegt hij na een tijdje, “ik vind maar één zo’n casus terug. Een jonge vrouw, ver weg van hier. Daar was men er op tijd bij. Het gezwel is operatief verwijderd geweest en nadien is ze nog een drietal keer bestraald geweest. Er is geen recidive geweest.” ‘Daar was men er op tijd bij’ doet bij mij echter de bom afgaan. Ik flap eruit: “Ik kan toch ook nog geopereerd worden, dokter, of niet soms?” Na meer dan een week te wachten kan ik eindelijk de grote vraag op tafel smijten. Maar hij reageert weer niet. Hij blijft in het blauwwitte schijnsel naar zijn scherm kijken. Opnieuw stel ik de vraag aller vragen en deze keer nog nadrukkelijker: “Ik kan toch ook nog geopereerd worden, dokter? Als het gezwel primair is, kan dat toch nog?” De stilte houdt aan. Ik voel de laatste dam in mij wegvallen en laat mijn grootste angst koud en kil het woord voeren: “U gaat me toch niet vertellen dat na alles wat er gebeurd is in Gasthuisberg, na het zootje dat ze er daar van gemaakt hebben, ik nu niet meer geopereerd kan worden? Dat het allemaal te laat is?” Nu kijkt hij mij toch even aan. Dan zegt hij: “Ik weet het niet. Maar het zal wel niet eenvoudig zijn, denk ik. Wacht, ik geloof dat dokter Decock hier nog een mail over gestuurd heeft. Hier,” zegt hij en draait zijn scherm om naar mij zodat ik de mail ook kan zien, “hier zegt dokter Decock zelf ook dat het geen eenvoudige operatie zal zijn. Dat het niet langer enkel aan het oog zit, dat het waarschijnlijk ook al aan de orbita zit en dat dus in ieder geval hij alleen die operatie onmogelijk kan uitvoeren. Dat het eigenlijk nu al buiten zijn specialisatie en dus bevoegdheid als oogarts valt.” Ik voel mijn voorhoofd en handen klam worden. “Wilt u zeggen dat het volgens u te laat is, dokter?” “Te laat?” “Te laat voor een operatie?” “Ik vrees van wel,” antwoordt hij. Bovendien, voegt hij er snel aan toe, is de vraag hoe snel die operatie dan wel zou kunnen gebeuren. “Want zelfs als die, ik zeg nu maar, volgende week al zou kunnen plaats vinden, dan nog zouden we minstens twee A drie weken moeten wachten voor we een eventuele nabehandeling kunnen opstarten. En dan zitten we al direct weer eind januari. Dat vind ikzelf te laat. Het duurt allemaal al veel te lang nietwaar?,” eindigt hij. Dat het allemaal al veel te lang duurt, moet hij mij niet vertellen. ‘Dat weet ik ook wel!,’ brandt in mijn keel en op mijn lippen. “Het probleem zijn vooral ook die microschilfers die een gezwel vanaf een bepaald moment begint te verspreiden en die nieuwe gezwellen kunnen vormen. Met die mogelijkheid moeten we ook rekening houden.” Ik voel langzaamaan alles rondom mij zacht worden. Het is alsof ik in een grote brij van blauw-witte gelei ben terecht gekomen. Met zwarte randen. “Ik stel voor,” zegt hij nu, “dat u volgende week binnenkomt en dat we een chemokuur opstarten.” De gelei wordt moes en ik voel me nu helemaal wegzinken. Ik kan nog net mijn troefkaart uit mijn broekzak halen en werp tegen: “Vrienden van mij zijn chirurgen aan het UZ Gent en daar zou men mij misschien nog wel kunnen en willen opereren. De operatie zou gedaan worden door Hubert Vermeersch. Kent u hem?” Dat laatste had ik niet meer moeten vragen. De naam alleen al doet de oncoloog helemaal achteruit zakken. Voor het eerst laat hij zijn computerscherm los. “Als Professor Vermeersch zegt dat hij u kan opereren, dan leg ik me daarbij neer,” zegt hij. “We noemen hem hier de man met de gouden handen. Een echte authoriteit op dat vlak. Bovendien,” voegt hij er nog even voorzichtig aan toe, “heb ikzelf ook schrik dat de chemo niet zo goed zal werken op zo’n uitzonderlijke locatie. Het is niet dat we daar midden in het bloedvatrijke spijsverteringsstelsel zitten. Dus als een operatie zou kunnen, zou dat zeker het beste zijn. Maar dan nog zou ik voorstellen dat je begin volgende week hier binnenkomt om een chemokuur op te starten. Maar deze keer ter voorbereiding van de operatie. Adjuvante chemotherapie. Maandag ben ik er wel niet. Maar zou dinsdag in de ochtend voor u lukken? Dat is dan 8 januari, geloof ik,” zegt hij terug met een half oog gericht op zijn scherm. “Mag ik er nog eens over nadenken dokter? Ik zie normaliter volgende week maandag eerst nog het facial team van Professor Vermeersch.” “Ja, doet u maar. En laat mij dan weten wat de uitkomst is, ok?”

Ik sta recht en wankel naar buiten. Eenmaal buiten kan ik me in de gang niet meer recht houden zonder de steun van de muur. Ik leun tegen de muur met mijn rechterschouder en probeer met mijn linkerhand mijn hoofd helder te wrijven. Maar zelfs na enkele minuten kan ik nog altijd niet de muur los laten. De oncoloog vindt me zo terug wanneer ook hij de consultatieruimte verlaat. En voor het eerst toont hij openlijk een beetje empathie. Hij raakt langs achter lichtjes mijn linkerschouder aan en zegt: “Sterkte, mijnheer Hoskens.” Ik kijk hem schuin aan en reageer “Dank u, dank u, dokter. Het is gewoon allemaal even iets te veel om te behappen. “Komt u gewoon volgende week rustig binnen, mijnheer Hoskens. Dan kunnen we alles opstarten.”

