Ode aan de medische wetenschap

Ik voel me keigoed. Ben net terug aangekomen thuis van het ziekenhuis. Ik crash wel om de twee uur in de zetel en voel me een beetje duizelig in mijn hoofd, maar ik kan terug ademen door mijn neus. Wat een verademing! Dat er niets meer in mijn neusgat zit! Geen verstopping. Niets dat drukt tegen mijn neusvleugel. Dat weer zit te zoeken naar een weg naar buiten. Of als dat niet lukt naar binnen. En mijn neus ziet er nog ok uit ook. Een beetje dikker dan voorheen maar dat zal misschien ook wel weer terug weg gaan. Ze ziet er tenminste niet misvormd uit. Samen met mijn oog, of het gat waar vroeger mijn oog zat, zou het wat te veel geworden zijn voor één mens.

Ongelooflijk wat die medische wereld vandaag de dag allemaal kan. De ganse operatie is verlopen zonder ook maar enige snee in mijn huid. Met een endoscoop via de neusgaten naar binnen. Tot in mijn sinussen en oogkassen. We hadden wel een beetje geluk. Het gezwel hing voor een groot stuk nog los in het neusgat, vertelde de chirurg achteraf. Het had zich nog niet overal vastgegroeid in het omringende weefsel. Het kwam wel degelijk van links. Door een gat ontstaan in het tussenschot waarschijnlijk tijdens de eerste operatie in het UZGent, toen mijn linkeroog verwijderd is geweest. En waarschijnlijk, zegt de chirurg nog, gaat er daar, op de rand van die kleine opening, een klein stukje tumor achtergebleven zijn en is dat terug beginnen woekeren na de operatie.

Het strafste is dat ik terug lag op de afdeling waar ik toentertijd ook lag – bij de operatie aan mijn oog in januari 2019. Zo werden we opnieuw welkom geheten door onze homosexuele Castafiore die met zijn galmende stem aan een bijzonder gedetailleerde anamnese begon. Het is de afdeling van de reddende engels, de Roze Engel en Johnny Favorite. De afdeling van Neus, Keel en Oor en eigenlijk ook Hals en Oog, als ik het goed begrepen heb. Ik heb ervan geprofiteerd om mijn boek verder te verspreiden. Niet dat dat de bedoeling was. Het gebeurde allemaal spontaan. Een verpleegster die ik herkende van bijna 3 jaar geleden, was me aan het verzorgen en op een of andere manier kwam het boek ter sprake. Idioot als ik was probeerde ik haar nog duidelijk te maken dat het misschien toch de moeite was om het boek te kopen. Toonde haar op mijn smartphone dat ze het kon vinden op Bol.com. Totdat ik plots besefte dat zij één van mijn reddende engels van toen was. Dat ze een van die walkures was die mij toen terug naar aarde gebracht hadden. Naar Walhalla en terug. Die mij van Louis Cyphre gered hadden. En dan waren er nog al die andere engelen die hier ergens rond liepen. Daarom veranderde ik snel van gedacht. Ik vroeg haar of ze graag las. Ze zei van wel. Dan heb ik voorgesteld haar een copy van mijn boek te geven. In ruil vroeg ik slechts één ding terug. Eén ding, drong ik enigszins aan, “maar wel súperbelangrijk voor mij.” Dat ze, als ze het boek goed vond, het na lezing zou leggen in de kamer van de verpleging en erover zou vertellen aan de anderen. Zodat ook zij mijn ode aan hun werk zouden kunnen vernemen of zelfs lezen. Of los van mij, een keer horen hoe dat wij patiënten hun zorg beleven. En tegelijkertijd mijn dankbaarheid voor al het geleverde werk konden ervaren.

Het enigste minpunt op dit moment is het knagende gevoel dat het vanaf nu alleen maar slechter kan gaan. Beter dan dit wordt het niet meer. Vanaf nu is het wachten waar de ziekte de volgende keer gaat opduiken. En de kans dat het dan een vitaler orgaan wordt, dat is gewoon een kwestie van statistiek of zelfs logica. Want die kans wordt gewoon groter naarmate ik meer en meer minder vitale onderdelen verlies. Ik kan me dan ook niet los maken van de idee dat het vanaf nu alleen maar bergaf gaat gaan. Maar in de plaats van depressief in een hoekje weg te kruipen heb ik zin om d’r nog eens goed in te vliegen. Nu dat het terug mag na Corona, voor de eerste keer in mijn leven een reis naar de Verenigde Staten te maken. Of als dat niet kan, een wandeling in de Ardennen. Dat doet er niet toe. Dat is allemaal hetzelfde. Het ene kost alleen wat meer dan het andere. Zolang we d’r maar helemaal voor gaan. Als een ode aan het leven en aan de medische wereld. Want als de middelen goed aangewend worden is het wel fantastisch wat die medici allemaal kunnen doen. Ik blijf me alleen afvragen wat dit voor mij persoonlijk betekent zou hebben, wat het verschil in ziektegeschiedenis geweest zou zijn, als dit ook in 2018, in Gasthuisberg, gebeurd was.

Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is

Vandaag wordt mijn sanctuarium geopereerd. Mijn neus. Dat ding in het midden van mijn gezicht. Al sinds mijn vader overleden is in 2001, toen ik hem daar met die typische geelachtige wasschijn van een lijk opgebaard in de koelkelder van het ziekenhuis zag liggen, besef ik hoezeer het orgaan ons geslacht kenmerkt. Ook Vaderhoskens had zo’n machtig exemplaar. Ondanks dat hij ergens in de loop van zijn leven zijn neusbeentje was kwijt geraakt. Wat ik als klein kind bijzonder fascinerend vond. Toen hij bij ons thuis inwoonde vroeg ik hem regelmatig om een keer zijn neus plat te drukken tegen zijn gezicht. En telkens wanneer hij het deed, met zijn duim tegen zijn wang, moest hij lachen omdat ik met open mond zat toe te kijken. Tegenover Tin had ik het steevast over mijn prachtige Romeinse neus. En de afgelopen jaren is mijn interesse in dit kleinood alleen maar groter geworden. Vooral na mijn ontslag bij Mobistar, toen ik in stukken uiteen geslagen depressief in bed lag en gedurende meerdere weken zelf niet langer bestond, heb ik ontdekt dat als cement voor de hoekstenen van ons leven geur een veel wezenlijker grondstof is dan smaak. Waar dat Proust een madeleinekoekje nodig had om teruggeworpen te worden in de tijd, ontdekte ik dat de reukzin een veel beter kompas is om je weg terug te vinden als je je zelf verloren bent. Voor diegenen die dit alles een beetje overtrokken vinden, sta mij toe even uit te wijden.

