29 november 2018 17u30 – Christian Decock

Wanneer ik binnen stap, zit hij met de rug naar mij toe aan zijn PC. Hij vraagt mij te vertellen wat er gebeurd is en ik begin aan het lange vervolgverhaal. Terwijl ik voort vertel, stopt hij met typen, draait zich om en komt naar mij toe. Ik schat hem iets jonger dan mij, 45 of zo. Wanneer hij dicht genoeg genaderd is, betrekt zijn gezicht. Hij vraagt of hij een keer mag voelen. En ik weet niet waarom. Is het omdat hij zo stil, maar kordaat spreekt, of is het omdat hij zo rustig is, maar het kost me geen enkele moeite om ja te zeggen tegen hem. Als hij voelt aan de zwelling, begint hij te spreken met die rustige stem van hem. “Ik heb dit nog maar 1 keer gezien, denk ik.” Hij beseft het zelf niet, maar het feit dat hij het al één keer gezien heeft, brengt een golf van opluchting in mij teweeg. Of misschien voelt hij dit laatste wel en zegt hij om mijn verwachtingen te temperen, onmiddellijk nadien, “Bij een Turk. Hij had zich aan zijn oog laten opereren in Turkije en kreeg nadien ook zo’n enorme hoeveelheid littekenweefsel aan zijn oog.” Eerste wilde ik nog ludiek antwoorden: “Dat kan wel kloppen, het niveau van die oftalmologische dienst van Gasthuisberg is zeker niet beter dan die van een Turks ziekenhuis. Ze lijden beide aan hetzelfde probleem: een rabiaat geloof in de onfeilbaarheid van hun staats- en andere hoofden.” Die dokter Decock is duidelijk niet van Turkse afkomst, bleker en dunlippiger heb ik nog niet veel mensen gezien, dus persoonlijk zou hij het niet nemen. En hij zou vermoed ik, zo op het eerste zicht, de grap ook wel begrijpen, maar het woord ‘littekenweefsel’ doet mij anders besluiten: “Dan klopt dat misschien toch van dat ‘Zwart Bloed’?” De dunne lippen beginnen stilletjes te lachen. Hij zegt: “Zo zou ik het niet noemen. Maar ik denk inderdaad dat het littekenweefsel is. En,” voegt hij er direct een beetje bedenkelijk aan toe, “dat gaat wel niet zo simpel zijn om dat allemaal weg te werken. Dat gaat lang duren. En we gaan dat moeten doen met het lokaal zetten van spuiten. Dat gaat ook wat pijnlijk zijn.” Mijn opluchting van eindelijk een mogelijke piste te hebben, is zo groot dat ik zeg dat het voor mij allemaal ok is, zolang ik maar eindelijk van al die zever vanaf geraak. “Het heeft allemaal lang genoeg geduurd,” besluit ik.

Op dat moment komt zijn assistent binnen. Geen Diedeldie of Diedeldeine deze keer. Een al even sympathieke, rossige en goedlachse jonge man. En de manier waarop dokter Decock hem aanspreekt, is, na alles wat ik meegemaakt heb in Wonderland, zo direct, zo van mens tot mens, dat hij voorgoed mijn vertrouwen krijgt. Hij stelt me voor aan de assistent, herhaalt dan een beetje wat er voordien allemaal gezegd is, door mij en door hem, en zegt dan plots tegen de assistent: “Anders moet jij ook een keer voelen aan die zwelling.” Nog voor ik ook maar kan reageren, schakelt hij over naar mij en vraagt vriendelijk, opnieuw met die rustige, correcte stem: “Mag mijn assistent een keer voelen, mijnheer Hoskens? Zo vaak hebben we deze kans niet. Het zou voor hem een interessante ervaring zijn.” Opnieuw, alleen al het feit dat hij gewoon uitlegt waarom dat interessant zou kunnen zijn, is voor mij zo’n verademing, dat ik opnieuw zonder enig probleem ja kan antwoorden. En terwijl de assistent voelt aan mijn oog, blijft Decock hem richtlijnen geven en wisselen ze onderling gedachten uit. Wat een gemoedelijkheid heerst er hier in vergelijking met die ijskelder boven op de Gasthuisberg van Leuven.

Nadat de assistent terug de consultatieruimte verlaten heeft, vraag ik onmiddellijk aan dokter Decock wanneer we de behandeling kunnen beginnen. Dat het lang genoeg geduurd heeft, zal ondertussen wel duidelijk zijn. Tot mijn grote teleurstelling echter antwoordt hij: “Wacht nog even mijnheer Hoskens. Voor dat we die behandeling opstarten, wil ik wel eerst zeker zijn dat dit inderdaad hetzelfde probleem is als dat wat die Turk had. Daarom zou ik om te beginnen eerst een CT-scan willen laten uitvoeren. Zodat we op zijn minst al wat zicht krijgen op de juiste locatie en de grootte van die massa weefsel. En afhankelijk van de resultaten van die CT-scan gaan we misschien nog bijkomend onderzoek moeten doen. Misschien ook een biopsie zodat we vergissingen kunnen uitsluiten.” Hij beseft het weer niet, denk ik, maar na mijn dramatische passage aan Gasthuisberg, klink dit allemaal als muziek in de oren. Het voelt aan alsof we samen aan het walsen zijn in die kleine ruimte. Stap 1, 2, 3. Stap 1, 2, 3. Stap 1, is dit. Stap 2, is dat. Stap 3, is voor later. Consequent en logisch. Zo pakken we de dingen hier aan. Zonder zever. “Is dit ok voor u, mijnheer Hoskens?” “Meer dan ok, dank u.”

Decock staat recht en vraagt: “Kunt u even mee komen?” Hij neemt me mee naar een klein kantoortje, vlak voor zijn bureau, naar zijn secretaresse, een prachtige vrouw van ook zo’n 40 jaar oud, met donkere ogen en, afgaande op haar huidtint, van exotische origine. Wanneer ze begint te spreken ontdek ik echter dat het dezelfde vrouw is die ik aan de telefoon kreeg toen ik een afspraak probeerde te regelen en die zo onvermurwbaar was. Nu ik ze samen bezig zie, begrijp ik onmiddellijk de oorzaak van dit gedrag. Dit zijn twee handen op één buik. En zij is de waakhond. Je geraakt niet bij hem zonder eerst langs haar te passeren. Dat is haar missie. Of, een beetje meer flatterend, zij is de sfinx, die de toegang tot de tempel bewaart. Enkel als je haar raadsel oplost, mag je door. Decock zelf daarentegen mag alles vragen aan haar. Dat is ook direct duidelijk. Hij zegt tegen haar: “Kun je een keer checken of en wanneer volgende week mijnheer Hoskens hier een keer onder de CT-scan zou kunnen komen liggen? Enkel van zijn ogen. Zo snel mogelijk dus.” In haar blik zie ik eerst een lichte, wanhopige opflakkering van ‘wat vraagt gij nu weer van mij?’ Maar die wordt al direct vervangen door een blik van verstandhouding en zelfverloochening. In Star Wars of zo zou hier zoiets gevolgd hebben als: “Your wish is my command, master.”

Na enkele telefoontjes blijkt dat er toch nog een slot is volgende week dinsdag op de middag. Ik zou dan eerst de scan moeten laten nemen. Dan een uurtje wachten, en dan zou ik op consultatie kunnen gaan bij Decock. Pocahontas vraagt of dat allemaal gaat voor mij. Ik weet dat het dan teamvergadering is, maar na alles wat er tot nu toe gebeurd is, en afgaande op de miserabele staat van mijn oog, moet ik nu toch even eerst voor mezelf kiezen, vind ik. Bovendien heb ik nog ik weet niet hoeveel verlofuren voor ouden van dagen staan die ik nog moet opnemen voor het einde van het jaar. Zo iets speciaal gemaakt voor vijftigplussers, om het afmattende professioneel leven voor hen wat draaglijker te maken. Ik voel me helemaal niet zo moe of afgeleefd, maar deze nieuwe regeling komt mij nu wel goed uit, moet ik zeggen. 

