
2 januari 2019 – Wat een engelbewaarder allemaal niet lijden kan
Mijn twee engelbewaarders zijn terug in actie geschoten. Op 31 december al, aan de vooravond van oudejaar, stuurt Yvo me een mail met de vraag of ik al iets gehoord heb van het facial team. Onder de indruk van zijn timing vraag ik me deze keer af of hij bewust zo’n communicaties doet op een moment als dit. Zodat op zijn minst toch al die feestavonden al minstens gedeeltelijk gered worden. Stel je voor dat die ongelukkige ineens begint te wenen aan de feesttafel. Eén simpele vraag, één klein zinnetje in een mail en dat gevaar is geweken voor die beklagenswaardige disgenoten. En een klein beetje hoop is weer geplant in het hoofd van die patiënt en kan daar rustig zijn werk doen. In mijn geval: ik kan weer lachen voor een uur of twaalf. Ik antwoord van niet en laat hem terloops weten dat ik op 3 januari terug bij de oncoloog van AZ Middelares moet zijn. En dat het inderdaad misschien toch wel handig zou zijn om voordien al iets te vernemen van het facial team. Zodat ik op zijn minst weet wat daar de voorgestelde volgende stappen zijn.
Op 2 januari in de ochtend dan, er zijn nog mensen zat naar huis aan het gaan na meerdere dagen feesten, vraagt Willem me via mail of ik al iets gehoord heb van het facial team. Alsof hij en Yvo onderling afgesproken hebben om mij afwisselend te ondersteunen, de ene op oudejaar, de andere op tweede nieuwjaarsdag. De lieverds. Ik antwoord dankbaar van niet. Dankbaar ook omdat hij, in navolging van Yvo, er zelf over begint. Na een week twijfelen weet ik nog altijd niet hoe ik er zelf over moet beginnen tegenover hen, na alles wat ze al gedaan hebben voor mij. Ook opgelucht omdat ik nu morgen al mijn opvolgingsafspraak heb met de oncoloog van het AZ Middelares en ik dus totaal geen idee heb wat ik tegen die man ga kunnen of moeten zeggen over de UZ Gent piste. Willem antwoordt dat hij persoonlijk eens gaat checken wat er juist aan de hand is en mij zo snel mogelijk iets gaat laten weten.
Dan, rond de middag diezelfde dag nog, stuurt Yvo mij het verlossende bericht dat Nicolas Dhooghe, de plastisch chirurg, die namiddag nog mij gaat contacteren. En inderdaad rond half vijf begint mijn iPhone de begintune van ‘Gimme shelter’ van de Rolling Stones af te spelen, mijn al meer dan 10 jaar geleden zelfgekozen dial tone. Nicolas Dhooghe stelt zich kort voor en vraagt of ik op maandag 7 januari om 11u30 kan langskomen om samen met het facial team het behandelingsplan te bespreken. Hij excuseert zich ook dat het even geduurd heeft maar zegt dat er ondertussen ook wel al hard gewerkt is op mijn casus. Dat alle nodige informatie verzameld is geweest en dat de eerste overlegrondes binnen de verschillende teams opgestart zijn. Bij elk woord van hem gaat er een golf van opluchting door mijn lichaam. Er wordt écht gewerkt op mijn casus! Het was helemaal geen droom! Er zijn mensen dé facto mee bezig! En ik mag volgende week maandag al langs komen om te bespreken wat er gedaan moet worden. Onmiddellijk na het telefonisch gesprek stuur ik een nieuwe mail naar Yvo en Willem om hen opnieuw uitvoerig te bedanken en aan mijn opluchting deelachtig te maken. Ze is zo groot dat ik even overweeg om mijn dankbaarheid in natura vorm te geven maar bedenk me dan dat heteroseksuele mannen onderling best niet zo’n dingen doen.