Eenmaal terug bij Tin en de kinderen blijkt dat Ella, onze jongste, in de winkel van het ziekenhuis een plastieken kneedbal op het oog heeft. Het is eigenlijk voor geneeskundig gebruik, om een hand of een pols terug te versoepelen na een operatie, maar past volledig in die hype van het moment onder meisjes van haar leeftijd, de hype van de zelfgemaakte slijm. Ook daar is, als ik het goed begrijp, het tactiele genot van het aanraken van die viscose materie eigenlijk de essentie van de zaak. Maar beter dat dan al die gewelddadige videospelletjes die de mannelijke snotapen van hun leeftijd spelen. Tin merkt hoezeer ik van de kaart ben en vraagt, terwijl de kinderen met de bankkaart het object van hun dromen gaan kopen, wat de oncoloog juist gezegd heeft. Ik antwoord: “Het ziet er keislecht uit Tin. Hij denkt dat het al te laat is voor een operatie. Dat het enige dat we nog kunnen doen, het opstarten van de chemo is. En dan ook nog eens, volgens hem, met weinig kans op succes. Dat arrogante Gasthuisberg en die zelfvoldane Professor Mombaerts hebben mij kapot gemaakt. Het gaat alleen nog een tijdje duren voor het effectief zover is. Dat is toch gewoon allemaal afschuwelijk?!” In één adem stel ik voor om onmiddellijk terug naar huis te gaan. Natuurlijk ziet Tin het ondertussen ook al helemaal niet meer zitten om er nog een gezellig uitstapje van te maken. Op weg naar de auto vraag ik haar of zij niet wil rijden. Zeg dat ik niet in staat ben om nu zelf en opnieuw die 72 lange kilometers naar huis te rijden. Net wanneer ze van het stalen parkingmonster afrijdt, begint op de radio die ene wereldsong ‘Zij gelooft in mij’ van Andre Hazes zaliger. De oranje lichtjes van de auto en de snelweg begeleiden ons opnieuw tot thuis. En het is raar, maar de heks is er niet meer. Er is enkel die nacht nog die met elke kilometer donkerder en donkerder wordt.

2 januari 2019 – Wat een engelbewaarder allemaal niet lijden kan

Mijn twee engelbewaarders zijn terug in actie geschoten. Op 31 december al, aan de vooravond van oudejaar, stuurt Yvo me een mail met de vraag of ik al iets gehoord heb van het facial team. Onder de indruk van zijn timing vraag ik me deze keer af of hij bewust zo’n communicaties doet op een moment als dit. Zodat op zijn minst toch al die feestavonden al minstens gedeeltelijk gered worden. Stel je voor dat die ongelukkige ineens begint te wenen aan de feesttafel. Eén simpele vraag, één klein zinnetje in een mail en dat gevaar is geweken voor die beklagenswaardige disgenoten. En een klein beetje hoop is weer geplant in het hoofd van die patiënt en kan daar rustig zijn werk doen. In mijn geval: ik kan weer lachen voor een uur of twaalf. Ik antwoord van niet en laat hem terloops weten dat ik op 3 januari terug bij de oncoloog van AZ Middelares moet zijn. En dat het inderdaad misschien toch wel handig zou zijn om voordien al iets te vernemen van het facial team. Zodat ik op zijn minst weet wat daar de voorgestelde volgende stappen zijn.

Op 2 januari in de ochtend dan, er zijn nog mensen zat naar huis aan het gaan na meerdere dagen feesten, vraagt Willem me via mail of ik al iets gehoord heb van het facial team. Alsof hij en Yvo onderling afgesproken hebben om mij afwisselend te ondersteunen, de ene op oudejaar, de andere op tweede nieuwjaarsdag. De lieverds. Ik antwoord dankbaar van niet. Dankbaar ook omdat hij, in navolging van Yvo, er zelf over begint. Na een week twijfelen weet ik nog altijd niet hoe ik er zelf over moet beginnen tegenover hen, na alles wat ze al gedaan hebben voor mij. Ook opgelucht omdat ik nu morgen al mijn opvolgingsafspraak heb met de oncoloog van het AZ Middelares en ik dus totaal geen idee heb wat ik tegen die man ga kunnen of moeten zeggen over de UZ Gent piste. Willem antwoordt dat hij persoonlijk eens gaat checken wat er juist aan de hand is en mij zo snel mogelijk iets gaat laten weten.

Dan, rond de middag diezelfde dag nog, stuurt Yvo mij het verlossende bericht dat Nicolas Dhooghe, de plastisch chirurg, die namiddag nog mij gaat contacteren. En inderdaad rond half vijf begint mijn iPhone de begintune van ‘Gimme shelter’ van de Rolling Stones af te spelen, mijn al meer dan 10 jaar geleden zelfgekozen dial tone. Nicolas Dhooghe stelt zich kort voor en vraagt of ik op maandag 7 januari om 11u30 kan langskomen om samen met het facial team het behandelingsplan te bespreken. Hij excuseert zich ook dat het even geduurd heeft maar zegt dat er ondertussen ook wel al hard gewerkt is op mijn casus. Dat alle nodige informatie verzameld is geweest en dat de eerste overlegrondes binnen de verschillende teams opgestart zijn. Bij elk woord van hem gaat er een golf van opluchting door mijn lichaam. Er wordt écht gewerkt op mijn casus! Het was helemaal geen droom! Er zijn mensen dé facto mee bezig! En ik mag volgende week maandag al langs komen om te bespreken wat er gedaan moet worden. Onmiddellijk na het telefonisch gesprek stuur ik een nieuwe mail naar Yvo en Willem om hen opnieuw uitvoerig te bedanken en aan mijn opluchting deelachtig te maken. Ze is zo groot dat ik even overweeg om mijn dankbaarheid in natura vorm te geven maar bedenk me dan dat heteroseksuele mannen onderling best niet zo’n dingen doen. 

Maar het ene probleem is nog niet opgelost of het andere duikt al weer op. Nu vraag ik me weer af of, als ik op 7 januari naar het facial team moet, het dan nog zin heeft om morgen, op 3 januari, naar die oncoloog van het AZ Maria Middelares te gaan? Bovendien, flitst er plots door mijn hoofd, hoe gaan die mensen wel niet reageren als ze te weten komen dat ik ondertussen ook in het UZ Gent opgevolgd word? Gaan die niet een beetje ambetant zijn? In de wereld waar ik vandaan kom, die harde bedrijfswereld met de vrije markten, zou zo’n ontwikkeling alvast een hevige discussie over de eigendom van de klant opleveren. Met op zijn minst een eis voor schadeloosstelling van misgelopen inkomsten. Willem antwoordt echter dat ik me daar totaal geen zorgen over moet maken. Of nog straffer, dat zowel Decock als de oncoloog van het AZ Middelares al hebben aangegeven dat ze akkoord gaan met een ingreep van Professor Vermeersch. Wat betreft de tweede vraag, of het nu nog de moeite loont om naar de opvolgingsafspraak te gaan met de oncoloog, stelt hij echter even kordaat van ja. Misschien dat ik nog wat extra informatie kan krijgen van de biopsie of zo, zegt hij. Bovendien is het niet omdat de chirurgische ingreep, als alles goed verloopt, door Professor Vermeersch zal uitgevoerd worden dat misschien de eventuele nabehandeling, indien zoiets aangewezen is, niet in het AZ Middelares kan gebeuren. Of al is het maar uit erkentelijkheid voor alles wat ze tot nu toe voor mij gedaan hebben. “Want ze hebben jou toch snel geholpen, niet Patrick?,” besluit hij. Ik ga onmiddellijk akkoord en antwoord terug via mail: “Amai nog niet, snel én adequaat geholpen. Heel professioneel ook. In die mate dat ik het zelfs jammer vind dat ik niet in het AZ Middelares zelf geopereerd kan worden. Dus ik zal daar zeker naartoe gaan! Bedankt voor de feedback weer Willem! Maar op de duur weet een mens het niet meer. Ik denk vooral dat wij, patiënten, nog altijd te veel jullie geneesheren als eilandjes zien. Wij beseffen niet dat tussen ziekenhuizen en specialisten zulke contacten rond specifieke medische dossiers plaats vinden. En dat doorverwijzingen tussen ziekenhuizen zo vlot kunnen verlopen is pas echt toppie! Daar kan Gasthuisberg precies ook al een puntje aan zuigen. Terwijl het daar zogezegd allemaal al verenigd is in één ziekenhuis. Wat een gigantische janboel is me dat daar toch.”