26-27 november 2018 – Nood breekt wet

Ongelooflijk, maar Willem stuurt mij op maandag al een mail met een wie is wie fiche van UZ Gent met een naam en een telefoonnummer op. Ik stuur direct een mail terug om hem te bedanken en te zeggen hoezeer ik zijn snelle hulp niet waardeer. Ik bel onmiddellijk naar het nummer enkel om te ontdekken dat de oogarts in kwestie in zwangerschapsverlof is. Maar er wordt wel een alternatief voorgesteld, een zekere Christian Decock van een AZ in het Gentse. Ik vraag aan Willem of hij die mogelijks kent? Of dat soms een goede oogarts is? Hij denkt van wel. Decock zou vroeger de opleiding van die vrouwelijke oogarts nog verzorgd hebben. Dus dat moet wel een goede zijn, zegt hij.

Op dinsdag bel ik naar het kabinet van Decock. De vrouw die ik aan de lijn krijg, weet me te vertellen dat Decock blij zou zijn mij te helpen maar dat de eerstvolgende mogelijke afspraak pas na mid februari zou zijn. Ik probeer aan haar uit te leggen dat ik niet zo lang kan wachten. Dat ik eigelijk al maanden aan het wachten ben in Gasthuisberg. Dat er zelfs een operatie slecht is uitgevoerd. Dat mijn oog er niet meer uitziet. Maar niets helpt. Ze is onvermurwbaar. Dus contacteer ik opnieuw Willem. Voor de derde keer al op twee dagen. Het begint stilaan gênant te worden. Ik verontschuldig me uitvoerig. Leg hem het probleem uit. Hij belooft me eens te zien wat hij kan doen.

Een uurtje later al stuurt hij me een mail om te zeggen dat ik het nog eens moet proberen. Ik bel terug naar het kabinet van dokter Decock. Opnieuw krijg ik te horen dat de eerstvolgende afspraak pas in februari kan plaats vinden. Maar wanneer ik dan verbaasd reageer en de naam van Willem laat vallen, verandert de toon van het gesprek helemaal. Er wordt me gevraagd of ik nu donderdag, 29 november, om 17u30 kan langs komen. Dankbaar voor deze kans zeg ik onmiddellijk, zelfs zonder mijn agenda te checken, van wel, “geen probleem, ja zeker kan ik dat.”

Na het telefoontje voel ik me wel schuldig. Dat ik dankzij een vriend wel binnen geraak bij die Decock en andere mensen moeten wachten tot februari, zit me niet lekker. Maar nood breekt wet, zeker? Toch kan ik het niet laten om Willem deelachtig te maken aan mijn schuldgevoel. Het thema van een de facto tweeklassenmaatschappij wordt daarbij niet geschuwd. Zelf verwijs ik naar de numerus clausus voor geneeskunde als bron van alle kwaad. In een ver verleden heb ik er nog tegen betoogd. Zelfs nog slaag voor gekregen van de wapenstok van een rijkswachter. Maar toen was het allemaal nog abstract en meer een principekwestie. Dat kan ik nu niet meer zeggen. Simpel gezegd: als er zo’n tekort is aan oogartsen en andere artsen, waarom worden er dan niet meer gemaakt? Willem beweert echter dat dat systeem toch zijn nut heeft en dat een eenvoudige afschaffing ook geen goede zaak zou zijn. Zelf ben ik zo opgelucht van eindelijk ergens terecht te kunnen met mijn linkeroog dat ik al gauw mijn protest staak. Ik dank Willem opnieuw vanuit de grond van mijn hart voor zijn hulp en zeg hem dat als ik ooit iets voor hem kan doen dat hij het mij moet laten weten. Hij antwoordt als liefhebber van de Engelse taal: “With pleasure”.

Ik zoek nog even op het internet de exacte ligging van het ziekenhuis op. Het ligt ergens achterin die nieuwe KBC-toren langs de autostrade in Gent. De naam is wel zo’n typische katholieke ziekenhuisnaam waar ik al direct de weubes van krijg: Maria Middelares. Zelf heb ik er nog nooit van gehoord. Google maps geeft aan dat het van mijn werk tot aan dat ziekenhuis 67 kilometer is. Dat is toch verder dan ik dacht. Niet dat het mij iets kan schelen. De staat van mijn gezicht en oog is dermate onrustwekkend dat ik desnoods naar het eind van de wereld zou rijden. Dat hoeft gelukkig niet. ‘Gewoon’ van Brussel naar Gent is voldoende. En mijn ecologische voetafdruk kan ook even de boom in.

24-25 november 2018 – Weekend aan zee

Bergen zijn leuk om op te wandelen maar in de winter niet zo. Dus zoeken wij, de Marsmannen, die verloren zielen, andere manieren om het leven via sportieve activiteiten in groep draaglijk en zo veel als mogelijk al feestend door te spartelen. En als het niet lukt in de hoogte, zoeken we de vlakte op. Bovendien heeft Koenraad, de leader of the pack, sinds kort een appartement aan zee. Of eigenlijk al sinds een jaar, maar zo lang heeft het geduurd om het in orde te brengen. Dus nodigt hij ons nu een keer uit voor een weekend aan zee om het appartement te bezichtigen en ineens in te wijden. Vlakker dan dat kan niet. Zelfs Jacques Brel heeft het gezegd.

Komen af: Koenraad zelf natuurlijk, anders geraken we niet binnen, Yvo en Willem, de twee vrienden-oncologen en Thomas, de meest empathische mens die ik ooit ontmoet heb, zo empathisch dat hij constant moet oppassen of hij bestaat zelf niet meer. Yvo zegt wel last minute af. Wat voor ons een serieuze streep door de rekening is want zonder die lopende warmtebron gaan we de koude op andere manieren moeten gaan trotseren. Het appartement ziet er fantastisch uit. Vooral de grote ramenpartij aan de voorkant is prachtig. Doordat ze als een alkoof een beetje naar buiten uitsteekt, wordt je zicht door niets gestoord of onderbroken buiten het houten kader van het grote venster zelf en heb je het gevoel naar een levend schilderij te kijken. Bovendien hebben ze heel deze glaspartij ook nog eens voorzien van een grote houten vensterbank zodat je als het ware in het schilderij zelf kunt gaan zitten, liggen, dromen, vallen. 

Zelf zie ik enorm uit naar dit weekend. Niet alleen is er de structurele behoefte aan een beetje mannenliefde, maar er is ook mijn basaal verlangen naar een goei pint bier van de straffere soort en het lekkere eten dat ons deze avond volgens Koenraad te wachten staat in De Spelleplekke, de enige bistro hier gelegen op het strand en blijkbaar toch nog goed, hetgeen aan de Belgische kust een uitzondering is. Het is alsof de meeste eetgelegenheden aan de kust elkaar beconcurreren om de meest zelfgemaakte niet-zelfgemaakte garnaalkroketten en smakeloze Oostendse vispotjes te bereiden. Daarnaast wil ik ook van de gelegenheid gebruik maken om Willem en Yvo, dus Willem nu dat Yvo er niet geraakt, een keer te vertellen wat er tot nu toe allemaal gebeurd is in Gasthuisberg en terloops te vragen of hij geen goede oogarts aan de UZ Gent kent waar ik eens langs kan gaan om mij voort te helpen.

Koenraad heeft in ieder geval direct in de mot dat er iets niet klopt. Wanneer we binnen komen, zegt hij: “Wat heb jij aan je oog?” De assertiviteit van zijn vraag alleen al geeft mij het gevoel van niet goed bezig te zijn. Ik zeg hem dat dat nog altijd dat ontstoken traanzakje van Italië is. Dat die operatie die gepland was in september, dat die niet goed gelukt is en dat het ondertussen allemaal alleen maar erger geworden is. Dat de opvolging in Gasthuisberg dan ook nog eens op geen kloten trekt en dat voorlopig de enige werkbare hypothese blijkbaar dat ‘Zwart Bloed’ is. Ondertussen is Willem ook aangekomen en begin ik het ganse verhaal terug van nul. Na het afronden van het ingewikkelde vervolgverhaal spreek ik hem, zoals gepland, aan en vraag of hij misschien geen goede oogarts kent aan de UZ Gent of in het Gentse die mij zou kunnen helpen. Hij belooft mij eens te checken. Thomas is ondertussen ook binnen gevallen. Net op tijd om nog met een kus afscheid te nemen van Babs, de vrouw van Koenraad, die ook aanwezig is maar begrijpt dat samentroepende Marsmannetjes na een tijdje vrouwallergisch worden. Symptomen: stilvallende gesprekken, wegdraaiende blikken en lange zuchten.