Specifieke geuren, zowel van als uit de omgeving rond ons lichaam, maken integraal deel uit van wie we zijn. Zo zijn er externe geuren die de meesten van ons kennen, zeker mensen zoals ik, afkomstig van ‘den boerenbuiten’; de geur van natte aarde na een fikse regenbui of de geur van stro in de zomerse lucht. Daarnaast zijn er de geuren van je lichaam zelf waar vaak een taboe rondhangt. Vaak want het geldt niet voor hen allemaal. Zo is er bijvoorbeeld de lichaamsgeur van jezelf en je partner die iedereen kent. Maar vaak gaat het om andere geuren die veel intiemer zijn en waar men dus niet zo vlot over spreekt. Waar deze geuren zich juist bevinden verschilt van mens tot mens. Ik kan dus niet voor anderen spreken maar in mijn geval zijn de volgende dingen bron van ontieglijk olfactorisch genot: de vuiligheid tussen mijn tenen, de geur van mijn piemel, de prut in mijn navel, enz. ‘s Avonds in bed heb ik dan ook geen ‘Yoga-Ohm’ nodig om één te worden met het universum. Een lekker geurtje van een bron die ik en ik alleen ken en ik ben vertrokken.

Voor diegenen die nu gechoqueerd zijn, dat is voor niets nodig: deze geuren zijn gewoon de eerste referentiepunten die je als kind in de wieg meegekregen hebt. Want wat bevindt zich in je wieg buiten je lichaam? Misschien nog een fopspeen of een knuffel waar je trouwens ook graag aan ruikt. En dat zal het zo’n beetje zijn. En met dat lichaam, met al die indringende geuren, daar groei je mee op. Bij alles dat we doen en meemaken, als baby, als kind, als volwassene, zeulen we dat lichaam met die kenmerkende geuren mee. Terwijl we ons zelfs niet eens echt bewust zijn van onze afhankelijkheid van deze massa aan gewicht en data. Ruikt het dan allemaal anders bij mij dan bij de anderen? Ik zou het niet weten. Ik heb het nooit geroken bij een ander en zou het ook niet willen ruiken. Maar van mezelf herken ik deze geuren uit duizenden. Elk vleugje van deze geuren brengt mij terug naar vervlogen tijden, tijden waarin ikzelf ontstaan ben, mijn eerste kennismaking met de wereld. Daarom is geur dan ook wat mij betreft fundamenteler dan smaak. Het gaat verder terug in de tijd; tot op het ontstaan van de wereld.

Aangezien echter de biopsie aangetoond heeft dat ook het bolletje in mijn neus kwaadaardig is, is er dus nog een tweede operatie vereist. Om ook dit gezwel volledig te verwijderen. Twee operaties op één maand tijd. Door telkens andere specialisten. Niet dat ik niet wil dat het gebeurt. Integendeel. Ik prijs me gelukkig dat er nog een operatie mogelijk is. En dat ze zo snel mogelijk plaats vindt. Want sindsdien, sinds de laatste onderzoeken, heb ik het gevoel dat de zone rond mijn rechteroog begint te reageren op de tumor in mijn neus. Misschien is het enkel de toenemende druk op mijn neusvleugel of het ondertussen volledig verstopte neusgat, maar die vreemde sensatie onder mijn oog dat het overigens steeds moeilijker krijgt om te focussen doet me bibberen. De gedachte dat ook mijn enige overblijvende oog geïmpacteerd zou worden door dit nieuwe gezwel is gewoon huiveringwekkend.

Ik prijs me dan ook weer gelukkig in UZGent in behandeling te zijn. De idee dat de operatie uitgesteld zou worden omdat er terug te veel coronabesmettingen zijn, zou, gegeven de omstandigheden, al even gruwelijk zijn. En dat UZGent, als enigste ziekenhuis, de richtlijn van de overheid om 25% van de intensive care bedden te reserveren voor coronapatiënten naast zich neerlegt, kan op veel applaus van mij rekenen. Dit terwijl dat Gasthuisberg, die bullebak van een ziekenhuis van die Katholieke Universiteit van Leuven, als eerste, klakkeloos en als een brave jongensscout, de richtlijn volgde; en zelfs een patiënt met een hersentumor die al een keer met uitstel geconfronteerd werd tijdens de tweede coronagolf nu in de vierde – koudhartiger kan het niet – van de tafel haalde in de operatiekamer.

Het gemak waarmee men een grote hoeveelheid aan anonieme, individuele mensen wegzet ten voordele van een andere grote groep mensen met een maatschappelijk en dus politiek heel zichtbare ziekte, waarvoor men zich godbetert ondertussen al lang had kunnen laten vaccineren, vind ik hallucinant. En dat allemaal gewoon omdat de beleidsvoerders nog altijd niet het lef hebben om vaccinatie verplicht te maken. Want er zijn stemgerechtigde paranoïde antivaxers die op de stoep luidop staan te brullen dat hun vrijheid bedreigd wordt. Ochottekes toch. God zij dank bestaat er nog iets als het UZGent dat de mensen op hun eigen verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden wijst. Van onze laffe politici moeten we het niet verwachten.

In afwachting hoop ikzelf vooral dat het deze keer wat minder pijn gaat doen. De vorige keer, bij mijn bijnier, hebben ze nadien een morphinepomp moeten plaatsen. Zo ondraaglijk was de pijn. De operatie zelf is blijkbaar wel goed verlopen. Het gezwel zat nog goed ingekapseld in de bijnier. Alleen verschoot de chirurge dat het zozeer – van 3 naar bijna 4 centimer – gegroeid was op een maand tijd – de tijd verlopen tussen de laatste scan en de operatie.

Het vreemde is wel dat het gezwel in mijn neus zich in het rechterneusgat bevindt. De specialisten zijn ervan overtuigd dat het van de linkerkant van mijn gezicht komt, daar waar het oorspronkelijke bolletje zich bevond naast mijn linkeroog. Op een of andere manier, is het waarschijnlijk door het tussenschot van de neus heen naar de overkant gekropen, zeggen ze. Of dit zo is, zal blijken tijdens de operatie. De grote vraag is of de neus zelf intact zal kunnen blijven. Voorlopig hoopt men of denkt men van wel. En wordt het een soort van extra grote snutbeurt waarbij sinussen en slijmvliezen, en op zijn minst een stuk van het tussenschot, samen met het gezwel verwijderd worden. Als echter de neusbrug zelf geïmpacteerd zou blijken te zijn dan wordt het een heel ander verhaal. Dan zou ook die aangepast moeten worden en zou er nog een ingreep in mijn gezicht zelf moeten plaats vinden. Dan zou er naast het het gat in mijn hoofd waar vroeger mijn oog zat een geretoucheerde neus te zien zijn.