31 december 2018 – Tristan en Isolde

Het is weer zover. Weer loopt een jaar op zijn einde. En omdat we niet in Boedapest zitten, hebben we aan Tim en Isa gevraagd of we bij hen oudejaar mogen komen vieren. De afgelopen jaren, als we dan toch een keer niet het land verlaten hadden, ik schat dat het nu de derde keer is op bijna twaalf jaar tijd, waren zij telkens het ideale Plan B voor ons. En wij ook voor hen, denk ik. Ideaal omwille van, zoals zo vaak bij die jonge gezinnen, de kinderen: zij hebben d’r twee en wij hebben d’r twee, van ongeveer dezelfde leeftijd en alle vier zijn het lieve, zorgzame en fantasierijke kinderen. Geen opgefokte kinderen die absoluut hun superioriteit willen bewijzen door dingen kapot te maken. Met gedoogsteun van de trotse ouders. Neen, vier kinderen die kunnen communiceren en heel goed met elkaar kunnen opschieten. Ideaal ook omwille van de afstand. Zij wonen in Schaarbeek, wij in Kortenberg. Ik schat, in vogelvlucht, op maximum 10 kilometer afstand van mekaar. Met zo’n korte afstand behoort enige alcoholconsumptie tot de mogelijkheden. En zeg nu zelf, hoe oudejaar vieren zonder alcohol? Zeker als de gastheer ook nog eens over een fantastische wijnkelder beschikt. Want ideaal ook omwille van de locatie. Oudejaar vieren we altijd bij Tim en Isa thuis. In hun prachtig herenhuis. Niet dat ons huis niet mooi is. Maar dat van hun past toch iets beter bij de feestelijke aangelegenheid die oudejaarsavond toch is. In ruil, dat is door de jaren zo’n beetje stilzwijgend overeengekomen, organiseren wij minstens één keer per jaar een fantastische barbecue bij ons thuis. Want wij hebben misschien geen herenhuis maar wel een prachtige tuin in de zomer, daar bij ons op den verre boerenbuiten. 

Ideaal ook omwille van de kookkunsten van Tim en Isa. Tim is een getalenteerd amateur-kok die zelf ook graag veel en lekker eet. Zo een van die mensen ook die zo veel mag eten als hij wilt, hij blijft even slank. Maar vooral, vooral, vooral, is Isa van Italiaanse afkomst. En niet zomaar van Italiaanse afkomst, maar afkomstig van de mooiste stad van la mia Italia: Siena! Wat betekent dat ze minstens de primo piatto voor eigen rekening neemt en dat tegen dat het hoofdgerecht op tafel verschijnt ik al in de zevende hemel zit. Het toeval wilt dat Tim – alhoewel is dat wel toeval? Ik denk het niet. Ik denk dat dat pure lotsbestemming is – afkomstig is van de mooiste stad van België: Brugge. Of neen, correctie, eigenlijk is hij afkomstig van Nieuwpoort, maar hij is naar de middelbare school gegaan in Brugge en zoals bijna alle West-Vlamingen beschouwt hij Brugge toch als zijn referentiestad. Een beetje zoals Tin en ik met Antwerpen van Ongs doen. En dat Isa net van Siena komt en Wim net van Brugge, dat moet dus echt het fatum zijn. Want beide steden zijn niet alleen de mooiste van hun land, ze zijn ook van alle steden in hun land min of meer de naam waardig, het meest verstard in de tijd. Waar dat je in Brugge elk moment een jonkvrouwe met zo’n middeleeuwse punthoed op verwacht in een bootje op de reien vergezeld van enkele zwanen, verwacht je in Siena elk moment zo’n ridder of een condottiero op een paard die met kletterende hoefijzers en wapperende banier door de straten dendert op zoek naar de zoveelste veldslag met Firenze. 

Bovendien is er geen volk waarmee wij, Vlamingen, meer gemeenschappelijk hebben, dan met de Italianen. Wij delen dezelfde aandoenlijke naïviteit, dezelfde openheid naar de rest van de wereld toe, houden beiden ontzettend veel van lekker eten en verafschuwen chi chi maniertjes, stammen allemaal af van boeren want de nobelen zijn al lang verdwenen met de noorderzon, en zijn meer bezig met de verschillen en conflicten tussen onze eigen steden en regio’s dan met die ene allesoverkoepelende staat die ons allemaal niet zoveel zegt, behalve als het voetbal is. En dit allemaal geldt des te meer voor de fiere Toscanen en West-Vlamingen. Bovendien gaan deze twee bevolkingsgroepen dan ook nog eens beide gebukt onder dezelfde zware historisch-culturele verantwoordelijkheden, zoals, om er maar één te noemen, de geboortewieg zijn van hun respectievelijk taalgebied. Het officiële Italiaans zijnde oorspronkelijk het Toscaans en wij Vlamingen en vooral de Nederlanders, die zonder verloren zouden zijn, kunnen enkel God en misschien ook Brabant danken dat de gutturale keelklanken, de g en vooral de h, toch behouden gebleven zijn in het Nederlands ondanks dingen als de ‘Geilige Heest.’ 