Koenraad en Babs hebben blijkbaar in deze periode van het jaar het appartement nog niet gebruikt. Want het is de eerste keer dat de verwarming opgezet wordt. Dat blijkt geen sinecure te zijn want de installateur zelf is aanwezig en al. Aanvankelijk lijkt dit een beetje overdreven maar als zelfs hij er niet in slaagt om het spul met een simpele druk op de knop in gang te zetten, blijkt van niet. Bovendien zit de koude echt overal. In de muren, in de vloer, in de zetels zelf. Ik mis Yvo nu al. Uiteindelijk blijken de blazers die in de grote vensterbank verstopt zitten, maar half te werken. Nadat de installateur die in turbomode zet en eens een goede tik verkoopt, beginnen ze echter harder te zoemen en voelen we de warme lucht uit de vensterbank opstijgen. Opgelucht dat onze men cave voor het weekend dan toch geen koude muren zal hebben, focussen we ons op onze activiteit van de dag. 

Aanvankelijk had ik voorgesteld om tijdens het weekend van 11 november naar de zee te gaan. Om zo exact op de honderdste verjaardag van het einde van de Eerste Wereldoorlog de loopgraven eens te gaan bezoeken. Bij mij was dat al geleden sinds mijn schooltijd dat ik daar geweest was. Koenraad vond dat een superidee maar stelde voor om dat al fietsend doen. Zo zouden we een leuke combinatie van geschiedenis, sport en natuur voorgeschoteld krijgen. Er worden dan ook fietsen gehuurd en onder een dreigende, grijze lucht, geschikter weer kan niet, vertrekken we richting Nieuwpoort. Van daar gaan we helemaal langs de IJzer alvast tot aan de IJzertoren fietsen. Dat is het plan. 

De tocht verloopt voorspoedig. Het fietspad blijkt vroeger het spoorbed van een voorraadtrein van de Belgische soldaten aan het front geweest te zijn. Vandaar de rechte lijn en de iets hogere bedding. Van daar uit heb je een fantastisch zicht op het voormalige No Man’s Land, nu weiden vol met molshopen en koeienvlaaien. Wat ik ook totaal vergeten was, zijn de vele en brede vertakkingen van de IJzer. Daar moet na de overstroming inderdaad geen doorkomen aan geweest zijn voor die arme Duitsers. Hier en daar stoppen we om de nog zichtbare restanten van de oorlog te bezichtigen. Zo is er de observatiepost aan het vroegere station van Ramskapelle. Hier werd tijdens de Slag om de IJzer in oktober 1914 zwaar gevochten. Om dan twee maanden later samen Kerstmis te vieren. Een monument met poppen op gewapend ijzer naast de observatiepost herinnert aan het absurde Kerstbestand. En we rijden ook even om langs het Belgisch oorlogskerkhof van Keiem. Nog een sinistere plaats want de meeste graven bevatten niet-geïdentificeerde restanten. Na een uurtje of twee komen we aan de IJzertoren aan. We laten echter de oubollige Vlaamse heroïek links liggen en beslissen voort te fietsen tot aan het Duits oorlogskerkhof van Vladslo in voormalig Duits bezet gebied. Het is daar ergens dat het beroemde Treurend Ouderpaar van Käthe Kollwitz staat en dat lijkt ons wel eens de moeite om te bezichtigen. Niet alleen heeft ze het beeld gemaakt nadat haar eigen zoon, Peter, op 18-jarige leeftijd gesneuveld was, maar allen hebben we al eerder het beeld van Kollwitz in Die Neue Wache in Berlijn gezien en de verwachtingen zijn dan ook hooggespannen. 

Twee weken na de herdenking van het honderdjarige einde van de zoveelste volkerenoorlog in Europa ligt het Duitse oorlogskerkhof er prachtig bij. Vooral de Scandinavisch ogende soberheid van het kerkhof – de graven zijn eenvoudige vierkante stenen in de grond tussen het kortgewiekte gras – omringd door statige eikenbomen, is in al zijn overweldigende horror een genot om te zien. Her en der tussen de graven in vinden we enkele van de 600,000 kleine herdenkingsbeeldjes van Koen Vanmechelen terug speciaal gemaakt voor de honderdjarige verjaardag – 600,000 zijnde het totale aantal slachtoffers in ons land van de oorlog, burgers en soldaten samen. Maar achteraan in het kerkhof stoten we eindelijk op het imposante Treurend Ouderpaar. We begrijpen onmiddellijk waarom de nazi’s het beeldhouwwerk als entartet bestempelden. Veel trots en fierheid op gesneuvelde martelaars van het vaderland spreekt er niet uit. Qua stijl is het expressionistisch. Of voor de Vlamingen: Kollwitz’ stijl is meer Permeke de schilder dan Permeke zelf in beeldhouwvorm. Alleen ziet de vader er helemaal niet treurig uit. Een beetje koud heeft hij het precies want om het een beetje warmer te krijgen heeft hij zijn armen niet-gekruist, over elkaar heen, voor zijn middenrif gedrapeerd. En hij kijkt eerder nors en stuurs dan triest. De moeder daarentegen ziet er zelfs in graniet gebroken uit. Zij kijkt je niet aan. Zij kijkt niets of niemand aan. Ze ziet enkel de afgrond die voor haar opdoemt nu dat haar kind gestorven is. Wat een verschil tussen man en vrouw. Wij, de Marsmannetjes, voelen ons bijna gediscrimineerd. Zo krachtig is het beeld. Alsof wij niet overmand kunnen worden door verdriet. Alhoewel, in hoeverre ben je nog man als je overmand wordt? Is dat niet een beetje hetzelfde als ontmand? Zou Mars zichzelf ooit hebben laten overmannen? Maar in een omgeving als deze is deemoed het enige gepaste antwoord op dergelijke aardse vragen.

‘S avonds gaan we lekker eten in De Spelleplekke. Het eten zou laat ons zeggen in ‘Komen Eten’ een 7 halen, maar zoals zo vaak aan de kust maakt de setting veel goed. En na  het eten laat Koenraad ons weten dat er ook nog bijzonder lekkere whiskey’s zijn in de staminee. Dat laten we ons geen twee keer zeggen. Alleen Willem onthoudt zich van het drankgelag. Als medicus zijn er voor hem grenzen aan alcoholconsumptie, ook in zijn vrije tijd. Terug op het appartement begint het zalige, afsluitende mannenbabbelmoment van de dag met een laatste pint bier. Het is alsof we alles vandaag gedaan hebben om op dit punt te geraken. Het is het moment waarop we terug één zijn. Het moment waarop we vroeger samen in de haag zouden hebben staan pissen. Of uitvoerig elkaars lief besproken zouden hebben. Het moment waarop het leven even weer eeuwig lijkt. Of althans niet onder tijdsdruk staat.

Het appartement is ondertussen lekker warm. Met de benen uitgestrekt en met het glas bier in de hand zitten we uitgezakt voor de mooie glaspartij. Bij het slapen gaan vraag ik aan Koenraad of ik niet in de alcoof mag slapen zodat ik ook al slapende in de Noordzee kan vallen. Voor één keer is het goed. Ik sleur een matras helemaal naar de vensterbank en installeer me daar vlak naast het raam. Alhoewel het volle maan is, zie ik geen steek, zo zwaar bewolkt is het. En ondertussen is het ook al beginnen te regenen. Maar ik weet dat daar buiten voor mij dat gigantisch strand is en die grijze oneindige watermassa. En als ik goed luister hoor ik de golven stuk slaan op het zand. Avec le vent du nord, écoutez-le craquer.

Als we ‘s ochtends vertrekken, spreek ik op weg naar de parking voor alle zekerheid Willem nog eens aan. Zodat de hoogdringendheid, althans voor mijn linkeroog, ook voor hem duidelijk is. Bij de zo goed als lege parking aangekomen stellen we beiden wel vast dat er zich parkeertickets bevinden onder onze ruitenwissers. Ik krijg een déjà-vu want het zijn er weer twee ineens. Net zoals in Leuven twee maanden geleden. Deze keer een voor de zaterdag en dan nog een voor de zondag. Ah ja, ook die verdoken gemeentebelastingen aan de Belgische kust moeten toeslaan wanneer ze maar kunnen, zeker? En in de winter, op een maandag, moeten ze hier geen boetes uitschrijven als ze de gemeentekas willen spijzen; de dag van god gaat meer opbrengen voor die CD&V’ers hier. 