Ik hoop vooral dat mijn bril nog op mijn neus gaat kunnen blijven staan want zonder ben ik helemaal verloren. En niet alleen omdat ik dan zo goed als blind door het leven ga moeten gaan maar vooral omdat mijn grote piratenverdwijntruc met het ooglapje voor het brilglas en de lange baard van Kapitein Grijsbaard niet langer zal werken. Net zoals Cyrano de Bergerac ga ik dan enkel nog in het donker, verborgen voor iedereen, mijn liefde voor het leven kunnen bezingen. Langs de andere kant, de goegemeente en al zeker die onzin-uitbrakende vrijheidsstrijders gaan zeggen dat ik blij en dankbaar moet zijn dat ik nog kan zingen.

Keer op keer

Vandaag is het weer zover. Vandaag vindt mijn derde echte operatie plaats sinds al deze miserie begon. Over de eerste, eigenlijk de vierde dus, diegene die in dat walgelijk arrogante Gasthuisberg uitgevoerd werd, zullen we maar zwijgen. Dat medisch geklungel was die naam niet waardig. De eerste echte operatie was die aan mijn oog, of beter gezegd was de extractie van mijn linkeroog, toen alles al om zeep was net door dat amateuristisch geklungel van Hartenkoningin, een professor ophtalmologie van de KUL nota bene. De tweede waren de lymfeklieren in mijn hals en nek die verwijderd werden. Tussendoor heb ik nog enkele operaties onder volledige narcose gehad; voor een biopsie of voor de vervollediging van de plastische chirurgie in mijn gezicht en dergelijke dingen. Maar we moeten ook niet overdrijven hein, in het opsommen van wat er allemaal niet met mij gebeurd is sinds ik in de klauwen van dat veelkoppig monster boven op de berg terechtgekomen ben. Subiet gaan de mensen nog denken dat we last hebben van zelfmedelijden.

Er gaan minstens vijf gaatjes in mijn buik gemaakt worden. Eén van de vijf gaatjes wat groter dan de andere. Om via die weg, met behulp van een robot en via een kijkoperatie, mijn rechterbijnier chirurgisch te verwijderen. Eventueel, afhankelijk van het verloop van de operatie, de hoeveelheid organen die verzet gaan moeten worden om die bijnier te pakken te krijgen en dus de hoeveelheid schade die toegebracht zal moeten worden, wordt er weer een drain geplaatst in mijn lies of zij om al het overtollige bloed op te vangen. Tegelijkertijd wordt er een punctie gevolgd door een biopsie van het bobbeltje in mijn rechterneusgat uitgevoerd. Er is mij verteld dat ik wakker zal worden als een bokser met watten in mijn neus. Om ook hier het heilige bloed op te vangen.

Net zoals de eerste keer zijn Tin en de kinderen gisterenavond nog even afgekomen en zijn we samen nog snel iets gaan eten. Doordat Tin deze keer vanuit het verre Kortenberg taxichauffeur speelde was Koenie er deze keer niet bij. De goede Italiaan van toen, had net zijn sluitingsdag en dus waren we verplicht naar een duurdere en zoals zo vaak slechtere Italiaan te gaan. Toch was het weer keigezellig. Sam moest huizen schetsen voor haar nieuwe studie. Ella zich voorbereiden voor een toets scheikunde en Frans. Tin kon wat bekomen van haar laatste les Nederlands voor voortdurend afwezige anderstaligen.

Zoals de laatste tijd zo vaak houdt Tin mij recht met een simpel handje. Ze voelt dat ik het zelf niet echt meer zie zitten. De vorige keren was er nog de hoop dat we het onder controle konden houden. Nu niet meer. Nog even en mijn lichaam, dat minder en minder aanvoelt als mijn lichaam, wordt zoals een robot die enkel nog met haken en ogen aan mekaar hangt om dan finaal de geest te geven; zoals Der Arnold in The Terminator, platgewalst door het lot. Misschien zou het dan ook niet zo erg zijn als het hier allemaal eindigt. Als ik onder volledige narcose plots wegslip richting Walhalla. Als ik al ‘vechtend’ op de tafel, zoals de goegemeente het graag zo krijgs- en heldhaftig uitdrukt, dit laf systeem van schaamteloze, straffeloze ziekenzorg ondanks schandalige fouten zoals geïnstitutionaliseerd op Gasthuisberg en gedoogd door een moedwillig impotente rechtsstaat achter mij laat.

Mijn grote broer had me om me te steunen gisteren enkele foto’s doorgestuurd vanuit Sardinië waar hij pensioensgewijs het laatste stukje zomer aan het vieren is. Ze waren afkomstig uit het dorpje Orgosolo. ‘Wereldberoemde, politiek geïnspireerde muurschilderingen’, wist hij mij te zeggen. En inderdaad op een ervan staat een portret en citaat van Gino Strada, een Italiaanse mensenrechtenactivist die pas twee maanden geleden gestorven is. Maar het is vooral een citaat van Bertold Brecht dat eraan toegevoegd is dat hier het vermelden waard is: “Felice il popolo che non ha bisogno di eroi.” Voor de niet-Italofielen onder jullie, het betekent: ‘Zalig het volk dat geen helden nodig heeft.’ Al diegenen die geloven dat hun luxueus leven hier het rechtvaardige resultaat is van al het geleverde harde werk, al diegenen die beweren dat het leven een strijd is waarbij dat anderen sowieso het onderspit moeten delven, al die zelfbedruipende egotrippers zoals ik ze graag noem, vinden het maar zever, want hun ganse bestaan is net gebaseerd op de idee dat er nu eenmaal winnaars en losers zijn en dat die losers het gewoon aan zichzelf te danken hebben. Ik daarentegen vind de uitspraak van Brecht boem d’r op en prachtig. Ze toont hoezeer hij doordrongen was van een hogere waarheid, een waarheid die ons allen dichter bij mekaar brengt in plaats van tegenover elkaar stelt.

De hel is al aangebroken

Ik moet al niet meer wachten. Ik zit er al volop in. In die hel. Een week geleden heb ik de resultaten van mijn laatste driemaandelijkse scan gekregen. Dit is zo’n beetje de stand van zaken: om het simpel te houden eerst het slechte nieuws. Er is waarschijnlijk een nieuw gezwel aan een van mijn bijnieren ontdekt, mogelijks een gezwel in mijn neus, en ook het gezwel in mijn hersenen zou terug wat groter geworden zijn. De metastase veroorzaakt door al dat medisch geklungel van de dienst ophtalmologie op Gasthuisberg zet zich dus meedogenloos verder.