Maar het ene probleem is nog niet opgelost of het andere duikt al weer op. Nu vraag ik me weer af of, als ik op 7 januari naar het facial team moet, het dan nog zin heeft om morgen, op 3 januari, naar die oncoloog van het AZ Maria Middelares te gaan? Bovendien, flitst er plots door mijn hoofd, hoe gaan die mensen wel niet reageren als ze te weten komen dat ik ondertussen ook in het UZ Gent opgevolgd word? Gaan die niet een beetje ambetant zijn? In de wereld waar ik vandaan kom, die harde bedrijfswereld met de vrije markten, zou zo’n ontwikkeling alvast een hevige discussie over de eigendom van de klant opleveren. Met op zijn minst een eis voor schadeloosstelling van misgelopen inkomsten. Willem antwoordt echter dat ik me daar totaal geen zorgen over moet maken. Of nog straffer, dat zowel Decock als de oncoloog van het AZ Middelares al hebben aangegeven dat ze akkoord gaan met een ingreep van Professor Vermeersch. Wat betreft de tweede vraag, of het nu nog de moeite loont om naar de opvolgingsafspraak te gaan met de oncoloog, stelt hij echter even kordaat van ja. Misschien dat ik nog wat extra informatie kan krijgen van de biopsie of zo, zegt hij. Bovendien is het niet omdat de chirurgische ingreep, als alles goed verloopt, door Professor Vermeersch zal uitgevoerd worden dat misschien de eventuele nabehandeling, indien zoiets aangewezen is, niet in het AZ Middelares kan gebeuren. Of al is het maar uit erkentelijkheid voor alles wat ze tot nu toe voor mij gedaan hebben. “Want ze hebben jou toch snel geholpen, niet Patrick?,” besluit hij. Ik ga onmiddellijk akkoord en antwoord terug via mail: “Amai nog niet, snel én adequaat geholpen. Heel professioneel ook. In die mate dat ik het zelfs jammer vind dat ik niet in het AZ Middelares zelf geopereerd kan worden. Dus ik zal daar zeker naartoe gaan! Bedankt voor de feedback weer Willem! Maar op de duur weet een mens het niet meer. Ik denk vooral dat wij, patiënten, nog altijd te veel jullie geneesheren als eilandjes zien. Wij beseffen niet dat tussen ziekenhuizen en specialisten zulke contacten rond specifieke medische dossiers plaats vinden. En dat doorverwijzingen tussen ziekenhuizen zo vlot kunnen verlopen is pas echt toppie! Daar kan Gasthuisberg precies ook al een puntje aan zuigen. Terwijl het daar zogezegd allemaal al verenigd is in één ziekenhuis. Wat een gigantische janboel is me dat daar toch.”
3 januari 2019 17u00 – Hij gelooft niet in mij
We zijn opnieuw allen samen naar het AZ Maria Middelares gereden. Opnieuw ook met de bedoeling om na de consultatie nog even het bruisende Gent te bezoeken en daar samen iets te gaan eten. Bovendien is de solden net begonnen. Het is al donker als we aankomen in de kliniek. Maar het winkeltje in de grote inkomhal is nog open en de kinderen beginnen al te snuisteren in de spullen. Ik spreek met Tin af dat ik direct terugkom eenmaal de consultatie afgelopen is en begeef me op pad.
De vorige keer dat ik hier was, op consultatie bij deze oncoloog, was dat in allerhaast, op het middaguur, tussen het vele werk door. Misschien dat ze, net zoals ik, hun middaglunch opgeofferd hadden om me toch maar even te kunnen zien. Ik werd dan ook onmiddellijk ontvangen om te redden wat er te redden viel van het middaguur. Deze keer heb ik een standaardafspraak op een al lang vastgelegd moment met zijn dienst. Dus nu zit ik tussen tal van andere patiënten te wachten in de kleine wachtruimte. Ze zit helemaal vol. Ik ben zelf veruit de jongste van alle aanwezigen. Of toch van de ogenschijnlijke patiënten. Tussen de begeleiders zitten ook nog wat zonen of dochters van de wachtenden. Maar wat me vooral direct opvalt is het grote verschil tussen de patiënten onderling. Ik denk dat ik rondom mij zowat alle mogelijke stadia van kanker zie. Een beetje links van mij zit er nog een relatief jong iemand die er ook nog redelijk kwiek uitziet. Op basis van zijn uiterlijk vermoed ik dat die persoon ook nog in stadium 1 zit, net zoals ik nu nog hopelijk. Maar voor het overige zie ik alle mogelijke variaties rondom mij verzameld, gaande van slecht tot slechter tot slechtst. Recht tegenover mij zit er denk ik een stadium-4-patiënt. Ik schat dat hij ongeveer 80 jaar oud is. Zijn dochter of schoondochter zit naast hem en houdt hem in het oog. Hij is volledig kaal, ik veronderstel van de chemo, en zit wat schuin onderuit gezakt op zijn stoel te wachten. Ik vraag me zelfs af of hij soms niet in het ziekenhuis verblijft want het is alsof hij een witte pyjama aanheeft en daarmee naar hier is gekomen. Maar ik zie geen baxter of iets dergelijks, zie dat hij toch schoenen draagt en een grote overjas bij zich heeft en vermoed dus dat het meer gaat over de beperkte kledingkeuze van iemand die zwaar ziek is. Zijn dochter vervult ondertussen haar plicht met flair, maar kan niet verhullen hoe slecht de man er aan toe is. Met een vaal gezicht zit hij wat in het ijle te staren. De vraag is naar wat. Zelf kan ik het niet laten om met mijn ogen telkens weer af te glijden naar de oude, zieke man. Ondanks dat mijn maag verder samenkrimpt bij elke nieuwe blik die ik werp.