Van leden van zo’n trotse volkeren kun je niet verwachten dat bescheidenheid hun grootste troef is. Wat op zijn beurt dan weer leidt tot de nodige, af en toe rumoerige conflicten. Voeg daar nog een stevige scheut koppigheid aan toe en ik kan jullie verzekeren dat een mens zich bij Tim en Isa nooit verveelt. De meest hoogoplopende discussies gaan natuurlijk net over al die dingen die hen zo na aan het hart liggen. Vergelijkingen tussen Brugge en Siena zijn dan ook uit den boze. En het onderwerp koken wordt liefst ook vermeden. Hetgeen niet zo eenvoudig is aan zo’n rijkelijk gevulde feesttafel. Maar in tegenstelling tot hun twee oerhelden – als echte Wagnerfanaten, tot en met bezoekjes aan zijn muziektempel te Bayreuth, inclusief het Bayreuthfestival zelf – Tristan und Isolde, hebben Tim en Isa tot nu toe alle interculturele spanningen overleefd. Waarvoor iedereen die hen kent de schikgodinnen dankbaar is.

Tim en ik hebben elkaar leren kennen bij het opstartende Telenet toen we daar samen werkten op de marketingafdeling rond de eeuwwisseling. Zelfs de euro bestond nog niet. Zo ver gaan wij terug in de tijd. Lange tijd was hij een van de bergwandelaars ook. Maar sinds zijn knie begint op te zwellen voor niets is hij afgehaakt.  Liever dat dan naar de dokter gaan, zegt hij zonder woorden. Dat hij een goede vriend ging worden was echter vanaf het begin duidelijk. We houden beiden van intellectuele uitdagingen, zoals een stevige discussie over een boeiend onderwerp op tijd en stond, aangevuld met een scheut intermenselijke lichaamswarmte, liefst zonder elkaar aan te raken. Wat niet wilt zeggen dat er geen verschillen zijn. Zo zit hij tijdens het werk altijd piekfijn in het maatpak. Terwijl ik al eens in een t-shirt durf te verschijnen op kantoor. En waar dat de Hoskensen allemaal dezelfde boerenstam hebben die terug gaat tot in Retie of Corsendonk, stamt hij rechtstreeks af van een lange rij notabele tandartsen. 

Maar onze vriendschap is een wetenschappelijk bewijs dat inhoud belangrijker is dan vorm. En alhoewel de discussies tussen ons soms best pittig kunnen worden, blijft een gevoel van mateloze liefde altijd overheersen. Soms sluipt er wel enige twijfel in onze relatie. Omdat wij elkaar ook niet zo vaak zien. Drukkertje druk dat we zijn. Maar als ik hem en zijn brede lach dan terug zie, vooral die opgeblazen breedsmoelkikkerlach van hem waarmee hij aangeeft iets belachelijk te vinden, wakkert mijn liefde telkens weer op en heb ik alleen maar zin om hem te knuffelen. En anders zijn er onze bezigheden wel die ons telkens weer op een of andere manier doen samen vallen. Zo was zijn laatste exploot op zich al voldoende reden voor mij om hem te blijven koesteren: zeg nu zelf, iemand die een Japans kunstboek over de psychologische impact van kleuren begint te lezen met de hulp van Google Translate, aan een tempo van één pagina per dag, die moet toch al even zot zijn als ikzelf? 

Wat Tim en Isa als koppel vooral uitzonderlijk maakt is de warmte die ze samen uitstralen. Hier, in dit huis, wordt niemand veroordeeld of zelfs beoordeeld. Tenzij het een klootzak of een trut is. Dan moeten ze niet meer terug komen. Maar voor de rest: alles kan en alles mag want we zijn allen mensen, zwak en lief tegelijkertijd. Wat voor Tin, en dus ook voor mij, ontzettend belangrijk is. Want hierdoor gebeuren er in die mooie stadswoning geen lelijke dingen, zoals een kind dat net iets te grof op zijn plaats gezet wordt of gewoon straal genegeerd wordt terwijl het om aandacht schreeuwt, of een vuile opmerking langs de neus weg gelanceerd wordt maar toch met de bedoeling om goed te raken in de onderbuik, hetgeen bij Tin, hypersensitief als ze is, enorm uitvergroot wordt alsof ze een gevoelsversterker heeft zitten in haar hoofd. In die mate zelfs dat ze er zelf van kapot is. Ook als het allemaal gericht is aan een hamster die in een hoek van de kamer in haar rad onverschillig wat staat rond te draaien. 

Ook nu weer klikt het bijzonder goed tussen ons allemaal. De kinderen vallen na een half uurtje aperitieven al niet meer te bekennen en Tim en Isa zijn weer zo lief en warm dat we ons al direct lekker thuis voelen. Natuurlijk komt mijn ziekte ter sprake en vooral wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg, maar Isa weet me al direct met grote stelligheid te zeggen dat kanker in de regio van het oog goed te genezen valt omdat om een of andere reden er minder snel een metastase van komt. Dixit haar moeder toch. Zelf geloof ik er niet veel van en zeg dat ook, zeg dat alles wat er misgelopen is bij Gasthuisberg misschien wel mijn leven gaat kosten, een jaar tijdverlies plus de verkeerde operatie is toch meer dan genoeg voor een meer ingewikkelde vorm van metastase of niet soms, maar ik ben haar gewoon dankbaar voor de woorden van hoop. Het eten is zoals altijd weer superlekker en de wijn nog beter. Rond een uur of elf is er een optreden van hun zoontje van 8 jaar die viool leert. Het blijft verbazen met wat voor een sérieux hij het instrument onder zijn kin stopt en dan een gans stuk te berde brengt zonder te stoppen. Een kind van acht jaar. Zou dat aangeboren zijn, zo’n gedisciplineerd inlevingsvermogen? En om twaalf uur volgt natuurlijk de grote apotheose. Sinds de verbouwingen aan hun huis hebben ze een groot dakterras van waar je zicht hebt op de Brusiliatoren en dus het vuurwerk boven het Josaphatpark kunt aanschouwen. Zoals steeds worden de kinderen hyperenthousiast wanneer we aan het aftellen beginnen. En wanneer het vuurwerk dan eindelijk losbarst, vliegen ook de kusjes en de wensen in het rond. Het is hier dat ik even het masker van de avond moet los laten en even uit mijn rol val. Want terwijl Tim en Isa hun uiterste best doen om vrolijk en met de champagne in het hand het Nieuwe Jaar welkom te heten, kan ik het niet laten om me de vraag te stellen of dit niet het laatste Nieuwjaarsvuurwerk gaat zijn voor mij? Of ik er volgend jaar nog wel bij zal zijn, bij deze vrolijke feestbende? En wat gaat dit nieuwe jaar voor mij allemaal niet in petto hebben? ‘Een Gelukkig Nieuwjaar’ lijkt mij in ieder geval in deze omstandigheden een vreemd ding om te wensen. Maar ze zouden Tim en Isa niet zijn als ze zichzelf die vraag ook niet zouden stellen. Ik zie en voel ze kijken in het donker naar mij, met behoedzame ogen, hun gelaat half opgelicht door het vele vuurwerk. Kijken of het wel lukt en of het wel past nu al dat gevier en al die toasts. Tin, die, die ziet zelfs zonder te kijken dat ik het even moeilijk heb.