Nu pas herken ik deze parking als de parking waar ik een jaar of drie geleden ook al een boete had gekregen. En dat was toen slecht afgelopen want dat  gemeentebestuur stuurde al na twee weken niet-betaalde parkeerboete een gerechtsdeurwaarder op de criminelen af. Protest leverde natuurlijk niets op. En dus moest ik niet alleen de boete betalen maar ook nog eens de kosten van de deurwaarder. En dit na twee weken tijd. Ik vroeg me toen af of deze kustgemeente zijn facturen ook binnen twee weken zou betalen? Aangezien het antwoord op die vraag ongetwijfeld negatief was, had ik toen eigenlijk beloofd, zowel aan het gemeentebestuur als aan de lokale geprivatiseerde parkeerwachter, om nooit meer naar deze kustplaats te komen. Weer een belofte die ik niet heb kunnen houden. De lijst begint eindeloos te worden. Om het goed te maken, roep ik nog vlug naar Willem: “Zie dat je die boete op tijd betaalt Willem! En met op tijd bedoel ik binnen de twee weken! Zo niet sturen die smeerlappen hier direct de deurwaarder op je af!” Dat is toch één burger minder die ze gaan kunnen kloten.

7 december 2018 na 8u45 – Hoe proberen jezelf als mens recht te houden in een wereld waarin sommige mensen denken dat ze goden zijn en alles kunnen doen wat ze willen zonder daarvan ooit rekenschap te moeten afleggen

In de auto, op de terugweg naar huis, geraken Tin en ik er maar niet over uit wat voor een onzin we deze ochtend allemaal te horen hebben gekregen. En dan ook nog eens de manier waarop. Als een van die de laatste tijd gehypete hypersensitievelingen is het bij Tin vooral het totaal empathieloze karakter van Hartenkoningin dat als een rode lap op een stier werkt. Zelf geraak ik er niet meer aan uit dat ik mij door die vrouw heb laten behandelen. Maar in mijn hoofd stond als jongste kind van praktizerende, katholieke ouders en zelf alumnus van de KUL het volgende godsoordeel gebeiteld: een Professor van UZ Leuven of Gasthuisberg is TOP, beter kun je niet zitten of treffen. Niet dus. 

Op dat moment, in de auto, beslis ik dat er niemand nog ooit aan mijn lijf gaat komen als ik daar geen goed gevoel bij heb. Maar ik besef dat dit gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Verander zo maar eens van oogchirurg begin juni, een maand voor de grote vakantie, als je al vier maanden op zoek bent naar een oplossing. Ik denk dat Tin weer voelt dat ik niet meer hier ben maar ergens ver weg de demonen aan het bevechten ben. Ze zegt heel lief: “Je hebt dat wel goed gedaan sjoe. Ik heb bijna niets gezegd omdat je het zelf allemaal zo duidelijk stelde voor die vreselijke Professor Mombaerts. Ik ben echt trots op u.” Ik voel de tranen in mijn ogen opwellen en dank Tin van toch meegegaan te zijn. Ik zeg: “Stel je voor Tin, dat jij niet was meegegaan. En ik zou nadien verteld hebben aan anderen wat er allemaal gebeurd was. Niemand zou mij dan toch geloofd hebben???! Niemand! Alleen daarvoor is het keibelangrijk dat je mee gegaan bent Tin. Dat er een getuige is van dit hallucinant gesprek. En dat het daardoor vanaf nu niet langer gewoon woord tegen woord is.”

Eenmaal thuis beslis ik nog vlug even die etymologische oorsprong van patiënt volgens de Hartenkoningin te checken. Dat het woord dus uit het Engels afkomstig zou zijn en oorspronkelijk zoiets als ‘geduld hebben’ zou betekend hebben. Ik geloof daar namelijk geen kloten van. Alsof dat men in de oudheid of, als het iets recenter is van oorsprong, de middeleeuwen of zelfs de Nieuwe Tijd, d’r mee bezig was dat patiënten geduldig waren. Die mensen waren al blij als ze geholpen werden volgens mij. Eigenlijk net zoals ik nu, na mijn catastrofale passage aan dat zo gereputeerde Gasthuisberg. 

Dus neem ik thuis even mijn etymologisch woordenboek ter hand. En zie, het is dus inderdaad regelrechte onzin: patiënt is een afgeleide van ‘patiens’, het tegenwoordig deelwoord van het Latijnse werkwoord ‘pati’, wat lijden betekent. Om zeker te zijn, dubbelcheck ik nog even op het internet of deze oorsprong van het woord daar bevestigd wordt. Aanvankelijk is dat ook zo, maar dan stoot ik plots op een site en dan nog één waar, tot mijn verrassing, blijkt dat er toch nog een grond van waarheid zat in wat ze me vertelde. Zoals vele van onze meer geleerde woorden is het woord patiënt niet rechtstreeks uit het Oude Latijn tot ons gekomen maar via het Middel-Frans en daar heeft het blijkbaar wel de connotatie gekregen van ‘met geduld lijden’. Maar de oorsprong van het woord is dus helemaal niet het Engels. Het is het Engelse ‘patient’ dat dezelfde Middel-Franse stam heeft als ons Nederlandse ‘patiënt’, in plaats van andersom. Alleen heeft het Engels onderweg de connotatie van het lijden laten vallen om zo bij geduld uit te komen. Terwijl in onze continentale talen, de nadruk op het lijden zelf bleef liggen. 

Uiteindelijk is dat toch ook de kern van de zaak, niet? Mij lijkt althans het lijden in deze toch nog net iets belangrijker te zijn. Maar ja, dit aspect van de oorspronkelijke betekenis van het woord komt die IJskoningin natuurlijk veel slechter uit. Want dan moet je dat lijden natuurlijk wel erkennen. En laat dat nu net hetgeen zijn dat die afschuwelijke goden niet doen. Tenzij vanuit die ijzingwekkende hoogte. Beter die lijdzame overgave aan het lot of moeder natuur wat benadrukken. De stille overgave waarmee die arme zieken verondersteld worden haar liefdevolle zorgen in ontvangst te nemen. Zonder tegenspraak haar woord dankbaar voor waar aannemen. En al zeker zonder te klagen. Onnozele trut.

7 december 2018 8u15 in de ochtend – de ongenaakbare Hartenkoningin met als voorprogramma assistent 4 (aka Diedeldeine)

De alternatieve piste begint, god zij dank, concreet vorm te krijgen maar, bovenal, heeft op één week al meer daadkracht getoond dan Professor Mombaerts en haar diensten op meer dan zes maanden tijd. Dus heb ik besloten om niet langer beroep te doen op die diensten. Tegelijkertijd vind ik wel dat alles wat er tot nu toe gebeurd is, zo onvoorstelbaar is, zo schandalig, en zo onrespectvol naar mij toe als patiënt of zelfs als burger van dit land, dat ik haar deze beslissing persoonlijk wil meedelen en terloops rechtstreeks wil confronteren met alles wat er gebeurd is of toch minstens mijn beleving ervan. Tin is het ondertussen allemaal ook kotsbeu en staat erop mee te gaan zodat zij die professor Mombaerts ook een keer ziet en eens goed haar gedacht kan zeggen. Dus beslissen we samen naar de opvolgingsafspraak te gaan op 7 december om kwart na 8 ‘s ochtends.

Als we aankomen, begint het al direct goed. Assistent 4 heb ik niet alleen nog nooit gezien, dat spreekt voor zich, maar bekent na vijf minuten confrontatie met Tin en mij dat ze nog maar enkele dagen assistent is daar op die dienst en mijn dossier dus totaal niet kent. Wat bij mij onmiddellijk de vraag doet rijzen wat voor een organisatie een groentje op een dossier als het mijne zet? Na alles wat er tot nu toe al gebeurd is en vooral nog niet gebeurd? Is dat zoals in het leger, om hen hard te maken voor al de onnozelaars die bij hen kunnen binnen stappen? ‘Ben ik soms een onnozelaar?’, begin ik me af te vragen. En hoe zit het met mijn verwachtingen als patiënt? Vindt dat gedrocht Gasthuisberg / UZ Leuven het normaal dat ik opnieuw van nul moet beginnen na alles wat er tot nu toe al gebeurd is? Onze verontwaardiging is alvast zo groot dat we zelf al beslist hebben om terug te gaan wachten in de groen-witte kapsalon tot dat Hare Koninklijke Hoogheid klaar is om ons te ontvangen als ze plots langs de toegangsdeur van de staf het lokaal binnen stapt. 