Ondertussen is het een af- en aangeloop rondom ons van in het wit gekleed verplegend personeel. Ik begin nu te begrijpen wat voor een hondenstiel dat niet moet zijn, medisch oncoloog zijn. Al die mensen, en ik tel er hier, in deze kleine wachtruimte alleen al, een achttal, die naar jou toekomen met letterlijk de moed der wanhoop als voornaamste aandrijvingskracht. Ernstig zieke mensen die je moet aansturen, geruststellen, op de juiste baan zetten richting genezing in het beste geval, een tergend langzame dood in het slechtste geval. Met, op basis van datzelfde aantal mensen dat ik hier zie, misschien een kwartier per persoon dat je hebt om aan al die meestal onuitgesproken verwachtingen tegemoet te komen. Of misschien zelfs maar tien minuten? Letterlijk op de lopende band ongelukkigen zien passeren voor je neus die hopen dat jij de oplossing hebt. En het enigste wat je kunt bieden is een beetje soelaas en een levensgrote gok. Wat een vreselijk beroep moet dat niet zijn.
Na een twintigtal minuten word ik eindelijk binnen geroepen. Opgelucht dat ik eindelijk uit mijn benarde situatie bevrijd ben, stap ik de consultatieruimte binnen. Hij zit helemaal alleen aan zijn tafel met de computer rechts van hem. Net zoals verleden keer. Alleen is het nu al pikkedonker buiten, met als gevolg dat ik zijn gelaat nu zie oplichten in het blauw-witte schijnsel van zijn computerscherm. En net zoals de vorige keer blijft hij ijverig en geboeid verder lezen en tokkelen op zijn computer terwijl ik plaats neem. Het enigste grote verschil met de vorige keer is dat de onco-coach nergens meer te bespeuren valt. Maar na wat ik net gezien heb in de wachtkamer, vind ik dat de normaalste zaak van de wereld. Ik zou me zelfs beschaamd gevoeld hebben als ze hier wel gezeten zou hebben. Ik had haar stante pede naar buiten gestuurd om die mensen die het echt nodig hebben te gaan ondersteunen.
Ik heb de indruk dat de oncoloog nog snel het medisch dossier van de patiënt voor mij aan het afwerken is. Nog wat laatste comments en notas erin aan het steken is voordat hij ze vergeet. Wanneer hij gedaan heeft, kijkt hij voor het eerst op en vraagt hoe het met mij gaat. Nu pas valt me op hoe moe hij er wel niet uit ziet. Die kerstvakantie heeft toch niet veel geholpen precies. De zwarte randen onder zijn ogen zijn nog uitgesprokener geworden en zijn spits, hongerig gezicht loert me aan door het fijne brilletje. Opnieuw moet ik denken aan die overladen lopende band die ik net daarbuiten gezien heb. Misschien is hij gewoon op weg naar een burn out, vraag ik me af. Ik zou het in ieder geval niet aankunnen zo’n werk. Ik antwoord: “Redelijk,” en begin uit te leggen dat vooral het wachten mij bijzonder zwaar valt. Het wachten op wat er nu allemaal moet gebeuren. Maar ik moet nog maar beginnen praten of hij zit terug met zijn donkere, zwartomrande ogen te staren naar zijn computerscherm. Deze keer heb ik de indruk dat hij mijn dossier even aan het bekijken is. Om te zien wat er tot nu toe allemaal gebeurd is. De resultaten van de scans aan het bekijken en de uiteindelijke diagnose dat het gezwel primair is. Ik zeg nog vlug ter info dat we toch niet met het gezin naar Boedapest gegaan zijn en val dan stil wachtend op een nieuwe vraag of opmerking van hem.
Na een tijdje, draait hij zich opnieuw om en kijkt me nog eens goed aan. Hij zegt: “Dat is toch een serieus gezwel dat daar zit, mijnheer Hoskens.” Ik kan dat alleen maar beamen en begin al terug te vertellen over hoe ondraaglijk het niet is om dat verder te voelen groeien in mijn oogkas na alle fouten die er gebeurd zijn in Gasthuisberg. Maar net zoals de vorige keer interesseert hem mijn perceptie of aanvoelen van wat er allemaal gebeurd is niet zo erg. Hij murmelt iets over een bepaalde quotient die gebruikt wordt om de aggressiviteit van een kwaadaardig gezwel aan te duiden en geeft aan dat die in mijn geval toch redelijk hoog is. Ik vraag hem wat dat juist betekent. Hij blijft verder kijken naar zijn scherm en begint nu weer over de locatie van het gezwel. “Het is ook wel bijzonder zeldzaam,” zegt hij, “zo’n type gezwel naast het oog. Wacht,” zegt hij, “ik zal eens zien of ik nog zo’n geval terug vind.” Hij begint naarstig te tokkelen op zijn klavier terwijl hij de donkere blik onafgebroken op het scherm houdt. “Hier,” zegt