30 december 2018 – De langste nacht

Goed, ik weet dat er mensen op aan het werken zijn. En dat we nog altijd maar de eerste week van de Kerstvakantie zijn. Maar ik heb nog altijd niets van hen gehoord. En zolang ik niets van hen gehoord heb, weet ik toch ook niet zeker of ze mij wel echt gaan kunnen helpen? Is die joekel van een gezwel naast mijn linkeroog bijvoorbeeld nog wel ‘behandelbaar’? Zelfs zonder uitzaaiingen? Want het is niet omdat het ding primair is dat er plots geen probleem meer zou zijn, of wel soms? Ze kunnen in ieder geval moeilijk mijn kop afzagen om zo verdere verspreiding te voorkomen. En zelfs als er nu nog geen uitzaaiingen zijn, hoe zit dat met die microschilfers? Die onnoemelijk kleine kankercelletjes die op de duur los komen van het moederschip en zich daarna verspreiden door het lichaam via het lymfestelsel of de bloedvaten? Of hoe zit het met die fase tussen één gezwel op één plaats en vele gezwellen op verschillende plaatsen? God zij dank heb ik blijkbaar nu nog geen gezwellen op andere plaatsen, maar misschien zit mijn lichaam op dit moment al vol met van die schilfers, op zoek naar een nieuwe locatie om zich te nestelen en zich nadien lekker tegoed te doen aan mijn organisme. Zot ben ik aan het worden van al deze vragen en angsten in mijn hoofd. 

Ettelijke keren sta ik op het punt om te mailen, of nog erger, te bellen naar Yvo of Willem. Maar telkens geneer ik me dood. Ze hebben al zoveel gedaan voor mij en ook voor hen is het nu Kerstvakantie. Wat ga ik dan wat beginnen mailen of bellen en hen lastig vallen omdat het allemaal niet snel genoeg zou gaan? Omdat ik geen tijd meer zou hebben om te wachten? Waarom zouden zij in de Kerstvakantie de rommel snel snel moeten opkuisen die die incompetente en arrogante Ilse Mombaerts en dat Gasthuisberg van mijn kloten, dat monster van een medisch instituut van de KU Leuven boven op de berg, veroorzaakt hebben? Die hun werk eerst al niet goed gedaan hebben en daarna alles gewoon hebben laten aanmodderen?

Hetgeen het helemaal ondraaglijk maakt, is dat er sinds kort weer een nieuwe gewaarwording bijgekomen is. Sinds een dag of drie ervaar ik ter hoogte van mijn wenkbrauw zo van die elektrische zenuwspasmen. Alsof er zich daar een kikker bevindt die gevivisecteerd is en waar men nu met elektrische schokken probeert te checken of een van die kikkerbillen zich nog samentrekt zoals het hoort. En soms wordt het nog erger want dan heb ik het gevoel dat het niet gewoon in de wenkbrauw zit maar nog dieper; in de sinus al of zo. En is die kanker zich al een weg aan het banen richting hersenen. Of zich al minstens in het bot van de oogkas aan het ingraven. En hoe doen ze dat, een oogkas wegzagen? Hoe maak je een gat in een holte? Waarschijnlijk maken ze het gat gewoon groter. Met de laser, zoals in Star Wars. Bot of geen bot, zelfs titanium gaat dat ding lossendoor. En valt er dan soms niets uit? Een stuk van de hersenen? Het stuk met mijn taalknobbels? En is het gedaan met mijn polyglot gekoketteer? Of nog erger, mijn kritisch vermogen? En word ik voor een jaar of twee nog een kwijlend debieltje? Voor zover ik dat al niet ben.

Gelukkig zijn Tin en de kinderen er om mij wat af te leiden. Ook thuis. Want je kan niet elke dag een stad bezoeken. Het is vreemd hoe dat zelfs maar half uitgesproken zinnen of half uitgevoerde huishoudelijke taken zo veel rust kunnen brengen. Gewoon omdat ze door jezelf of je huisgenoten geopperd of uitgevoerd worden. Gewoon de wetenschap dat dit allemaal gebeurt en dat je daaraan participeert, al is het maar door aanwezig te zijn, geeft zin aan het leven. Meer hoeft dat niet te zijn dat leven. Al die grote dromen stellen niets voor in vergelijking met dat vuil bestek in die afwasbak en dat stuk taart dat daar staat uit te drogen. De stomste huishoudelijke taak geeft meer zin aan dit leven dan Eerste Minister zijn of CEO van om het even welk bedrijf. Ik heb eigenlijk altijd al geweten dat die huisvrouwen stiekem gelijk hadden. Thuis is waar het te doen is. Al de rest is opvulling. Het is daar dat ons leven zin en structuur krijgt, bepaalt wordt wie of wat we zijn. Maar ik heb tot nu toe wel nooit beseft dat ik tot op zo’n microniveau bepaald word door mijn directe omgeving. Die idee dat we allemaal los staan van elkaar, eilandjes zijn voor elkaar, klopt dus maar gedeeltelijk. Ja, het klopt als het gaat over onze diepste verlangens. We weten zelf al niet zo goed wat we allemaal wel willen. Laat staan dat we zouden kunnen controleren wat er allemaal in ons omgaat. Wie zou er dan in staat zijn om, in deze omstandigheden, zijn of haar zielenroerselen op tafel te leggen en even voor te leggen aan al die dierbaren? Kwade tongen beweren steevast dat we niet durven. Maar het is geen kwestie van durf. Het is een kwestie van onmacht. We delen wat we kunnen maar veel is het niet. En uiteindelijk doen we allemaal toch gewoon onze goesting. Maar dat van die eilandjes klopt dus niet als het gaat over onze identiteit, over wie of wat we zijn, over waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Zonder de anderen zijn we een vat chaos, vol angsten en dromen. Het zijn zij die zeggen wie we zijn. Zelf lullen we er maar wat op los.

29 december 2018 – Van waar komt het?