Blijkbaar heeft ze ons buiten bezig gehoord want onmiddellijk vraagt ze met een minzame stem: “Wat is het probleem, mijnheer Hoskens?” Die minzaamheid roept in mij het slechtste op, dus val ik ineens met de deur in huis: “Wel, om te beginnen Professor Mombaerts, zoals ik vreesde, is die zwelling in mijn linkeroog totaal niet afgenomen. Dus, die antibiotica en cortisone die u mij de afgelopen weken voorgeschreven hebt, hebben totaal niet geholpen.” “Ja, mijnheer heeft net gezegd dat de cortisone hem niet beviel. Dat hij de behandeling zelf heeft stopgezet,” valt Diedeldeine vlijtig in. Vooraleer echter Hartenkoningin mij ook nog eens verantwoordelijk kan stellen voor het niet lukken van de behandeling, onderbreek ik Diedeldeine, val terug op wat in de vorige consultatie volgens mij nog onvoldoende ter sprake gekomen was en flap d’r uit tegen Hartenkoningin dat haar communicatie op niets trekt. Ik verwijs expliciet naar de ontslagbrief met die onnozele kindertekening van een paar ogen in. 

Professor Mombaerts begint te lachen: “Hoezo? Was dat niet duidelijk dan?” De lach is al wat minder minzaam, maar wordt eerder spottend. Blijkbaar begeef ik me met mijn nieuwe kritiek op haar terrein. Ik verdenk haar er nu zelfs van zelf die onnozele tekening gemaakt te hebben. Dat zou wel eens goed kunnen kloppen qua jaargang, als ik haar eens goed bekijk. Ze moet een peuter geweest zijn in de jaren vijftig. Ze zal het misschien als een teken aan de wand gezien hebben, als een bewijs dat het haar roeping was om oftalmoloog te worden. Trouwens nu dat ik haar eens goed aan het bekijken ben, besef ik opeens dat het ook een goede moeder overste had geweest onze Hartenkoningin. Maar dan zo eentje van de slechte soort, de soort die samenzweerde met de machtige leenheren en stilletjes zat te lachen terwijl ze samen hun onderdanen of de boeren rond de abdij een kloot zaten af te draaien of regelrecht aan het straffen waren met weesgegroetjes en verdoemenissen of, nog langer geleden, zweepslagen en publieke folteringen. 

Ik denk dat Tin door heeft dat ik helemaal niet meer hier ben want plots hoor ik haar tussen komen: “Neen, dat was helemaal niet duidelijk. Wij dachten dat die verdikking misschien gewoon kwam van die wondlijm. Dat dat geleidelijk ging verdwijnen, naarmate dat die wondlijm opgenomen werd door de huid of zo, maar niet dus.” Even kijkt Hartenkoningin naar Tin, maar dan reageert ze naar mij toe. Misschien omdat Tin niet de patiënt is, of misschien omdat ze vindt dat Tin zich niet moet moeien. Ze voelt zich ondertussen al wel genoeg bedreigd in haar waardigheid als ‘specialist’ om haar staat van dienst als chirurg er al direct bij te sleuren. “Mijnheer Hoskens, ik heb al heel veel operaties gedaan hoor en die zijn bijna allemaal gelukt. Of het aandeel operaties met complicaties nadien is toch bijzonder klein. Ik heb in mijn loopbaan al zeker zo’n 5000 operaties gedaan en daar zijn er maar 4, misschien 5 van, die niet helemaal gelopen zijn zoals het hoorde.” Met zo’n bedrijfsresultaten word ik, denk ik, verondersteld te begrijpen dat communicatie maar een bijzaak is. Meer een futiliteit waartoe men verplicht is dan als iets noodzakelijks.

Onder de indruk van de zelfzekerheid waarmee Hartenkoningin haar volle, gekwantificeerde gewicht in de weegschaal smijt, besluit ik van mijn kant er toch nog een tandje bij te steken: “Ik kwam u toch zeggen dat uw diensten op niets trekken. Op geen enkel moment de afgelopen weken en eigenlijk zelfs zes maanden geleden al toen ik hier voor de eerste keer was, hebt u een onderzoeksdaad gesteld. Op wat duwen met uw wijsvinger op die bobbel na. Weet dat ik sinds kort elders in behandeling ben en dat men daar na één week contact al een CT-scan heeft ingepland en uitgevoerd.” Mijn korte communicatie slaat, in tegenstelling tot wat ik verwacht had, nog altijd niet in als een bom. Hoog van op haar troon vraagt Hartenkoningin koel: “Waar bent u in behandeling?” “In het AZ Maria Middelares te Gent.” “Bij wie juist?” “Dokter Decock.” “Dokter Decock? Die ken ik niet,” zegt ze, alsof dat ineens een oordeel velt over de beroepswaarde van de man. Ze beseft echter onmiddellijk haar fout en vraagt met valse nieuwsgierigheid, zo met een stemmetje dat langzaam de hoogte in gaat: “En men heeft daar al een CT-scan uitgevoerd?” “Ja, op één week tijd,” wrijf ik nog eens in de wonde. “Dan kan ik die misschien terug vinden in onze systemen,” reageert ze. Ik zie haar opgelucht met de beweging richting PC op haar bureau glijden. Ze begint druk te tokkelen op haar klavier. “Of neen, het lukt toch niet,” zegt ze na een tijdje. “Nochtans heb ik een brief meegekregen die zegde dat ik de scan zelf online kon bekijken op het Cozo-platform. Hebt u daar geen toegang toe?” “Cozo? Als het daar staat, moet ik het hier ook kunnen zien. Wacht ik zal nog eens proberen… Ah, hier is het,” zegt ze dan. 

Ik verwacht dat ze nu iets van commentaar gaat geven, haar professionele opinie of zoiets, maar er komt niets. Dus geef ik maar die van de oogarts uit Gent: “Dat is een serieuze bobbel, niet? Decock had dit totaal niet verwacht. Hij heeft gevraagd om een kijkoperatie en biopsie te doen.” De laatste woorden lijken wel enige impact te hebben op de IJskoningin. “Kijkoperatie?,” vraagt ze snel, “wanneer is die gepland?” “Deze avond.” “Deze avond al?” “Deze avond al, ja. Decock gaat op 2 weken tijd twee consultaties, een CT-scan, een kijkoperatie en een biopsie gedaan hebben. Hoe lang ben ik al in behandeling bij u, Professor Mombaerts?” 

Op dit punt aangekomen beslist Hartenkoningin dat het tijd wordt om uit een ander vaatje te gaan tappen, om zo haar intellectuele superioriteit uit te spelen waarschijnlijk. Anderen beginnen Latijn te spreken, zij verkondigt blijkbaar graag etymologische wijsheden. Ze zegt: “Patiënt komt van het Engelse ‘patient’, wist u dat? Maar de mensen kennen geen geduld meer.” Nu val ik stil. Zo veel arrogantie kan ik niet meer aan. Blijkbaar is zes maanden niet genoeg tijd. Of telt ze alleen de uren dat ze effectief op mijn dossier gewerkt heeft. Of heb ik in haar ogen maar vijf uren van geduld opgebracht waarvan ook nog eens drie uur onder narcose? Of misschien kan Professor Mombaerts ook niet tellen. Komt ze uit op een totaal van een week van geduld en niet meer tijd.

Zelf vindt ze ieder geval dat de tijd gekomen is om afscheid te nemen van elkaar. “En u bent helemaal naar hier gekomen om mij dit allemaal te zeggen? Dat vind ik straf van u.” Waarop ze recht staat en mij de hand schudt. “Kan ik nog iets doen voor u?,” vraagt ze nog, weer en nog minzamer dan voorheen. “Iets tegen de pijn misschien?” Diedeldeine is ondertussen al helemaal verdwenen in het pleisterwerk in de hoek van de kamer helemaal achteraan. Ik zie nog net de tip van haar schoen onder de plint vanonder uitsteken. Ze bestaat dus nog. En ik zie dat Hartenkoningin nu ook de hand van Tin schudt. Dus die bestaat ook nog in deze wondere wereld helemaal boven op de Gasthuisberg van Leuven.