hij na een tijdje, “ik vind maar één zo’n casus terug. Een jonge vrouw, ver weg van hier. Daar was men er op tijd bij. Het gezwel is operatief verwijderd geweest en nadien is ze nog een drietal keer bestraald geweest. Er is geen recidive geweest.” ‘Daar was men er op tijd bij’ doet bij mij echter de bom afgaan. Ik flap eruit: “Ik kan toch ook nog geopereerd worden, dokter, of niet soms?” Na meer dan een week te wachten kan ik eindelijk de grote vraag op tafel smijten. Maar hij reageert weer niet. Hij blijft in het blauwwitte schijnsel naar zijn scherm kijken. Opnieuw stel ik de vraag aller vragen en deze keer nog nadrukkelijker: “Ik kan toch ook nog geopereerd worden, dokter? Als het gezwel primair is, kan dat toch nog?” De stilte houdt aan. Ik voel de laatste dam in mij wegvallen en laat mijn grootste angst koud en kil het woord voeren: “U gaat me toch niet vertellen dat na alles wat er gebeurd is in Gasthuisberg, na het zootje dat ze er daar van gemaakt hebben, ik nu niet meer geopereerd kan worden? Dat het allemaal te laat is?” Nu kijkt hij mij toch even aan. Dan zegt hij: “Ik weet het niet. Maar het zal wel niet eenvoudig zijn, denk ik. Wacht, ik geloof dat dokter Decock hier nog een mail over gestuurd heeft. Hier,” zegt hij en draait zijn scherm om naar mij zodat ik de mail ook kan zien, “hier zegt dokter Decock zelf ook dat het geen eenvoudige operatie zal zijn. Dat het niet langer enkel aan het oog zit, dat het waarschijnlijk ook al aan de orbita zit en dat dus in ieder geval hij alleen die operatie onmogelijk kan uitvoeren. Dat het eigenlijk nu al buiten zijn specialisatie en dus bevoegdheid als oogarts valt.” Ik voel mijn voorhoofd en handen klam worden. “Wilt u zeggen dat het volgens u te laat is, dokter?” “Te laat?” “Te laat voor een operatie?” “Ik vrees van wel,” antwoordt hij. Bovendien, voegt hij er snel aan toe, is de vraag hoe snel die operatie dan wel zou kunnen gebeuren. “Want zelfs als die, ik zeg nu maar, volgende week al zou kunnen plaats vinden, dan nog zouden we minstens twee A drie weken moeten wachten voor we een eventuele nabehandeling kunnen opstarten. En dan zitten we al direct weer eind januari. Dat vind ikzelf te laat. Het duurt allemaal al veel te lang nietwaar?,” eindigt hij. Dat het allemaal al veel te lang duurt, moet hij mij niet vertellen. ‘Dat weet ik ook wel!,’ brandt in mijn keel en op mijn lippen. “Het probleem zijn vooral ook die microschilfers die een gezwel vanaf een bepaald moment begint te verspreiden en die nieuwe gezwellen kunnen vormen. Met die mogelijkheid moeten we ook rekening houden.” Ik voel langzaamaan alles rondom mij zacht worden. Het is alsof ik in een grote brij van blauw-witte gelei ben terecht gekomen. Met zwarte randen. “Ik stel voor,” zegt hij nu, “dat u volgende week binnenkomt en dat we een chemokuur opstarten.” De gelei wordt moes en ik voel me nu helemaal wegzinken. Ik kan nog net mijn troefkaart uit mijn broekzak halen en werp tegen: “Vrienden van mij zijn chirurgen aan het UZ Gent en daar zou men mij misschien nog wel kunnen en willen opereren. De operatie zou gedaan worden door Hubert Vermeersch. Kent u hem?” Dat laatste had ik niet meer moeten vragen. De naam alleen al doet de oncoloog helemaal achteruit zakken. Voor het eerst laat hij zijn computerscherm los. “Als Professor Vermeersch zegt dat hij u kan opereren, dan leg ik me daarbij neer,” zegt hij. “We noemen hem hier de man met de gouden handen. Een echte authoriteit op dat vlak. Bovendien,” voegt hij er nog even voorzichtig aan toe, “heb ikzelf ook schrik dat de chemo niet zo goed zal werken op zo’n uitzonderlijke locatie. Het is niet dat we daar midden in het bloedvatrijke spijsverteringsstelsel zitten. Dus als een operatie zou kunnen, zou dat zeker het beste zijn. Maar dan nog zou ik voorstellen dat je begin volgende week hier binnenkomt om een chemokuur op te starten. Maar deze keer ter voorbereiding van de operatie. Adjuvante chemotherapie. Maandag ben ik er wel niet. Maar zou dinsdag in de ochtend voor u lukken? Dat is dan 8 januari, geloof ik,” zegt hij terug met een half oog gericht op zijn scherm. “Mag ik er nog eens over nadenken dokter? Ik zie normaliter volgende week maandag eerst nog het facial team van Professor Vermeersch.” “Ja, doet u maar. En laat mij dan weten wat de uitkomst is, ok?”