Het thema dat volgens de boekskes iedereen bezig houdt die de diagnose ‘kanker’ te horen krijgt, houdt mij in deze Kerstperiode ook bezig: waar komt die kanker in godsnaam vandaan? Naast de allesverterende wanhoop en de zich opstapelende haatgevoelens naar een zekere Ilse Mombaerts (‘Professor’ is ze niet langer waardig genoemd te worden, vind ik) en het arrogante Gasthuisberg toe, is het mijn belangrijkste tijdverdrijf op dit moment. Niet dat ik daar constant mee bezig ben. Integendeel zelfs. Er is maar één ding dat constant is en dat is de wanhoop. Die is altijd aanwezig. Dan, op de tweede plaats, komt de haat en de kwaadheid. Die slaagt er zelfs in om af en toe de wanhoop te doorbreken. En pas daarna, op de laatste plaats, komen de mogelijke oorzaken van de kanker. Die springen telkens weer als individuele feitjes onverwacht in mijn hoofd. Begeleid door de vraag: “Zou het dat soms kunnen zijn?” Het duurt dan een minuut of twee om het ding te overwegen, te bekijken langs alle mogelijke kanten en dan te catalogeren als totaal irrelevant want die kanker zit daar toch al aan mijn oog. De wanhoop terug toe te laten en alles te laten overspoelen als de tsunami dat dat monster telkens weer is. Bijkomend probleem bij dit alles: de lijst van mogelijke oorzaken die eindeloos is en dus niet afgewerkt geraakt. Bovendien blijft alles terugkomen. Dingen die je op een bepaald moment afschrijft als onzin komen even later dan toch weer terug als absolute zekerheden. En zo gaat het maar door.

Ik wil jullie echter de belangrijkste van deze bespiegelingen niet onthouden. Als het iets aantoont is het hoe belachelijk een mens wel niet kan zijn en dat is toch een les die we altijd en onder alle omstandigheden moeten blijven onthouden. Daarom, de theorieën die opgeld doen tijdens deze langste nacht, zijn de volgende:

  • Zou het van het zwemmen kunnen komen? Zoals eerder gezegd heb ik door het zwemmen, door mijn spannend Speedo Merit zwembrilletje, het gezwel voor het eerst ontdekt, begin dit jaar al. Bij het afzetten van dat brilletje was er plots die pijnlijke bobbel. Zou het kunnen dat al die brilletjes, die ik ooit versleten heb, te hard spanden en een of andere smeerlapperij klem gezet hebben in een traankanaal? Iets dat daar zo ambetant van werd dat het op de duur geopteerd heeft voor het opstarten van een goede oude kankercelproductie? Iedereen die ooit gezwommen heeft met een zwembrilletje, weet wat ik bedoel, met de rode randen van het zwembrilletje die afgedrukt staan op je gezicht rond je pijnlijke oogballen. Of zat er soms vuiligheid in het zwembad en werd dat samengedrukt in mijn traanzakje aan de linkerkant? Een tijdje geleden is mijn favoriet zwembad in ieder geval een tijdje gesloten geweest omdat het valse plafond begon in te storten. En dat daar rommel in kan zitten zoals asbest is algemeen geweten. 
  • Of zou het kunnen dat het van de vakantie in Corsica komt, twee jaar geleden? Van die laatste dag aan de zee? Zoals zo vaak gingen we d’r nog eens één keer, de laatste keer, voor een goei bruin coucheke op het strand en ik herinner me alsof het gisteren was dat net op het moment dat we terug op weg naar onze tent vertrokken hoog in de bergen, we zaten net in de wagen, ik een hele korte, maar heel intense pijn voelde aan de zijkant van mijn neus, de linkerzijkant bovendien. Zo intens alvast dat ik ernaar greep met mijn hand en dat ik erover begon te praten tegen Tin. Het was alsof er plots een naald in de zijkant van mijn neus werd gestoken. Even snel als hij gekomen was, was hij echter weer weg en sindsdien heb ik er totaal niet meer aan gedacht. Tot nu. 
  • Of zou het nog verder terug gaan in de tijd en van mijn vader komen die als belangrijkste hobby zijn konijnen in zijn konijnenkot had? En die die lustig inspoot met alles wat hij dacht dat ze nodig hadden? Tegen de konijnenziekte enzovoort? In die gloriejaren van de pharmaindustrie, de jaren ‘60 en ‘70? En elke zondagmiddag aten wij konijn aan de grote eettafel. Superlekker, maar god weet wat er allemaal in zat. Ik heb in ieder geval nooit bij ons thuis een dierenarts gezien. 
  • Of zou het van Tsjernobyl komen? Toen ik in de nacht van 1 Mei 1986, aan het begin van dat verlengd weekend, in de gietende regen terug naar huis fietste aan de Kastelein, lichtjes aangeschoten wel? Om dan pas de dag nadien op de radio te horen dat er die nacht een radioactieve wolk over ons land getrokken was, afkomstig uit de steppen van de Sovjet-Unie. Niet langer ernstig radioactief, werd er in één adem aan toegevoegd, maar toch verzwegen tot dan door de Europese en nationale bewindvoerders. Waarom mensen ongerust maken als het niet nodig is, niet?
  • Of komt het van het snutten? Ik hoor nu al iedereen denken: het snutten? Maar sinds een jaar of twee al probeer ik, wanneer ik met de fiets naar het werk ga of terug, te leren snutten zoals mijn grootvader zaliger dat deed; zo met de duim van een hand het ene neusgat toeknijpen en dan zo hard als mogelijk blazen door het andere gat. Zodat je de snot lekker weg ziet vliegen. Alleen moet je je hand op tijd weg trekken of ze hangt zelf helemaal vol met slijm. En dat is niet de bedoeling. Alhoewel. Als ik het echt zoals Vaderhoskens wilde doen had ik de snot misschien net wel moeten opvangen. Want hij deed dat onder andere wanneer hij een groot stuk grond moest omschuppen en de geruchten gaan dat hij dan zijn snot gebruikte om de grip van zijn handen stevig te houden. De volgende generatie, die tufte gewoon in zijn handen, om hetzelfde doel te bereiken. En mijn generatie vind dat allemaal, snutten én tuffen, nu al veel te vies. Jakkes, wat al die boeren voor ons allemaal niet deden. Zo snel gaat dat. Maar ik heb het dus nooit echt goed gekunnen, zo vliegend snot snutten. Rechts ging het wel. Daar lukte het me al een tijdje om er een stevige snottebel door te jagen. Maar links is het nog altijd alsof die riolering in mijn neus niet goed in mekaar steekt. Dat er ergens een obstakel zit dat alles blokkeert. En misschien is dat wel dat gezwel en heb ik dat gewoon wakker geschud met al mijn gesnut?
  • Of komt het soms van die ene keer dat ik wat centen nodig had en, zonder enige kennis of ervaring, de houten vloeren van een burgerwoning uit de jaren vijftig heb zitten proper maken met een schuurmachine? Omdat daar een zwarte smurrie ophing die vroeger diende om de linoleum perfect te doen aansluiten? Allemaal in het zwart natuurlijk, maar deze halsdaad is ondertussen zeker verjaard, dus ik mag dat hier rustig bekennen. Allez, als op ontwijking van de belastingen tot in de miljoenen of zelfs miljarden euros een verjaringstermijn van slechts enkele jaren staat, zal zo’n student die wat bijverdient zich geen zorgen moeten maken, veronderstel ik. En dan zeker een student zonder enige ervaring. Want het was pas nadat de dochter van de nieuwe huiseigenaars even was langs gekomen dat ik plots een mondmasker en een stofbril kreeg aangeboden.
  • Of zou het dan toch nog van mijn roken komen? Tot bijna 20 jaar geleden was ik een verstokte roker. Net zoals alle mannelijke en de meeste vrouwelijke leden van de familie. Maar toen, in 1999, na een jaar of twee verminderen, had ik er plots helemaal genoeg van. En iets wat ik nooit voor mogelijk gehouden had, gebeurde dan toch: ik stopte met roken. Volledig. Maar hier vraag me nu af of ik daar wel goed aan gedaan heb. Mijn vader en mijn oudere broer zijn ook dikwijls gestopt. Maar altijd terug begonnen. Zij hebben echter geen kanker gekregen. Misschien is roken ook wel ergens goed tegen kanker? Is dat hoesten ‘s morgens, alsof je ter plekke ofwel gaat stikken in je slijmen ofwel een hartaanval gaat krijgen terwijl je probeert hen open te rijten met lucht, eigenlijk gezond? Kwestie van de luchtwegen eens goed open te zetten en leeg te blazen? Een beetje zoals met die nieuwe Dyson stofzuigers tegenwoordig? Daar heb je ook geen stofzakken meer nodig.