Voorstel op dit moment is alvast de bijnier operatief te verwijderen. Waarom enkel of eerst de bijnier? Omdat ge één bijnier kunt missen en vooral omdat dat zich in een ander ‘systeem’ bevindt, ver weg van het hoofd waar de tumoren tot nu toe opgedoken waren. Dit duidt, voor de uiteindelijke diagnose heel belangrijk om te onderzoeken zo zegt men mij, mogelijks op hematostasie of zoiets; dat de kanker zich via het bloed verspreidt in mijn lichaam; ‘dat de kanker al in het bloed zit’, zegt men in de volksmond. De hersenen kunnen ze niet opereren en de neus verwijderen ligt nogal moeilijk. Zeker als ge zo’n schoon neus hebt als ik. Bovendien is het gezwel aan de bijnier veruit het grootst (ineens 3 centimeter op 3 maanden tijd versus 4 mm in de hersenen en 5 mm in de neus).

Wat mij brengt bij het goede nieuws – ja, ja, ja, midden in deze lijst aan weeral afschuwelijke dingen is er ook goed nieuws: er zou een genmutatie vastgesteld zijn in de gezwellen verwijderd uit mijn hals. Hetgeen betekent dat ik in aanmerking kom voor een ‘doelgerichte therapie’: een nieuw soort medicatie op basis van pillen die specifiek die mutatie targeten in de hoop zo de kanker te stoppen (small mocelules medicatie noemen ze het). State-of-the-art, spiksplinternieuwe medicamenten die ‘systeemtherapie’, het plat smijten van een gans lichaam met bijvoorbeeld chemo, vermijdbaar maken.

Wat niet betekent dat ik nog een kans op genezing heb. Mijn oncologe was heel duidelijk: “U bent een patiënt met uitzaaiingen, mijnheer Hoskens.” Maar als deze medicamenten aanslaan zou dat potentieel levensverlengend kunnen zijn – voor de duur dat ze blijven werken. Vrij vertaald op zijn Patrick Hoskens: met de metastase die zich nu duidelijk verder zet, is het een kwestie van enkele maanden voordat nog andere gezwellen verschijnen op nog andere plaatsen of de gezwellen die er nu al zijn zo hard groeien dat het niet langer houdbaar wordt. Zonder die medicatie zouden mij nu alleen nog wat palliatieve chemotherapie en bestralingen gewacht hebben. Voorlopig wordt deze nieuwe therapie wel niet opgestart want zo lang het nog niet echt nodig is, ‘wachten we beter nog een beetje af’. Ook hier weer vrij vertaald: aangezien ook deze medicatie, als ze werkt, maar een beperkte duur zal werken, beter zo lang mogelijk wachten om ermee te beginnen.

Voila, dat is het zo’n beetje, beste lezers. Dit alles nog steeds met dank aan dat gargantueske monster boven op de berg, dat zo bejubeld universitair ziekenhuis van de Katholieke Universiteit van Leuven, Gasthuisberg. Mensen, blijf daar weg. Met hun ontieglijke arrogantie verdienen ze al die roem en glorie niet. Echt niet. En als het misloopt – door een menselijke of een professionele fout tot zelfs waanzinnigmakende nalatigheid toe, zo onvoorstelbaar kan het zijn, dat maakt voor hen allemaal geen verschil – behandelen ze u als stront. Of nog erger, want zelfs stront bestaat nog.

Recht naar de hel

Mijn grootvader zaliger, die met zijn ouderdomskanker, die 87 jaar oud is geworden, woonde op het eind van zijn leven bij ons in. Aanvankelijk samen met mijn grootmoeder, die dement geworden was, die regelmatig ‘s nachts verward de deur van mijn ouderlijk huis achter haar dichtsloeg op zoek naar het hare in het pikkedonker meer dan 20 kilometer verderop, die na 40 jaar huwelijk mijn grootvader uit haar bed weg joeg uit schrik dat haar ouders zouden ontdekken dat hij bij haar lag te slapen. Mijn moeder zorgde in die tijd helemaal alleen voor een seniele schoonmoeder, een koppige schoonvader, drie kinderen en een vaak afwezige man.

Als wederdienst had die grootvader aan mijn moeder beloofd om terug te komen als hij ooit zou sterven. Dat als er echt een hiernamaals zou bestaan, hij alles eraan zou doen om terug te keren. Om zo het ultieme bewijs te leveren aan mijn moeder van het eeuwige leven. Een wederdienst die kon tellen voor mijn diepgelovige moeder. Vooral ook omdat hij naar haar gevoel niet veel andere wederdiensten leverde. Of toch niet genoeg zijn waardering uitsprak tijdens zijn leven zelf voor al haar dienstbetoon.

Natuurlijk, hoe kan het ook anders, keerde hij nooit terug. Ondanks zijn vele en herhaaldelijke beloftes. Ons moeder bleef achter met een gevoel van onderwaardering. Totdat een vijftal jaar later ze bij de KAV, de Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging, een bedevaart met de bus naar Lourdes won. Ze kwam dolgelukkig thuis en kon het niet laten om mij zelfs wakker te maken om me het goede nieuws te melden. Ik zie haar nog in de deur van mijn slaapkamer staan in het licht van de gang, wreed content. “Vaderhoskens heeft hiervoor gezorgd Patrick. Hij heeft altijd beloofd dat hij ging terugkeren uit de dood, maar heeft het nooit gedaan. Volgens mij kon hij het gewoon niet en heeft hij nu dit in de plaats gedaan. En weet je wat nog straffer is Patrick? Ik wist dit op voorhand! Ik wist voordat ik naar ginder vertrok dat ik die lotto ging winnen en dat Vaderhoskens daarvoor gezorgd had. Dat is toch ongelooflijk? Dat dit nu ook zo uitkomt?!”

Als jonge ongelovige kon ik alleen maar gapend en knipperend met de ogen beamen vanuit mijn bed dat ik dat ook wel ongelooflijk vond. Dat dat toch wel allemaal heel straf was. Ik wenste haar alvast veel plezier met haar trip. Al kon ik me als jonge adolescent niet echt goed voorstellen wat daar zo plezant aan ging zijn. Op een bus zitten met allemaal oudere vrouwen om dan op bedevaart te gaan naar Lourdes. Achteraf, als ze me vertelde over al de zieke, gehandicapte mensen die ze daar had zien bidden aan de grot en in de gigantische ondergrondse basiliek kon ik mijn arrogante staart weer intrekken. Maar neen, op dat moment zelf, leek me dat toch echt niet zo fantastisch terwijl mijn moeder extatisch de deur terug sloot.