Ik sta recht en wankel naar buiten. Eenmaal buiten kan ik me in de gang niet meer recht houden zonder de steun van de muur. Ik leun tegen de muur met mijn rechterschouder en probeer met mijn linkerhand mijn hoofd helder te wrijven. Maar zelfs na enkele minuten kan ik nog altijd niet de muur los laten. De oncoloog vindt me zo terug wanneer ook hij de consultatieruimte verlaat. En voor het eerst toont hij openlijk een beetje empathie. Hij raakt langs achter lichtjes mijn linkerschouder aan en zegt: “Sterkte, mijnheer Hoskens.” Ik kijk hem schuin aan en reageer “Dank u, dank u, dokter. Het is gewoon allemaal even iets te veel om te behappen. “Komt u gewoon volgende week rustig binnen, mijnheer Hoskens. Dan kunnen we alles opstarten.”
Eenmaal terug bij Tin en de kinderen blijkt dat Ella, onze jongste, in de winkel van het ziekenhuis een plastieken kneedbal op het oog heeft. Het is eigenlijk voor geneeskundig gebruik, om een hand of een pols terug te versoepelen na een operatie, maar past volledig in die hype van het moment onder meisjes van haar leeftijd, de hype van de zelfgemaakte slijm. Ook daar is, als ik het goed begrijp, het tactiele genot van het aanraken van die viscose materie eigenlijk de essentie van de zaak. Maar beter dat dan al die gewelddadige videospelletjes die de mannelijke snotapen van hun leeftijd spelen. Tin merkt hoezeer ik van de kaart ben en vraagt, terwijl de kinderen met de bankkaart het object van hun dromen gaan kopen, wat de oncoloog juist gezegd heeft. Ik antwoord: “Het ziet er keislecht uit Tin. Hij denkt dat het al te laat is voor een operatie. Dat het enige dat we nog kunnen doen, het opstarten van de chemo is. En dan ook nog eens, volgens hem, met weinig kans op succes. Dat arrogante Gasthuisberg en die zelfvoldane Professor Mombaerts hebben mij kapot gemaakt. Het gaat alleen nog een tijdje duren voor het effectief zover is. Dat is toch gewoon allemaal afschuwelijk?!” In één adem stel ik voor om onmiddellijk terug naar huis te gaan. Natuurlijk ziet Tin het ondertussen ook al helemaal niet meer zitten om er nog een gezellig uitstapje van te maken. Op weg naar de auto vraag ik haar of zij niet wil rijden. Zeg dat ik niet in staat ben om nu zelf en opnieuw die 72 lange kilometers naar huis te rijden. Net wanneer ze van het stalen parkingmonster afrijdt, begint op de radio die ene wereldsong ‘Zij gelooft in mij’ van Andre Hazes zaliger. De oranje lichtjes van de auto en de snelweg begeleiden ons opnieuw tot thuis. En het is raar, maar de heks is er niet meer. Er is enkel die nacht nog die met elke kilometer donkerder en donkerder wordt.
5 januari 2019 – Nieuwjaar bij Tin thuis
Vandaag gaan we Nieuwjaar vieren bij Tin thuis. Niet dat ik daar veel zin in heb natuurlijk. Nieuwjaarke vieren voor de laatste keer is nu niet echt iets om naar uit te kijken. Want Nieuwjaar vieren veronderstelt dat er nog vele jaren zullen volgen. Maar noblesse oblige, en bovenal is er de jaarlijkse tombola in Reet zonder dewelke mijn kinderen geen dag langer zouden kunnen leven. Bovendien zal het me ook wat afleiden want sinds dat we afgelopen donderdagavond thuis zijn aangekomen van AZ Maria Middelares sleep ik me voort van bed naar zetel en terug. Het enige wat me nog een beetje verzet biedt, is een wandeling in het bos die Tin plots als een verplichte dagelijkse oefening afgekondigd heeft. Dan loopt zij daar aan een strak tempo voor mij, in haar botten, met haar mooi poepeke verstopt onder haar plastieken regenjas en ik als een hond er braaf achteraan. Een wandeling van een uur ongeveer langs de oude kloostersite boven op de berg waar ergens nog een goudschat verborgen zou moeten liggen tot, helemaal aan de andere kant van het langgerekte bos, de prachtige gracht waar de Prins de Merode, een van de grondleggers van de Belgische staat, een fatale hartaanval gekregen heeft ergens in de jaren stillekens. Weer ongelooflijk eigenlijk ook van die Tin. Als de rollen omgekeerd zouden zijn, had ik enkel nog eten en drinken voor haar kunnen klaar maken of zoiets. En kuisen misschien. Zo in de basisbehoeftes wat voorzien. En voor de rest had ik haar zoveel mogelijk met rust gelaten. Als een echt ridicuul alfamannetje. Maar zij weigert bij de pakken te gaan neer zitten. Al strijdende ten onder gaan, dat zult gij! Zijn of niet zijn! Wandelen of niet wandelen! Wat een superwijf.