En zo blijven alle mogelijke oorzaken maar malen door mijn hoofd. Steeds weer opnieuw. Enkel de theorie van ‘het niet genoeg geweend hebben’, heb ik ondertussen kunnen laten varen. Wat dat is pas echt totale onzin. Alsof ik niet genoeg afgezien zou hebben in dit met chemische spul alom vervuild, slijkerig tranendal. Daar zal ik eens goed mee lachen, zie.

28 december 2018 – Vriendenbezoek

Wel hartverwarmend tijdens deze helse periode, zijn de goede vrienden die op ziekenbezoek komen, vaak met de ganse familie. Sommigen zijn nog nooit zo ‘altegaar’ afgekomen, anderen nog nooit zonder te komen eten. Maar nu komen ze allen af tijdens de namiddag. Om plechtig samen aan de tafel te zitten en te praten. Het is alsof de koffietafels van vroeger, met de tantes en de nonkels, terug zijn, maar dan zonder de tantes en de nonkels, en, meestal, zonder de taarten. Af en toe kunnen we het wel niet laten om bij de bakker naast de deur een lekkere frambozentaart met witte chocolade te gaan halen. Maar meestal houden we het op koffie en wat kleine versnaperingen zoals koekjes en chocolade. Meer is er niet nodig want het draait allemaal rond het praten. Waarover we praten is daarbij niet zo belangrijk. Het is het praten zelf dat telt. Dat we kunnen praten eigenlijk. En dat we het doen natuurlijk. Vrank en vrij. Maar vooral ook met liefde. Het is geen neutraal gebeuren dat praten. Het is een liefdesbetuiging. Elk woord, zelfs het meest onbeduidende, heeft belang en wordt gewikt en gewogen. Zelfs het afscheidswoord “tot de volgende keer”, kent een buitensporig belang want zal er nog wel een volgende keer zijn en zo ja, waar? Is dat geen uiting van een overdreven en absoluut geloof in mijn kunnen, dat ik dit alles sowieso ga overleven? Of is het een belofte? Een belofte om mij altijd op te zoeken, aan deze én aan gene kant van de dood. Wij gaan mekaar nooit in de steek laten, wij. Wij gaan er altijd zijn voor elkaar.

Een ander fenomeen dat zich voordoet tijdens deze vlucht in de nacht – op het eerste zicht een contradictie want de grondlaag is een totaal gebrek aan tijd (er is maar één ding dat telt en dat is zo snel mogelijk van dat gezwel afraken): die zeeën van tijd. Waar de afgelopen jaren een amorfe massa van plichten en bezigheden waren met tijd als de belangrijkste ontbrekende factor, zijn er nu plots zeeën van tijd. Het sleutelwoord hier is zeeën. Want het zicht is even weids als de zee, wanneer je terugkijkt op je ganse leven, op die lange periode die je kinder- en studietijd is tot en met de komst van je eigen kinderen en de roller coaster die je dan wacht. Maar het is vooral ook in de diepte, in het duiken, dat er nu plots zo veel tijd voorhanden is. Oneindig veel tijd. Zelfs seconden duren nu soms eeuwenlang. Of anders is het gewoon je beleving die anders is en krijgen de dingen waar je normaliter nauwelijks tijd voor hebt nu alle aandacht. Die boeddhisten of die shinto-Japanners zouden waarschijnlijk beginnen over die regendruppel die langzaam over de ruit naar beneden rolt. Maar wat mij als westerling opvalt is dat tijdens het vriendenbezoek zelfs koffie zetten en uitgieten uren mag duren. En elke druppel van die vers gemaakte koffie is meer waard dan alle regendruppels en zelfs alle koffies van het afgelopen jaar samen. Strelen met taal, dat is het, dat samen zijn en praten. Soms bekruipt mij wel het akelige gevoel dat het ook een manier is van afscheid nemen. Dat de kans dat we mekaar zo samen aan tafel nog eens terug gaan zien plots veel kleiner is geworden dan hij ooit geweest is. Dat het niet langer enkel van ons afhangt. En dat aan gene kant naar alle waarschijnlijkheid niet zoveel meer te beleven valt. Dan wordt de wanhoop weer eventjes groot. Maar dat gevoel overvalt me meestal wel pas achteraf. Als ze in de auto stappen en al wuivend vanuit de wagen terug vertrekken. Tijdens de bezoeken zelf kan ik me laven aan de weldaad van het samenzijn en even geloven dat alles in orde gaat komen. Want met zo’n vrienden kan dat niet anders. 