Wanneer we doorgaan doet Hartenkoningin onverwacht nog een laatste remonte om mij te overtuigen van haar kunsten. Ze voelt dat ik er niet gerust in ben, in het verdere verloop van de dingen, en zegt totaal out of the blue in mijn rug: “Maak u geen zorgen, mijnheer Hoskens, daar zit geen tumor. Als daar iets tumoraals zat, had ik dat toch al lang gezien tijdens de operatie?” Ik draai me om in de deuropening en kijk haar totaal verwilderd aan. 

30 november 2018 – de Gekke Hoedenmaker met als voorprogramma assistent 3 (aka Diedeldie)

Ze ontvangen mij samen, zittend naast elkaar, aan de bureau. Diedeldie, hoe kan het ook anders, heb ik nog nooit gezien. Maar de Gekke Hoedenmaker ken ik sinds mijn vorige bezoek maar al te goed. We zijn amper een week later. Blijkbaar kunnen ze in Wonderland ook al niet goed tellen. Het doosje antibiotica dat ze mij voorgeschreven hadden was een klein doosje, zo klein dat het nu al bijna op is. En aangezien de opvolgingsafspraak met Hartenkoningin pas voor 7 december gepland is, maar die zwelling in mijn oog nauwelijks tot niet afgenomen is, had ik hen een mail gestuurd met de vraag of ik niet wat meer antibiotica moest krijgen, al was het maar om die 7 december te halen. Dus ben ik hier weer terug, vroeger dan voorzien.

Diedeldie zegt zo goed als niets. Het is de Gekke Hoedenmaker die de ganse tijd het woord voert. Het is alsof hij haar in bescherming neemt. Tegen die gevaarlijke aanwezigheid die ik ben. Of zo komt het op dat moment toch over. Want even later blijkt dat hij ook naar mij toe iets probeert goed te maken. Daarover dus meer verderop. Maar misschien dat hij dus die dag met een liefdevol been vol medeleven uit bed is gestapt, ook naar collega’s toe. Of anders gewoon tot inkeer is gekomen wat betreft mijn casus. Misschien zelf die ‘zwart bloed’ hypothese ook belachelijk vindt. Of zoiets.

De Gekke Hoedenmaker voert opnieuw zijn John Travolta dans uit terwijl Diedeldie rustig aan de bureau blijft zitten. Deze keer lukt het precies wel beter want hij stopt al na drie uitvoeringen. Jammer. Het rood-gele ballonnetje wordt deze keer wel achterwege gelaten. Niet dat ik hierover klaag. En, vooral, vooral, er wordt niet meer geduwd op mijn gezicht, wat ondertussen tot bijna een foltering is uitgegroeid. Dus hierover klaag ik al helemaal niet. Antibiotica krijg ik wel niet meer voorgeschreven, maar wel ‘Celestone’. “Pure cortisone,” zal mijn apotheker nadien zeggen, terwijl hij met een knipoog eraan zal toevoegen: “Gij doet toch geen echte sport? Ik bedoel voor geld en zo? Want als je dit pakt, dan is dat niet langer koosjer.” Tegen de apotheker heb ik ontkennend geantwoord, maar hier in die kleine ruimte in Wonderland voelt het toch aan als een wondermiddel dat mij gepresenteerd wordt. Maar dan wel zo eentje dat zonder dat het expliciet gezegd wordt ook het geneesmiddel van de laatste kans is. Of in stilzwijgende dokterstaal: ‘Als zelfs dit niet lukt, tja, dan weten we het ook niet meer mijnheer Hoskens. Dan gaan de grove middelen moeten ingezet worden.’ 

En misschien heeft de Gekke Hoedenmaker in zijn aanval van medeleven vandaag door wat er in mij omgaat of anders is het gewoon omdat Hartenkoningin afwezig is, maar hij neemt mij apart, mee naar nog een ander kantoor van de konijnenpijp. Onder het mom van daar het voorschrift uit te schrijven. Eenmaal daar wordt hij veel persoonlijker en begint met bekend te maken dat hij nog maar een week of twee op Gasthuisberg gaat moeten werken en dan, god zij dank, er vanaf is. Wanneer ik als reactie op deze bekentenis van hem mijn ongerustheid begin te uiten en vooral het ganse verloop van mijn behandeling in Gasthuisberg in vraag begin te stellen, doet hij een nieuwe mededeling: “Weet u, mijnheer Hoskens, of als u het niet weet, zal ik het u even uitleggen, in een ziekenhuis zoals dit bepaalt eigenlijk elk diensthoofd volledig autonoom de werking van zijn dienst. Dit betekent dat elke dienst zijn eigen manier van werken heeft. En het diensthoofd in dit geval is Professor Mombaerts. En het probleem met Professor Mombaerts is dat ze al haar kennis en expertise over wat te doen wanneer, bewaart in een zwarte map die op haar bureau ligt en dat niemand anders toegang heeft tot die zwarte map.” 

Als ik ondertussen al niet met de hulp van een van mijn oncologen-vrienden in een ander ziekenhuis in behandeling was (hierover meer in de volgende posts), was ik nu ongeveer krijsend weggelopen. Maar nu ging het dus nog en kon ik het nog net aan. Ik vraag me zelfs nog even af of dit alles niet betekent dat hij misschien niets te doen heeft en samen met de Maartse Haas, die hier ook nog ergens moet rondlopen, vast zit in een eeuwige koffiepauze. En een gelegenheid als deze gebruikt om de Hartenkoningin en haar maatje, de prikklok, die geïnstitutionaliseerde versie van de Tijd, onder druk te zetten om daarin verandering te brengen. Maar ik voel me zo slecht met mijn eigen situatie dat ik dit er nu even niet kan bijnemen. Wanhopig vraag ik nog: “En wat moet ik dan doen? Wat kan ik dan nog doen? Een klacht indienen?” “Wel, om eerlijk te zijn, mijnheer Hoskens, u zou ons, assistenten, daar een enorme dienst mee bewijzen.” 

Ik waardeer enorm de plotse eerlijkheid van de Gekke Hoedenmaker, die toch niet zo gek blijkt te zijn, maar opnieuw kan ik alleen maar de goden danken dat ik al een alternatief voor ogen heb. Want een medische instelling van de omvang van Gasthuisberg waar de assistenten de hulp moeten inroepen van de patiënten om op een fatsoenlijke manier beheerd te worden, wie wilt daar in hemelsnaam van afhankelijk zijn?

28 november 2018 – De chaos in Wonderland duurt voort

Wed, Nov 28, 11:53 AM

to oogziekten@uzleuven.be

Beste,

Een nieuwe vraag voor mijn casus.

Jullie hebben mij afgelopen week op dinsdag 20 november 1 doosje met 24 pilletjes Clamoxyl voorgeschreven – met directief om er 2 per dag in te nemen – om een ontsteking ter hoogte van mijn linkeroog als gevolg van een slecht uitgevoerde operatie onder controle te houden.

Als ik goed kan tellen wil dit zeggen dat op zaterdag 1 december dit doosje op zal zijn.

Mijn eerstvolgende afspraak met Professor Mombaerts is echter pas op donderdag 7 december.

Kunt u mij daarom laten weten wat ik moet doen? Geen pillen meer nemen tot 7 december of een nieuw doosje gaan halen? 

Stoppen met antibiotica betekent dan ook vermoed ik gewoon een terug opstoten van de ontsteking en een nieuwe verslechtering van mijn huidige situatie.

Voor het geval u zich de vraag stelt: zoals ik vreesde is er geen enkele echte verbetering merkbaar, de zwelling is lichtjes afgenomen, maar ik ben er nog steeds veel erger aan toe dan voor de operatie (mijn oog is half toe doordat het ooglid veel te hoog is toegeplakt, het bolletje dat verwijderd moest worden zit er nog steeds, het oog zit vol met oogvocht, af en toe is er een pijnscheut en de ontsteking zelf is nog duidelijk aanwezig).