Het eerste wat ik gedaan heb toen we thuis aankwamen van AZ Maria Middelares was bellen naar Willem. Om hem te vertellen wat de oncoloog allemaal gezegd had. Dat het volgens hem al te laat was om geopereerd te worden, maar dat hij zich zou neerleggen bij wat Professor Vermeersch zou beslissen. Dat volgens hem echter er enkel nog chemo kon opgestart worden. Dat het allemaal al veel te lang geduurd had en dat het risico op metastase – door die vreselijke microschilfers – groot is. Willem blijft echter kalm en zegt dat dat allemaal wel kan, maar dat we hoopvol moeten blijven, dat Professor Vermeersch inderdaad een éminence grise is en dat hij alle vertrouwen in hem heeft. Tussen de regels door versta ik dat wat Willem eigenlijk zegt, bloednuchter als altijd, is dat we gaan voor de these dat het nog vroeg genoeg is. Want als het te laat is, is het te laat. Zo simpel is dat. Om zijn woorden kracht bij te zetten zegt hij nog: “Die enkele weken extra gaan het verschil niet maken, hein Patrick?” “Volgens die oncoloog wel,” werp ik tegen. “Luister, Patrick, ga gewoon maandag naar Professor Vermeersch, ok? Laat ons eerst eens zien wat hij te zeggen heeft. Als Vermeersch tot dezelfde conclusie komt als de oncoloog, kan je dan nog altijd die chemokuur laten opstarten, niet?” Als Hitler Willem als generaal had gehad, had hij gewonnen, gaat nu door mijn hoofd. Als hij geluisterd zou hebben tenminste. En dat was heel onwaarschijnlijk. Net zoals ik op dit moment moeite heb om te luisteren precies. Ik zeg: “Ok Willem, ge hebt weeral gelijk. Maar amai, ik moet toch zeggen en weeral, voor de tweede keer, dat die oncoloog er blijkbaar telkens in slaagt om alle hoop in mij kapot te maken. En hopeloos zijn is één ding. Geen hoop meer hebben een ander en veel erger. Begrijp je?” Willem zegt van wel en als we afscheid nemen, vraagt hij onmiddellijk iets te laten weten na het gesprek maandag met Professor Vermeersch, hoe het verlopen is, enzovoort. “Evidentemente,” antwoord ik in mijn lievelingstaal, de taal van en voor mijn lieverds.
Maar nu is het dus Nieuwjaarsfeest bij Tin thuis. Sinds een aantal jaar vindt dat telkens op de eerste zondag na Nieuwjaar zelf plaats. Tegenwoordig omdat ondergetekenden normaliter op Nieuwjaar zelf in het buitenland vertoeven, maar oorspronkelijk omdat het telkens, met alle verplichtingen in al die verschillende schoonfamilies, een miserie was om iedereen samen te brengen op Nieuwjaarsdag zelf. Ook dit jaar zijn we weer op een of andere manier op de zaterdag voor de zondag in kwestie aanbeland. Maar voor ons is deze algemene regeling nu perfect. Zodat we bij het begin van de Kerstvakantie, op Kerstmis, bij mijn zuster thuis, mijn familie kunnen bezoeken en op het einde van de Kerstvakantie die van Tin. Van balans gesproken. Yin en yang is er niets tegen.
Tegen onze gewoonte in komen we niet als laatsten aan. Niet dat dat aan ons ligt. Toon, de oudste broer van Tin, is als succesvol begrafenisondernemer een druk bezet man geworden. Hij heeft dit weekend weer twee of drie diensten en zal een beetje later zijn. De familieleden van Tin bejegenen me ondertussen met veel meer omzichtigheid dan normaliter het geval is. Zelfs haar vader maakt veel minder grapjes dan anders over mijn nog altijd gezonde eetlust. Want het moet gezegd worden: het eten is, zoals altijd, keilekker. Er is wel één nieuwigheid die dit jaar geïntroduceerd wordt, een bewijs dat zelfs tot hier de Nieuwe Tijden doorgedrongen zijn: voor de vegetarische kleinkinderen worden er vegetarische gerechten op de keukentafel geserveerd – de nog-niet-vegetarische, jongere kinderen mogen erbij zitten. Aan de hoofdtafel bedient iedereen zich zoals vanouds uitvoerig van de hutsepot met rundvlees, aardappelen en witloof. En tegen dat het dessert op tafel staat, is mijn schoonvader al schertsend weer vlot commentaar aan het geven op mijn schaamteloze eetlust die volgens hem zo’n zware belasting voor onze toekomstige erfenis maar vooral zijn huidige portefeuille betekent.