Waar ik natuurlijk ook niet aan dacht als jongeling was dat voor mijn moeder zo’n trip niet alleen letterlijk grensoverschrijdend was. Ze was in haar ganse leven amper op vakantie geweest. De enigste die ik mij herinnerde, en dat was dan nog alleen maar van horen zeggen, was ooit, in een ver verleden, een trip naar het Zwarte Woud samen met de oudste broer van mijn vader en zijn echtgenote. Voor de rest, een dagtrip naar Amsterdam en eentje naar Fantasialand in Duitsland met het werk van mijn vader, die laatste nog eerder voor mij dan voor henzelf en dat was het dan. En nu, met de bus helemaal naar het zuiden van Frankrijk en zelfs zonder ons vader! Het risico dat dit een ware revolutie zou ontketenen op het thuisfront leek groot. Bedevaartsoord of Côte d’Azur, deed er niet toe.

Zelf zal ik ook nooit terug komen, vrees ik. Misschien dat mijn grootvader die reis inderdaad heeft kunnen bedisselen met de één of andere aartsengel. Want het zou best kunnen dat hij in de hemel terechtgekomen is. Maar als er toch een hiernamaals bestaat, zal het voor mij ongetwijfeld de hel zijn. Met al mijn donkere gedachten, mijn onchristelijke freudiaanse kijk op de mens met vunzige driften, dat venijnige allesbepalende onbewuste, orale en anale toestanden en al, om nu te eindigen met de wild om zich heen slaande woede over dit systeem dat mensen zoals mij behandelt als stront, als een onvermijdbaar nevenproduct van een voor de rest perfect lopende gezondheidszorg.

Als dat nog niet genoeg is, zijn er daarnaast de vele zonden die ik begaan heb. Niet de alledaagse, maar echte, grote zonden, hoofdzonden. Het begon al vroeg. Als tienjarige met het stelen van geld van diezelfde oude stamvader om daarmee Kuifjealbums en strips van Asterix& Obelix te kunnen kopen. Dit was trouwens de eerste keer dat mijn moeder mij aansprak vanuit een belichte gang door een opengeworpen slaapkamerdeur. De diepe teleurstelling in haar jongste zoon die haar moederhart te verduren kreeg werd een van de grootste trauma’s van mijn jeugd. Dan, als puber van veertien jaar, meisjes direct na de verovering als een baksteen laten vallen, eentje voor de ogen van haar moeder, niet omdat ik ze dan al beu was, dat zou een typische macho-leugen zijn, maar gewoon uit lafheid, want wat zeg je als snotaap tegen een potentiële toekomstige schoonmoeder? Dan was er mijn eerste echte lief die ik na allerlei overspelig gedoe dwong te kiezen tussen mij en haar ouders, een gevecht dat ik alleen maar kon verliezen maar, dacht ik, toch gevoerd moest worden. En was het wel de bedoeling dat ik zou winnen? Want na al de miserie zag ik het zelf niet meer zitten. Mijn schijterige achterhoedegevechten tegen, ruimschoots onvoldoende openlijke conflicten met, de vele klootzakjes, vroeger op school, later op het werk en altijd op straat. En dan is er alles wat ik in de loop van de jaren mis gedaan heb naar Tin en de kinderen toe. Elke mens maakt talloze fouten. Maar sommigen al meer dan een ander. Hel en verdoemenis zal het worden voor mij.

De vraag is alleen welke hel het dan wel zal worden. Dante beschreef er negen. Of een hel bestaande uit negen verschillende niveaus, concentrische cirkels, zo beschreef hij ze, die samen zijn Inferno vormden. Afhankelijk van het type zondaar dat je was kwam je terecht in een van de cirkels. Des te grotere zondaar je was, des te dieper in de hel je eindigde. Het kantelpunt tussen de kleine en de echt grote zondaars lag tussen de zesde en de zevende cirkel. Als je tot een van de eerste zes cirkels behoorde, maakte je nog kans om ooit nog eens in het vagevuur te geraken. Vanaf de zevende cirkel, voorbij de rivier de Styx en de muren van de stad Dis, was je voor eeuwig en altijd verdoemd. Om daar te geraken was er vooral één criterium van doorslaggevend belang: boosaardigheid. Zij die tijdens hun leven geen verschil hadden leren maken tussen goed en kwaad waren bij uitstek gedoemd om hier te eindigen.

Boosaardig kan men mij niet noemen denk ik. Gulzig wel. Vraag het maar aan mijn schoonvader die af en toe al zijn lekker eten ziet verdwijnen in mijn keelgat. En soms huichelachtig, dat misschien ook wel. Vandaar dat ik waarschijnlijk zo vaak iets inleid met: “Om eerlijk te zijn,…” Als ik zo die cirkels bekijk vermoed ik dat ik, die zo gulzig in het leven stond, ergens in de bovenhel, gevormd door de eerste zes cirkels, zal terecht komen. Bij de vraatzuchtigen of zo, in de derde cirkel van Dante’s Inferno. Mombaerts en de rest van dat arrogant management van Gasthuisberg daarentegen lijken mij bestemd voor de benedenhel, de diepste cirkels. Want dat ze goed en kwaad niet uit elkaar kunnen houden blijkt duidelijk uit de hypocrisie waarmee ze medische slachtoffers dood zwijgen en totaal gewetenloos aan hun lot overlaten, gewoon ontkennen dat ze bestaan zelfs, doen alsof ze nooit bestaan hebben – de hypocrieten bevinden zich trouwens in de achtste cirkel bijna aan het middelpunt van de hel waar zich de bedriegers bevinden, de ‘Malebolge’ noemde Dante hen; zij moeten daar gouden mantels gelijnd met lood van binnen dragen terwijl ze met deze loeizware last tot het einde der tijden hun cirkel afwandelen, een beetje zoals de diensthoofden van dat monster van een ziekenhuis in het wit hun gangen afwandelen, vanbuiten zuiver en puur, vanbinnen ijzingwekkend arrogant en hovaardig, zich gedragend volgens het aloude droit divin, dat onkruid dat wij, de burgers van deze Westerse democratieën, met wortel en al dachten uitgeroeid te hebben via de Franse revolutie en haar talrijke naweeën.

Zelf zal ik amper 57 jaar oud worden, zegt men mij. Dertig jaar jonger dan mijn grootvader zal ik niet in vrede sterven. Met dank aan die geïnstitutionaliseerde arrogantie van Gasthuisberg. Ondanks artikels in kranten die beweren dat nieuwe geneesmiddelen de levensverwachting van de Belgen ontzettend doen toenemen. Ondanks onze zo geroemde ziekenzorg die, zo wordt beweerd, op vier landen na de beste ter wereld is. Door medisch geklungel in het beroemdste en meest geroemde universitaire ziekenhuis van dit land. Zo maar, alsof er niets gebeurd is. Als een fait divers. En dat in een tijd waar aan niets nog meer belang gehecht wordt dan aan de duur en de lengte van dat kostbare leven zelf. Fuck de meest basale menselijke waarden, tot zelfs de rechten van de mens toe! Op de eerste plaats staat bij de Homo Modernus Occidentalis zo lang mogelijk genieten van lekker eten, half bloot naar festivals en op vakantie gaan en ondertussen nog meer geld vergaren om nog meer te kunnen eten en nog langer bloot naar festivals en op vakantie te kunnen gaan. In tijden van carpe diem, sex on the beach en meesmuilende bachelors en bachelorettes verdwijn ik alsof ik nooit bestaan heb, nooit iets gewild heb, nooit iets gehoopt heb. Recht naar de hel.