Daarom graag uw advies (ervan uitgaande dat mijn toestand u ook zorgen baart),

Patrick Hoskens

20 November 2018 – Assistent 2: de Gekke Hoedenmaker en de onbeschroomde Hartenkoningin

Eindelijk geraak ik terug binnen in Wonderland. Wat een boze mail allemaal niet doen kan. De witgroene kapsaloncoupe heeft me al opgenomen in de grote groep van wachtenden. Deze keer is mijn lottonummer het magische getal 535. Naïef als ik ben, vraag ik me af of ik het Witte Konijn terug zal zien. Zo ja, kan ik haar misschien aan haar lange snijtanden voelen over waarom ze zo vreemd reageerde tijdens die eerste consultatie met van die plotse spleetoogjes en toch niets zegde, nu al meer dan vijf maanden geleden, toen Hartenkoningin zonder veel omwegen, na wat duwen op die toen nog piepkleine bobbel, de aanvankelijke diagnose van het ontstoken traanzakje bevestigde. Mijn vertrouwen in Hartenkoningin is ondertussen in ieder geval gedaald onder nul.

Wanneer ik echter binnen mag, is het eerste wat ik deze keer opmerk het geslacht van de assistent; het is een man. Dus tenzij in deze tijden van transgender het Witte Konijn een geslachtsverandering heeft ondergaan, is het iemand anders. Hij reageert in ieder geval ook helemaal anders dan het Witte Konijn, veel extraverter. “Shit, dat heb ik nog nooit gezien,” is het eerste dat eruit komt. Dan begint hij frenetiek als John Travolta in Pulp Fiction te dansen voor mij. Alleen beweegt hij zijn vingers voor mijn linkeroog in plaats van zijn eigen ogen. Mijn oog volgt automatisch zijn vingers die hij hierbij van links naar rechts en omgekeerd voor mijn hoofd heen beweegt. Hetgeen blijkbaar ook de bedoeling is, ontdek ik achteraf; als mijn oogbol dat niet zou doen, is mijn oogzenuw ontstoken en zou waarschijnlijk een onmiddellijke ziekenhuisopname nodig zijn. De assistent zelf heeft blijkbaar wel niet veel vertrouwen in het resultaat van zijn rituele dans want in totaal voert hij hem een tiental keer uit. Als dat gedaan is, valt hij terug op oude gewoontes en begint te duwen op de zwelling in mijn ooghoek. Hij voelt wel dat ik al dat gedruk op mijn gezicht beu aan het worden ben. De eerste keer ben je gewoon verrast, de tweede keer weet je wat je te wachten staat en de volgende keren klamp je je vast aan het goede doel. Maar als je dan na een operatie wakker wordt en dat onnozel bobbeltje waarmee alles begon, zit er nog steeds, dan voelt dat ostentatief drukken gewoon aan als een inbreuk op je privacy, of alsof ze geen enkel respect hebben voor je lichaam. 

Dus stopt hij redelijk snel met dat braillegewijs aftasten van mijn gezicht. Bovendien ben ik op het moment dat hij begon te duwen op mijn ooghoek die ene, grote vraag beginnen stellen en blijven stellen die me nu al een aantal weken bezig houdt: “Wat is dat nu in hemelsnaam?” Na een tijdje antwoordt de assistent: “Ik weet het ook niet zeker, maar het is alsof jij zwart bloed hebt.” “Zwart bloed?” “Ja, ik weet niet of je dat al ooit gezien hebt, maar zwarten, als die geopereerd zijn, maken die heel veel littekenweefsel aan, veel meer dan blanken. Dan zie je dat daar zo bovenop liggen zo,” en hij houdt zijn ene hand boven zijn andere onderarm om te tonen hoe dik het er dan niet bovenop ligt. Nu dat hij zo’n fantastische verhalen begint te vertellen, heb ik hem eindelijk herkend. Het is helemaal niet het Witte Konijn dat hier voor mij staat. Het is de Gekke Hoedenmaker. “Zwart bloed,” stamel ik ongelovig terwijl ik begin te grinniken. Hij zou eens moeten weten in welke mate hij hier een afstammeling van Vlaamse boeren in het zoveelste knoopgat voor hem heeft zitten. Alhoewel, misschien dat dit eindelijk verklaart hoe het komt dat ik zo’n sexy, dikke negerlippen heb en veel beter kan dansen dan al die andere Vlamingen, vraag het maar aan Koenie. Als ik luidop begin te lachen heeft hij door dat ik zijn verklaring niet echt geloof. Om snel uit de patstelling te geraken vraagt hij of ik nog even achter het oogmeetapparaat ga zitten om naar de rood-gele luchtballon te kijken en verwijst me dan terug naar de wachtzaal tot dat Professor Mombaerts klaar is om mij te ontvangen.

Om één of andere reden duurt het langer dan de vorige keer voor ik terug voorgeleid word aan het koninklijk hof. Als ik bij Hartenkoningin binnen stap, krijg ik opnieuw de geruststellende woorden ‘Dat heb ik nog nooit gezien’ te horen. Dan zie ik haar vlug, maar met gedempte stem, bevelen doorgeven aan de Gekke Hoedenmaker. Nadat hij de kamer verlaten heeft, vertel ik professor Mombaerts dat mijn oog nog steeds geen pijn doet, terwijl haar eigen diensten toen ik hen contacteerde ‘pijn doen’ als een absoluut criterium voor nazorg voorgesteld hadden. De onverholen kritiek glijdt van haar af als water van een waterval. Wanneer de Gekke Hoedenmaker terug verschijnt, is hij vergezeld van nog een andere assistent, deze keer terug en zoals het meestal is in dit bedreigd beroep van oogarts, van de vrouwelijke soort en zoals even later blijkt met een lucratief bijberoep. Want twee minuten later bevind ik me voor een witte wand in EEn van de andere ontvangstruimtes in de lange konijnenpijp. En terwijl de assistente net zoals in de film mug shots van mij neemt, frontaal, profiel links, profiel rechts – waarschijnlijk worden die nummers en data tegenwoordig digitaal geprojecteerd op die politiefoto’s in plaats van met zo’n met krijt beschreven filmsetbordje want ik krijg er net geen in mijn handen gestopt – voel ik me meer en meer achterdochtig worden en de idee dat ze met deze foto’s hun dossier aan het voorbereiden zijn voor eventuele toekomstige rechtszaken bekruipt mij. Voor het nageslacht gaan ze die moeite toch niet doen, of wel soms?

Wanneer ik even later terug bij Hartenkoningin en de Gekke Hoedenmaker zit, vraagt ook Hartenkoningin weer of ze even op de zwelling in mijn ooghoek mag duwen. Met veel tegenzin geef ik de toestemming maar pas nadat ik nog even duidelijk zeg dat die operatie totaal niet het probleem verholpen heeft waarvoor ik ondertussen al bijna zes maanden daarvoor bij haar was. Als reactie verkondigt ze met veel stelligheid dat ik, volgens haar, alvast geen last meer heb van tranende ogen. Alsof dat dat het grootste probleem was tot nu toe. Met moeite weersta ik aan de morele druk om dank u te antwoorden en repliceer afwerend dat het tranen misschien wel gedaan is, maar dat het vocht in mijn ogen toch niet echt minder is dan voorheen. Na de ooghoek even onderzocht te hebben, zegt Professor Mombaerts: “De buisjes zitten daar toch goed. Dat lijkt me allemaal in orde. U moet trouwens binnen een maand of zes terugkomen om ze d’r terug uit te laten halen.” Spottend reageer ik: “Bedankt om mij te verwittigen. De vorige keer wist ik zelfs niet dat u hen d’r in ging steken. Nu weet ik tenminste dat u ze d’r uit gaat halen.” Hartenkoningin begint al verveeld te kijken, maar voordat ze bevel kan geven mijn hoofd af te kappen, schakel ik vlug over op het onderwerp dat mij vooral bezig houdt en wijs voor de zoveelste keer op het bobbeltje in mijn ooghoek dat er nog steeds zit, krak op dezelfde manier en op dezelfde plaats. Deze keer nodig ik hen beiden zelfs uit om daar nog eens te voelen, hetgeen ze ook doen. Maar als ik dan opper: “En wat is dat dan want dat zat er al voor de operatie? Dus dat kan toch geen littekenweefsel zijn?,” is het de Gekke Hoedenmaker die plots het woord terug neemt en stelt dat dat mogelijks een verharding van het bot van de oogkas is, veroorzaakt door de ontsteking van het traanzakje. Ik krijg nog antibiotica voorgeschreven en de vraag voorgelegd om binnen twee weken terug te komen voor opvolging op 7 december. 