Na het eten word ik uitvoeriger aangesproken over wat er allemaal gebeurd is. Ik probeer me recht te houden in de veel te ruime zetel door met veel bravoure te stellen dat het maandag erop of eronder zal zijn. Dat ik dan eindelijk die professor Vermeersch zal ontmoeten die mij misschien nog kan redden. En dat wat die oncoloog van het AZ Maria Middelares mij allemaal verteld heeft om het zwak uit te drukken niet echt hoopgevend was. Wat ik er niet bij vertel, is dat ik ondertussen overtuigd ben geraakt van de idee dat de oncoloog eigenlijk onder één hoedje speelt met het facial team van het UZ Gent. Dat hij eigenlijk gewoon gezegd heeft wat zij zelf al besloten hebben: dat ik niet langer geopereerd kan worden. Dat ze gevraagd hebben om dit al te communiceren zodat op deze manier het voor hen gemakkelijker zal zijn om op maandag dezelfde boodschap over te brengen. Want een gewaarschuwd man is er twee waard. Of in mijn geval is het misschien eerder nog maar een halve. Of zelfs maar een tiende man als ik op mijn gevoel op dit moment afga. De link tussen de oncoloog en het facial team werd gelegd door Tin die donderdagavond in het midden van mijn formele debriefing thuis aan haar plots vroeg: “Ik dacht dat je gezegd had dat die oncoloog al voordien gezegd had dat hij akkoord ging met een ingreep van die Professor Vermeersch? Via een mail of zo?” En inderdaad, plots herinnerde ik me ook dat Willem dat gezegd had. En als het onderlinge overleg al zover gevorderd is, waarom zou er dan al geen eensgezindheid bestaan over de uiteindelijke conclusie? Toch blijf ik hopen op een operatie. Want de illusie dat ik toch nog geopereerd zou kunnen worden, al is er maar een waterkans dat dit effectief ook zo is, maakt het wachten draaglijk en het feest hier, midden in de velden, in deze opgeknapte boerderij, überhaupt mogelijk.
Na de obligate peptalk volgt de langverwachte tombola. Het is eigenlijk meer een verloting – in het Engels noemen ze het geloof ik een raffle – dan een echte loterij want achter elk ticket zit er gewoon een prijs. De vraag is alleen welke prijs want elk Nieuwjaar zijn er zo’n 200 cadeautjes te verdelen over een goede 14 man. Zoals het hoort bij een echte raffle is het meestal rommel, maar toch blijft, verbazend genoeg, het openen van de cadeaus nog altijd even spannend. De overdaad aan cadeautjes voelt aan als een overdaad aan liefde en ‘s avonds gaan elk jaar vooral de kleinkinderen moe maar tevreden naar huis met ieder zijn goedgevulde prijzenpot op de schoot in de auto. Zelf profiteer ik nog vlug van de gelegenheid om bij het afscheid nemen duidelijk te maken aan Toon dat de assen uitstrooien in de Noordzee mij een ideale manier lijkt om van mijn stoffelijke resten af te geraken. Als begrafenisondernemer is hij niet het type om zoiets te vergeten. En daarmee is dat ook weer geregeld.
7 januari 2019 11u30 – Het facial team van UZ Gent
Ik ben hier voor de eerste keer. Tout court de eerste keer. Na acht jaar studies in Leuven, vijftien jaar wonen in diezelfde rijke universiteitsstad en uiteindelijk, na wat omzwervingen, beland pal tussen Brussel en Leuven in, in de achtertuin van het zo geroemde Gasthuisberg, had ik ook nooit gedacht dat ik hier ooit zou moeten zijn voor een aandoening bij mezelf. En toch is het zo: ik ben aangekomen in het UZ Gent. Het zijn wel niet de naamborden die mij overtuigen gearriveerd te zijn. Naamborden zijn zo gemakkelijk na te maken. Bovendien kunnen ze ook nog eens enorm misleidend zijn. Iedereen die een keer in Luik of op de Périphérique van Parijs gereden heeft, weet dat. Neen, het is het metalen gedrocht vlak voor de deur dat mij overtuigt: weer zo’n parking van staal voor auto’s bestaande uit meerdere verdiepingen.
Nadat ik me heb ingeschreven in de grote lobby van het grootste gebouw op de campus, een betonnen monoliet in t-vorm van ik schat zo’n zestig of zeventig meter hoog, volg ik de cijfertjes en pijltjes richting plastische heelkunde. Het is niet zo ver wandelen, een beetje terug in de richting van het Prinses Elisabeth kinderziekenhuis dat ik net gepasseerd ben komende van de parking. En wat vooral belangrijk is, de afdeling bevindt zich nog steeds op het gelijkvloers, wat goud waard is in zo’n blok beton. Na even aan de receptie te wachten, word ik binnen gelaten in een klein lokaal met zicht op een kleine binnenplaats met een gazonnetje. De dominante kleuren hier zijn wit, groen en lichtbruin. Het bruin van de goedkope meubels is de weggever. Want het zijn dus niet het sneeuwwit en lentegroen van de nieuwingerichte treincoupés van Gasthuisberg, volledig in de stijl van deze onechte tijden van eeuwige jeugd en uit de pan swingende levensvreugde, maar het vale eierschaal gebroken wit en donkergroen van de megalomane jaren tachtig, die hier nog steeds de toon zetten.