Aux armes, citoyens!

Bon, dat bastaardnederlands viel nog mee. Integendeel zelfs, de bemiddelaarster sprak perfect Algemeen Nederlands, ere wie ere toekomt. Maar voor de rest heeft die verzoeningskamer al mijn gevreesde clichés bevestigd. Zoals dat het niet voor niets is dat het net de Rechtvaardige Rechters zijn die verdwenen zijn tijdens het interbellum in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Dat recht en rechtvaardigheid twee verschillende dingen zijn die in dit land niet langer samen gaan. Dat Vrouwe Justitia hier niet alleen blind is, maar ook niet langer in staat is om de weegschaal recht te houden.

Eerst was er de procureur van Leuven die na meer dan een jaar een vraag tot vervolging wegens diefstal nota bene komende van de politie zelf verticaal klasseerde ‘bij gebrek aan een expert’. Maar de rechters zelf gebaren ook van krommenaas. Zij vinden van zichzelf dat ze goed bezig zijn en plaatsen zich hoog en droog boven al dat onder hen krioelend en bakkeleiend gepeupel. Zo is dat Justitiepaleis in Brussel met de gekroonde koepel boven op de oude Galgenberg van binnen al even indrukwekkend als van buiten. Het is gemaakt voor reuzen. Wij, het volk, zijn eigenlijk lilliputters en moeten ons klein en onbenullig voelen. Met ontzag moeten we opkijken naar de massieve koepel op 90 meter hoogte of het marmeren plafond dat op 40 meter hangt in de salle des pas perdus, daar waar de toekomstige veroordeelden wanhopig en verloren wachten op het strenge verdict. Of zo gaat toch de mythevorming rond die machtige justitie.

Want bovenal werd mijn grootste vrees volledig bevestigd. Slachtoffers van misdrijven worden in dit land door het gerecht zelf onder druk gezet om nog meer toegevingen te doen dan de talloze die ze al in de loop van de ellenlange procedure hebben moeten ondergaan. Met het dreigement dat een beroep nog eens vele jaren extra zal duren, worden ze zachtjes maar toch dwingend gepushed om een verzoeningsvoorstel van de tegenpartij te aanvaarden dat nog lager uitvalt dan wat er tot nu toe al vastgesteld is geweest door die meer dan vijftig jaar achteroplopende justitie-experten bij het opmaken van de schade. Een totaal absurde situatie op zich. Want het volstaat voor zij die wan- en misdaden begaan om achteraf in beroep te gaan om deze paradoxale steun van het gerecht zelf te verkrijgen. Natuurlijk dat dat Hof van Beroep verzuipt in de beroepen. Ik vermoed dat alle tegenpartijen tegenwoordig systematisch in beroep gaan.

Ik kan niet verder ingaan op de details van het voorstel en ook niet de inhoud van de gevoerde gesprekken want er werd ons gevraagd om de confidentialeit van de gesprekken te garanderen. Ik zal dat dan ook respecteren. Maar, in de praktijk, is dit hetgeen wat er gebeurt: slachtoffers worden afgedreigd om een nog slechter voorstel als minnelijke schikking te aanvaarden want het gerecht zelf is niet in staat zijn werk binnen een redelijke termijn uit te voeren. Als je het niet doet, ga je, in het begin van de vergadering, nog eens vier jaar extra, op het einde al zes jaar, want die duur neemt vreemd genoeg magisch toe naarmate de meeting vordert, moeten wachten op een zitting en dus een uitspraak. Bovendien bestaat er zoiets als een procesrisico wordt er gezegd. Vrij vertaald: elk proces dat je voert, kan je verliezen. Alsof slachtoffers dat niet beseffen en nonchalant al dat geld, al die tijd, al die energie investeren in een proces.

Dus, daar zit je dan, jezelf verongelijkt en opnieuw in de steek gelaten door vadertje staat voelend. Terwijl jij niet diegene bent die in beroep gegaan is, wordt jij plots diegene die extra kosten veroorzaakt, die moeilijk doet, die maar niet begrijpt dat het genoeg geweest is. De rollen draaien zich voor de zoveelste keer om. En deze keer met de volle medewerking van het gerecht. Het zijn de slachtoffers die de daders zijn. Het zijn de slachtoffers die moeilijk doen. Die te veel eisen en te hoge verwachtingen hebben. Die te weinig empathie hebben met die arme brutale daders.

Wel, beste justitie, en dames en heren politici, want jullie zijn hier voor mij als burger ondanks de scheiding der machten allen medeverantwoordelijk, ik denk dat jullie gewoon geen flauw benul meer hebben van wat wij verwachten. Nochtans is het simpel. Wij, de burgers, verwachten dat er recht geschiedt en als jullie daar niet voor kunnen zorgen, zullen op lange termijn de gevolgen voor jullie zijn. Maak jullie geen zorgen, zoals altijd zal ook dat weer ten koste van ons zijn. Maar denk niet dat de mensen dit gaan blijven pikken. En wanneer dat gebeurt zullen jullie ook in de kosten mogen delen. Net zoals in 1789. Want de zittende macht beseft nog altijd niet dat zij er zijn voor en door de burgers. En niet andersom.

Wij hebben alvast besloten om niet in te gaan op het onbeminnelijke voorstel. Zij die rechten gestudeerd hebben zijn blijkbaar niet langer in staat te begrijpen waarom. Maar in tegenstelling tot de mensen van het gerecht zelf hechten wij nog wel belang aan gerechtigheid. Wij zijn lilliputters en naïef en kunnen op die manier nog wel vechten voor iets wat absoluut nodig is om onze samenleving in stand te houden: een weegschaal die in balans is.