Ik voel me echter niet zo goed bij dit voorstel, het duurt allemaal al veel te lang, al bijna een jaar sinds mijn eerste contact met dokter Veys. Daarnaast komt het veel te veel over als ‘we zullen dit ook nog eens proberen, eens kijken wat dat geeft’, een zoveelste trial and error experiment op mijn lichaam dat al zo lang in nood verkeert. Maar mijn hulpverleners, noch die van hoge adel, noch die fantast, delen duidelijk niet mijn sense of urgency. Want wanneer ik vraag: “Dat wil zeggen dat jullie nog altijd denken dat het een ontsteking is, niet? En wat als het geen ontsteking is? Als het iets anders is?,” word ik onder lichte dwang, met een duw van de hand van de Gekke Hoedenmaker in mijn rug, de deur gewezen terwijl hij zegt: “Dat zullen we dan wel zien, mijnheer Hoskens.”

17 november 2018 – Een boze mail

Ik heb beslist deze keer een mailtje te sturen naar die ‘Dienst Oftalmologie van UZ Leuven’. Ik ben benieuwd of ze ook schriftelijk gaan durven voorstellen te wachten ‘tot dat het pijn doet’. Bovendien heeft het geschreven woord meer overtuigingskracht dan een telefonische oproep. Het snijdt dieper en is veel gevaarlijker. God weet wie het ooit in zijn handen krijgt. 

Sat, Nov 17, 3:05 PM

to oogziekten@uzleuven.be

Besten,

Kan iemand van jullie (hopelijk, of daar ga ik toch van uit) professionele oogdienstverleners mij laten weten of het normaal is dat ik bijna twee maanden na een (door u geclaimed in mijn ontslagbrief) succesvol verlopen operatie aan mijn linkeroog nog steeds een aanzienlijke zwelling heb ter hoogte van datzelfde oog?

En ok het doet nog steeds niet echt pijn  (toen ik een maand geleden belde met dezelfde vraag kreeg ik als vraag terug  “of het pijn deed?”, gevolgd door het advies terug te komen eenmaal wanneer het echt pijn deed), maar het ziet ondertussen wel roodblauw. Ik vraag mij af of dit ook normaal is? 

Binnen een week word ik verondersteld op basis van uw richtlijnen te stoppen met mijn oogdruppels. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat dit tegen dan een goed idee is. En mijn volgende afspraak met uw staflid Professor Mombaerts is pas op 21 december. Kunt u mij daarom advies geven over de verder te volgen procedure? Ben ik verondersteld gewoon terug te gaan naar mijn huisarts voor extra oogdruppels in de hoop om op die manier de ontsteking verder onder controle te houden tot de afspraak van 21 december? Of kan ik mij verwachten aan een meer professionele opvolging van mijn casus door uw diensten? Of wacht ik verder tot het echt pijn begint te doen om dan via een eventuele spoedopname de nodige zorgverstrekking te verkrijgen?

Natuurlijk, ook indien dit alles nog steeds het gevolg zou kunnen zijn van de biologisch afbreekbare lijm die u gebruikt hebt tijdens de operatie zou ik dit graag van u vernemen. Want zelf heb ik totaal geen idee van waaraan ik me kan verwachten tijdens mijn revalidatie om de simpele reden dat u daar op geen enkel moment over gecommuniceerd hebt.

Dank u voor het antwoord,

Uw patiënt Patrick Hoskens

ReplyForward

13 November 2018 – Teamvergadering

Het doet nog altijd geen pijn. Maar we zijn dinsdagnamiddag en dat wil zeggen dat we  nu onze wekelijkse teamvergadering hebben. Tot nu toe zijn mijn collega’s enorm supportief geweest, maar zelf begin ik me enorm te schamen voor mijn nieuwe Quasimodo-look. Vooral het woord ‘klantenbezoek’ begint me langzaamaan de stuipen op het lijf te jagen. Dan zit je daar te presenteren in kostuum bij een bank en probeer je verkrampt zo weinig mogelijk het woord ‘oog’ of aanverwante begrippen te gebruiken (wat niet zo eenvoudig is als het lijkt) en de aandacht af te leiden van alles dat gelaat is. Zo worden mijn powerpointpresentaties flashier en flashier. De animaties die ik erin steek doen bijna pijn aan de ogen (lap!). De hoop is dat ze op deze manier die vervelende aandacht van het publiek captiveren en vast houden. Zolang ze maar niet naar mijn gezicht kijken. Dat is mijn nieuwe moto.

Maar nu is het Fabiano, het werkpaard van het team, die aan het presenteren is en we zitten allen, acht man sterk, rond de grote tafel die op zich alleen al zo’n 80% van de vergaderruimte in beslag neemt. Zoals zo vaak bij presentaties van Brabantse trekpaarden, excelleren die van Fabiano net niet op het vlak van de visuals. Catchy statements, pictogrammen, leuke lay-outs, het is allemaal niet aan hem besteed. Meestal zijn het ellenlange excelsheets met projecten, actiepunten, owners en deadlines op. Zodat het risicoschuw management het gevoel heeft dat 1) er heel veel werk verzet wordt en 2), nog veel belangrijker, alles onder controle is. Dat de rest van de organisatie zich ondertussen verloren voelt bij zoveel opgelijste ijver is van ondergeschikt belang. Maar deze keer is het behandelde onderwerp zelf wel belangrijk en dus probeer ik, met de nadruk op probeer, te volgen. Enige bijkomende probleem: ondanks het feit dat ik helemaal niet zo ver zit van het scherm, kan ik niet zien wat erop staat. 

Zoals ik de afgelopen weken geleerd heb, probeer ik op een nogal ridicule en opzichtelijke (lap 2!) manier met de duim en wijsvinger van mijn linkerhand mijn ooghoek wat open te sperren zodat het traanvocht toch nog een weg naar buiten vindt. Om op die manier mijn zicht (lap 3!) wat te verbeteren. Maar zelfs dan lukt het niet meer zo goed. Ik vraag aan Fabiano om de zichtbaarheid (lap 4!) te verhogen door een beetje in te zoomen. “Hoe? Kun jij dat niet zien?,” hoor ik hem verbaasd reageren. Fabiano heeft echter als fanatiek jogger ook een getraind hart van goud en ondanks al zijn ongeloof probeert hij te doen wat ik vraag. Maar zelfs nadat hij de projectieresolutie ook nog eens verhoogd heeft, blijft het beeld flou voor mij. Ik sta al op het punt om het op te geven als ik merk dat drie stoelen verder nog een plaats vrij is. Als ik daar ga zitten, zit ik nog wat dichter bij het scherm en misschien lukt het dan wel, klinkt een vertwijfeld stemmetje in mij. Onder het voorwendsel nog een koekje te willen nemen uit de doos die Alexia, de half-Griekse keukenprinses van het team, een beetje verderop op tafel heeft gezet, probeer ik zo onopvallend mogelijk van plaats te veranderen. Opgelucht stel ik vast dat het daar inderdaad nog wel lukt, weliswaar met de hulp van mijn linkerduim en -wijsvinger.

Fabiano is net terug van jetje aan het geven. Jammer genoeg is het onderwerp dat mij interesseerde al achter de rug want hij gaat zoals altijd in een hels tempo door zijn gevreesde excelfile. Overgeleverd aan de lijst van overige actiepunten vraag ik me gepijnigd af of zo’n oogklemmen (lap 5!) zoals Alex, het hoofdpersonage van ‘A Clockwork Orange’, opgezet kreeg, om hem te dwingen te kijken naar de expliciete seksscenes afgewisseld met wat goede oude ultraviolence, of die ergens te koop zouden zijn? Als ik die zou kunnen vinden, op Bol.com of zo, kan ik misschien nog die 21 december halen.

Op weg naar huis passeer ik voor de eerste keer in zeven weken, zo lang heb ik plichtsgetrouw gewacht, zoals aanbevolen door mijn ‘specialiste’, langs het zwembad. Enkel om vast te stellen dat de druk van mijn zwembrilletje op het bolletje in mijn oogkas alleen nog maar meer pijn doet dan voor de operatie. Tegen dat ik thuis ben, ben ik zo gedegouteerd van mijn situatie, de toestand waarin mijn oog zich bevindt na eerst maanden wachten op een operatie en dan weken wachten na de operatie, dat ik de kwaadheid in mij nauwelijks nog de baas kan. Kortom, het wordt tijd voor retributie. Een oog voor een oog (lap 6&7!!!!) zou overdreven zijn en, god zij dank, niet nodig. Maar het scheelt niet veel, lijkt mij.