27 december 2018 – Antwerpen, ‘t Stad van Ongs

Ik word zot thuis. En als we dan toch niet naar Boedapest gaan, kunnen we misschien hier in de buurt wat steden bezoeken. Deze keer beslissen we naar Antwerpen te gaan. Gent hebben we enkele dagen geleden na de MRI-scan al bezocht en Brussel kunnen we elke dag bezoeken als we willen. Dus wordt het deze keer Antwerpen. Bovendien zijn wij, Tin en ik, officieel afkomstig uit het Antwerpse. Tenminste als je je Antwerpen zo groot voorstelt als de Antwerpenaars zelf doen. Zo groot als de provincie zelf dus plus linkeroever en omstreken. Minstens. Dus in zekere zin is het voor Tin en mij altijd een beetje thuis komen daar. En omdat we beiden van rommelmarkten en leuke winkeltjes houden – en jammer genoeg voor onze portefeuille onze dochters ondertussen ook – hebben we beslist nog eens de Kloosterstraat en omgeving af te schuimen.

Maar voor dat we dat gaan doen, gaan we eerst nog eens goed ontbijten in de Wasserette op het einde van de Vlaamsekaai. Het eten is net gearriveerd als mijn telefoon plots afgaat. ‘Opa’ verschijnt er op mijn scherm. Opgelucht neem ik op. Veel honger heb ik toch niet. Het is ook een goed excuus om even de drukte te ontvluchten van de draaiende wasmachines en de kwetterende mensen want qua echo zit dat hier toch niet snor in deze grote open ruimte. Voor een goed begrip, ‘Opa’ is de vader van Tin. Mijn grootouders liggen al lang onder de grond. Mijn ouders eigenlijk ook. We hebben haar ouders gisteren via een berichtje ingelicht over de diagnose en nu belt hij om mij een hart onder de riem te steken. Net zoals ik is hij verontwaardigd over de gang van zaken in Gasthuisberg, maar het feit dat ik kanker heb op zich is al even moeilijk te vatten voor hem als voor mij. Ik hoor het aan de onwennigheid in zijn stem. Ook voor hem is het bizar om als grootvader plots zijn schoonzoon moed te moeten inspreken omwille van een ernstige ziekte. Natuurgewijs of eerder chronologiewijs want dat monster, de natuur, doet gewoon zijn goesting, zou het andersom moeten zijn. 

Na het telefonisch gesprek verorber ik vlug de rest van het ontbijt en dan vertrekken we eindelijk op onze strooptocht door de Kloosterstraat. Sinds Sam en Ella, beiden, het shoppen ontdekt hebben, staat er geen maat meer op hun kooplust. En het aangename aan de Kloosterstraat is dat de klerenwinkels voortdurend afgewisseld worden met antiek- of pure brocante-zaakjes. Zodat iedereen er wat aan heeft, ook zij die ‘s ochtends hun kleren op een goede twee minuten kunnen aantrekken. Deze keer zijn we vooral op zoek naar een nieuwe bureaulamp voor Sam. Of beter gezegd, een nieuwe oude. Want in deze tijden van vintage zijn de echt nieuwe spullen ofwel veel te duur, ofwel veel te lelijk. Uiteindelijk zullen we er een vinden in zo’n echte brocantehandelaar van de Kloosterstraat. Zo ene met oude hockeysticks in een tinnen doos in het midden van de winkel en een oude houten kajak hangend aan de muur. Zelfs de lamp is duidelijk massavintageproductie. Deze keer is het dus niet gelukt om iets uitzonderlijks te vinden voor een belachelijk lage prijs. Maar we zijn er allen van overtuigd dat deze lamp wel mooi gaat staan op haar bureau in haar slaapkamer. Dus kan het ons niets schelen. 

Even verderop is het echter wel raak. En hoe. Ergens, ik weet zelfs niet meer waar het juist was, botsen we op een Kerst pop up store waar een sjacheraar alles aanbiedt aan 1 euro het stuk. Alles wat in de winkel staat dus. Aanwezig zijn, naast heel veel rommel; veel kleren, veel CD’s en DVD’s en veel boeken, meestal tweedehands. Maar wanneer we binnen komen valt mijn oog direct op twee dikke, rode boeken die zich zelfs nog steeds vlak bij elkaar bevinden in een grote kartonnen doos vlak aan de ingang. Ik herken hen direct. Het is de toenmalig zwaar gehypete uitgave van Nietzsche’s verzamelde werken uit mijn studietijd. Toen boeken nog heilig waren. Met een rode kaft rond. Band ein und zwei. Van uitgeverij Hanser. Met Nietzsche’s handtekening erop. Ze maakte enorm furore mid jaren tachtig en stond toen vijf jaar aan een stuk in de etalage van elke zichzelf respecterende boekenwinkel. En enkel deze ingebonden versie was beschikbaar. Zo chique was ze. Zelf had ik niet genoeg geld om ze te kopen. Telkens als ik aan een van die etalages passeerde, staken ze mijn ogen uit. En nu liggen ze hier voor mijn neus aan één euro het stuk. Ik kan het gewoon niet geloven. Gretig pak ik ze vast en begin ze te doorbladeren. Ze zijn nog in goede staat ook nog. Enkel hier en daar vind ik wat lichte potloodstreepjes terug van de vorige eigenaar. Gemakkelijk weg te gommen. Als in een trance ga ik met beide boeken naar de toog waarachter een oudere dame met grijs haar toezicht houdt. Ze probeert waarschijnlijk te vermijden dat de mensen al te veel rommel stelen uit de grote bakken. Zelf voel ik me al een dief bij de gedachte alleen al dat ik die boeken voor één euro het stuk ga kunnen kopen. Ik verwacht dan ook dat ze gaat reageren met “Zedde gaai zot?” wanneer ik vraag of ook die twee rode boeken maar 1 euro kosten. Maar tot mijn grote verbazing knikt ze gewoon met haar hoofd. Snel haal ik een stuk van twee euro tevoorschijn en bied het haar aan. Ik denk dat ze door de gretigheid waarmee ik tewerk ga, door heeft dat er hier een klein foutje is gebeurd door het management want ze aarzelt om het geld aan te nemen. Maar een woord is een woord, toch zeker in deze nijvere havenstad, en dus gaat de deal gewoon door. Apetrots wandel ik de straat op en voor het eerst sinds de diagnose heb ik het gevoel dat er toch nog enige rechtvaardigheid bestaat op deze wereld. De rest van de stadswandeling zit ik constant te neuzen in mijn nieuwe aankoop. En terug op weg naar de auto kan ik het niet laten om ostentatief met de twee rode boeken in mijn handen rond te lopen. Om te stoefen met de kleine schat die ik helemaal alleen gevonden heb en waar ik 100% recht op heb om die mee naar huis te nemen. En niet alleen omdat ik ze gekocht heb.