Kafka is er niets tegen, dit Belgisch justitieapparaat

Onze bomensaga duurt voort. Zoals ik jullie, beste lezers, al had laten weten is de tegenpartij ondanks de overtuigende bewijzen van onze kant, zoals twee proces-verbaals van twee beëdigde landmeters, in beroep gegaan tegen het tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg. Het voorlopige vonnis dat onze eigendom van de bomen bevestigde en een expert aanstelde om de juiste schade te bepalen. Een expert die dan een belachelijk lage schatting van de schade opmaakte, terwijl hij zijn eigen inspanningen overdreven hoog inschatte. Zelfs zo hoog inschatte dat het ineens evenveel kostte als twee van de zes bij ons illegaal verwijderde bomen volgens zijn eigen bespottelijke waardebepaling. Gewoon één van de zovele parasieten van ons gerechtelijk systeem die zich vet mesten terwijl de slachtoffers van de wan- en misdaden in de kou achtergelaten worden.

Enkel en alleen door in beroep te gaan wint de tegenpartij nog eens drie à vier jaar tijd want onze Hoven van Beroep zijn overvraagd en onderbemand. Of dat is toch wat die deftige dames en heren met hun bastaardnederlands en een foulardke of strikje rond hun nek steevast beweren op de TV. Maar zelfs als ze een ruim overschot aan personeel zouden hebben, zou er een enorme achterstand zijn; als je ziet met wat voor een ridicule argumenten, zoals een verwijzing naar de achttiende-eeuwse Ferrarisatlas, onze tegenpartij in beroep durft te gaan. Let op: het gaat hier dus wel over drie à vier jaar bovenop de vijf jaar dat dit proces voor een paar onnozel bomen nu al duurt.

Omdat zelfs ons gerecht beseft dat acht à negen jaar toch wel een heel lange tijd wachten is, sturen ze standaard wel een formele brief naar alle betrokken partijen met de vraag of ze toch niet bereid zijn zich te verzoenen. Zo ja, is iedereen content: de in onmin levende partijen want die vallen in mekaars armen en het gerecht want zij moeten niets meer doen buiten de verzoeningscommissie voorzitten. Dat die zaak, eigenlijk een strafzaak want vanuit het standpunt van dat elementaire eigendomsrecht een pure diefstal van onroerende goederen, al vijf jaar duurt, wordt niet in rekening gebracht. Dat er een rechtszaak loopt net omdat er geen verzoening mogelijk is en er dus recht gesproken moet worden, wordt verzwegen. Dat de tegenpartij in beroep gaat tegen een al belachelijk lage vergoeding voor de geleden schade, wordt niet in acht genomen. Het Hof van Beroep stelt gewoon beleefd en toch formeel de vraag: “Allez, allez, is er dan echt geen verzoening mogelijk, beste vrienden?”

Wel, toen wij de vraag kregen, hebben wij geantwoord dat wij ons best willen verzoenen maar onder één belangrijke voorwaarde: dat de tegenpartij de belachelijk lage waardebepaling van de expert en alle kosten aangegaan door ons voor het voeren van het proces aan ons vergoed. Al de kosten aangegaan door ons om onze eigendom te verdedigen door de aanwezigheid van een procureur in Leuven die nalaat dat, zoals het hoort, zelf te doen ondanks de formele bevestiging van de lokale politie dat het volgens hen hier om diefstal gaat. De tegenpartij stelde als tegenvoorstel bijzonder genereus voor alle onkosten en de veel te lage schadebapeling van de expert op te tellen en alles eerlijk te delen door twee. Vreemd want ons, de slachtoffers van hun brutale daad, die nu al vijf jaar op een kaalgeslagen bos moeten kijken, leek dit toch verre van eerlijk. Ons leek het eerder en weeral onbeschaamd en ronduit pervers. Bullebakkenwaardig.

Om maar te zeggen dat de kans op het slagen van een verzoeningsprocedure ons bijzonder klein lijkt. Je moet toch ook niet lang gestudeerd hebben om te weten dat één plus één twee is. Het schrijven van onze advocaat was in ieder geval duidelijk genoeg. En toch… Kafka is in dit land nooit ver weg en afgelopen week ontvingen we het dwingende verzoek om voor de verzoeningskamer te verschijnen. Beide partijen dienen, zo wordt gezegd, aanwezig te zijn, eventueel vergezeld van hun advoca(a)t(en). Besluit: in plaats van het werk te doen dat ze geacht worden te doen, namelijk recht spreken, speelt het gerecht Sinterklaas op zoek naar stoute kinderen om ze eens goed aan hun oren te trekken maar ze doen het nooit want alle kindjes zijn braaf in dit pokkeland. En ondertussen worden de slachtoffers verder onder druk gezet om nog meer toegevingen te doen terwijl de daders ongestraft blijven. Wij gaan, geconfronteerd met zoveel stompzinnigheid, voor de zoveelste keer onverrichterzake kostbare levensenergie en spaarzame tijd steken in het verdedigen van onze eigendom en rechten als burger van dit land. Onverrichterzake want de bullebakken met geld mogen blijven doen wat ze willen in dit land en ons gerecht staat erbij en kijkt ernaar. Negen jaar lang als het moet.

Bibberen

Het was weer bibberen enkele weken geleden. Op basis van de driemaandelijkse CT-scan vermoedde de oncologe een opflakkering van de kanker. Allereerst werd er in mijn linkeroogkas, de leeggelepelde dus, opnieuw iets verdachts vastgesteld. En ook ter hoogte van mijn lever lichtte iets vreemds op. Van mijn oogkas was mijn oncologe al, desgevraagd, 99% zeker dat het een nieuwe tumor was; de lever was nog onzeker. De vraag was enkel nog of we ons gingen beperken tot bestraling van de linkeroogkas of ineens nieuwe chemosessies gingen inplannen om oog, lever en mogelijks nog andere verborgen haarden samen aan te pakken. De tactiek van de verschroeide aarde opnieuw quoi: ofwel op één plaatske in de linkerhelft van mijn al zwaar gehavend gezicht, ofwel opnieuw mijn ganse lichaam aanpakken. Het eerste zag ik, buiten het dwangbuisgedoe met dat masker op dat monster van een bestralingsapparaat, nog enigszins zitten. Het tweede al helemaal niet meer. Terug volgespoten worden met zwaar toxische stoffen, van kop tot teen, in de hoop dat daarmee de gezwellen gecontroleerd, verkleind of voorkomen kunnen worden, neen dank u, dat hoeft geen tweede keer. Eén keer is genoeg geweest. Been there, done that. Nooit meer oorlog in het Vlaams.

Eerste impact van de woorden van de oncologe: pure ellende en totale hopeloosheid. Want dan hadden we het zelfs nog niet gehad over de zes of zeven ‘incidenten’ in mijn hersenen wiens status op dit moment totaal onbekend is, waar iedereen gewoon aan het wachten is tot dat er iets gebeurt en zolang er niets gebeurt, is het voortdoen terwijl we hout vasthouden. Net zoals ik zo lang gedaan heb tijdens de vele boswandelingen met Tin achter ons huis. Wat het helemaal bitter maakte, was dat ik me net beter was beginnen voelen de maanden voordien. Sterker ook, sterker dan ik de afgelopen twee jaar ooit geweest was. Zo sterk zelfs dat ik, bij goed nieuws van de driemaandelijkse check-up overwoog om terug te gaan zwemmen. Voor de eerste keer sinds deze hel losbarstte nu al meer dan twee jaar geleden.

Om te beslissen wat te doen, enkel dat oog bestralen of full chemo, werd er snel een PET-scan georganiseerd, zo’n hypergesophisticeerde scan met radioactieve suiker in het uit gewapend beton opgetrokken nucleair centrum van het UZ Gent. En wat bleek? Niet alleen was de lever vals alarm, zelfs het oog bleek een scheet in een fles. De opluchting was immens. Zo immens dat ik in de donkere consultatieruimte spontaan luidop begon te lachen. Zo luid dat de oncologe het gevoel kreeg dat ik haar 99% uitlachte. Waarop ik me tussen de onverbiddelijke lachsalvo’s door snel excuseerde met de haperende woorden: “Sorry, het is gewoon van de opluchting dat ik hier zo zit te lachen.”

Wat een gedoe. Wat een miserie toch. Telkens opnieuw die panische angst dat het nu echt gedaan is. Dat het begin van het einde begint. Een steile weg naar beneden die sowieso in een ravijn eindigt. En als je dan te horen krijgt dat het toch niets is, dan is een deltavlieger niets vergeleken met de vlucht die je neemt. Zelfs Sammy van Shaffy haalt je niet meer in. Hij mag nog zo veel omhoog kijken als hij wil.

Dus ben ik nu toch terug beginnen zwemmen. En het wonder geschiedt. Alhoewel ik voel dat ik op die twee jaar veel spiermassa verloren ben, geraak ik de eerste keer al aan 40 lengtes in één ruk, moeizaam gevolgd door nog eens 4X10 lengtes. De tweede keer 60 lengtes, gevolgd door 2×10. De derde keer al 70 en nog een 10tje. En de vierde keer reeds slaag ik er tot mijn verbazing in om terug 80 lengtes in één ruk te zwemmen. Wel een pak trager dan vroeger. Zo’n 8 à 9 minuten trager dan vroeger. Maar toch, wat een onverwachte overwinning voor mezelf!

Bijkomende voordelen van het zwemmen, ook al na 4 keer zwemmen: mijn rechterschouder die al sinds een maand of zes meer en meer een zeurderige pijn begon te vertonen – ik kreeg mijn arm nog maar amper opgehoffen – begint terug te functioneren. Zo kan ik al terug bij het instappen van mijn auto met mijn rechterarm mijn veiligheidsgordel vastpakken en over mij heen trekken richting kliksysteem. En een ander, nog veel beschamender lichamelijk dysfunctioneren houdt ook als bij toverslag op te bestaan. ‘s Ochtends moest ik sneller en sneller naar het toilet lopen of ik deed in mijn onderbroek. De laatste tijd zelfs in die mate dat het af en toe mislukte. Als erkend kankerpatiënt doemde meer en meer het schrikbeeld van prostaatkanker op. Niet dus. Niet alleen door de allesonthullende magische PET-scan maar ook door het zwemmen. Want na vier keer zwemmen al verdwijnen de plasproblemen helemaal en kan ik net zoals vroeger zonder problemen, en als een echte vent, zelfs zonder verdoken lekjes, mijn urine ophouden. Daarom en om af te sluiten, speciaal voor de mannelijke non-believers: die bekkenbodemspier bestaat dus echt! Ik beweer nu niet dat wij, onverbeterlijke macho’s dat we zijn, allemaal massaal aan yoga moeten beginnen doen maar een beetje zwemmen zou al veel helpen zoals onze vrouwelijke wederhelften maar al te goed beseffen. Alleen is het ook hier in het begin weer een beetje bibberen geblazen. In een goed zwembad is het water zo koud dat je moet beginnen zwemmen om het warm te krijgen.

28 april 2020 – Patrick Hoskens moet kapot!

Kust allemaal mijn kloten

Ik weet niet wie dat daarboven het bevel heeft gegeven, maar de volgende fase van het lopende project gaat in op 28 april 2020 rond een uur of zeven ’s avonds.

Aanleiding van het hele gebeuren: de konijnen van onze kinderen die ondanks castraties en infertilisaties en dus totaal onverwachts toch een nageslacht hebben weten te creëren. In een echte konijnenpijp achter het konijnenkot. Achter en dus buiten het konijnenkot. De kinderen maken zich zorgen met al die marters en vossen in de buurt en vragen of ze niet enkele nachten buiten mogen slapen om de nest konijnen te bewaken. Tot dat we ze in het konijnenkot krijgen.

Het weer is fantastisch. Warm en droog is het genoeg. Alleen hebben we geen kleine tent meer. Dus besluiten we de strandtent voor aan de zee samen met wat doeken op te stellen in de tuin vlakbij het konijnenhok maar vooral ook vlakbij de betonnen tuintafel die Koenie nog gebouwd heeft in de helling achter ons huis. En het is daar dat het onheil toeslaat. Want ligt het aan de smartphone die ik vast heb, of ligt het aan de permanente dode hoek in mijn zicht sinds de operatie in Gent, maar ik struikel over de lijnen van de windtent die zich links van mij bevinden en val meer dan een meter omlaag over de tuinbank heen. Ik slaag er nog net in met mijn linkervoet mij af te stoten op de betonnen rugleuning die pijlsnel op mij afkomt, maar mijn rechtervoet komt beneden slecht neer. Kortom, louter door het gewicht en de kracht dat erop neer komt, breek ik verschillende beentjes in mijn voet. Tot overmaat van ramp val ik door en stoot onmiddellijk daarna ook mijn rechterelleboog tegen de achtergevel van onze woning en breek ik ook nog eens mijn rechterelleboog. Verdict van het ganse gebeuren: 5 weken totale immobiliteit buiten een rolstoel op het gelijkvloers thuis.

God zij dank ben ik linkshandig en kan ik zo online thuis verder werken. Sinds enkele weken werk ik terug vier/vijfde na eerst halftijds terug begonnen te zijn. Jean, mijn baas, is opnieuw geschrokken en zegt dat ik maar moet zien wat nog lukt en wat niet. Dat mijn gezondheid nog altijd op de eerste plaats komt.

Al bij al, is de timing van het ongeval een meevaller. We zitten midden in de eerste Corona-lockdown en veel valt er dus niet te doen op dit moment. Maar dat dit net mij nu weer moet overkomen, doet toch enkele vragen rijzen. Zoals, “wie heeft in godsnaam daarboven het bevel gegeven: Patrick Hoskens moet kapot!”?