Ik ben tien minuten te vroeg. Ik probeer te gaan zitten op de stoel die zich voor de kleine tafel vlak voor het enige raam in de consultatieruimte bevindt. Maar ik ga kapot van de zenuwen. Ik sta terug recht en begin te ijsberen door de kamer. Ik ben ervan overtuigd dat ik aan het wachten ben op mijn doodsverdict. Dat ze direct gaan binnen komen en de conclusie van de oncoloog van het AZ gaan bevestigen; dat er niets meer aan te doen valt, buiten het opstarten van chemo. En als dat zo is, is het afgelopen met mij. Hoger dan dit kan ik niet gaan. Om de twintig seconden ongeveer ga ik terug zitten op de stoel, kijk drie seconden naar buiten, naar het gras en de enkele objecten die zich her en der verspreid over de verlaten binnenplaats bevinden en die ik toch niet echt zie, om dan terug recht te staan en terug te stappen van de ene vuilgroene muur naar de andere. Na een tijdje dwing ik me om te gaan zitten want ik word zot van al dat heen en weer geloop.
Na een vijftiental minuten wachten in reëele tijd, in gevoelstijd de spreekwoordelijke eeuwigheid, wordt er geklopt op de deur, draait ze onmiddellijk open en stappen er drie mannen binnen. Ik spring recht uit mijn stoel als een soldaat die zijn officieren ziet arriveren op het appel. De eerste man komt recht op me af en vraagt met uitgestoken hand: “Mijnheer Hoskens?” Ik steek mijn hand ook uit en antwoord een beetje onzeker: “Dat ben ik.” “Dag mijnheer Hoskens, ik ben Hubert Vermeersch,” en hij schudt mijn hand. Voor mij staat een oudere man met een van de zachtste uitdrukkingen in het gezicht die ik ooit gezien heb. Ook een mooie man. Het is precies een Vlaamse inspector Morse. Met een weliswaar veel minder witte, een grijzere, maar ook een prachtige haardos. En met dezelfde gracieuze, verstilde manier van bewegen. “Dit is Nicolas Dhooghe,” zegt hij en hij wijst traag op een joviaal ogende man die er al een pak jonger uitziet, “de plastisch chirurg.” Ik schud zijn hand en zie ter hoogte van de pols dat typische blauw-wit gestreepte hemd onder de witte jas uit piepen. “En dat is dokter Fransen, mijn assistent.” Een nog jongere man, rossig met sproeten. Ik schat eind jaren twintig. Die heeft al een groen chirurgenpak aan.
Nadat ook Dokter Fransen zich voorgesteld heeft, wijst de professor op de medische ligbank die zich in de hoek van de kamer vooraan bevindt. “Kunt u daar even plaats nemen, mijnheer Hoskens? Weet u, we hebben al veel over u gehoord en veel over u gepraat, maar nu zouden we graag zelf eens zien waarover het hier juist gaat. Is dat ok voor u?” Ik zeg van wel, ga zitten op de bank en voel hem voorzichtig mijn kin vastpakken met zijn linkerhand en met zijn rechterhand zachtjes de ooghoek aftasten. Ondertussen is het in de consultatieruimte muisstil. Ik kijk naar boven en zie hem met zijn ogen kijken naar mijn ogen. Zijn gelaatsuitdrukking is helemaal veranderd. Ze is nu een en al focus. Met een getormenteerde blik loert hij naar het gezwel. Het is de blik van een roofdier dat zijn prooi ziet maar nog even zit in te schatten hoe hard en hoe ver hij gaat moeten springen om het te pakken te krijgen. En zoals bij een roofdier stopt het niet na enkele seconden. Het duurt lang. Het is alsof er een onuitgesproken dialoog plaats vindt is tussen hem en het gezwel. Dit moment hier en nu is eigenlijk ook gewoon iets tussen hem en dat gezwel. Ik zit hier enkel als aanhangsel, als transportmiddel voor de tumor. Praktisch gezien ben ik een buitenstaander, want ik weet toch niet waarover dit alles gaat. Na een dertigtal seconden voel ik zachtjes zijn linkerhand bewegen. Ze laat mijn kin los en gaat stilletjes de ganse kaaklijn af. Hij zegt niets. Legt niets uit. Maar ik weet dat hij op de goede oude, ambachtelijke manier checkt of er zich daar geen gezwollen klieren bevinden. Hij vindt hij er geen. Hij laat mijn gezicht los en knijpt, nog steeds zonder iets te zeggen, bemoedigend in mijn rechterarm. De meelevendheid waarmee hij dit alles doet, en vooral die kneep op het einde, raakt me zozeer dat ik verwonderd opkijk. Hij heeft terug de vorm aangenomen van de zachtmoedige man die net binnen stapte. “Sorry, mijnheer Hoskens,” reageert hij, “maar na al die documenten en scans enzovoort is het altijd waardevol om een keer het probleem in levende lijve te zien.”
Hij stelt voor om te gaan zitten aan de kleine tafel vlak aan het raam. Terwijl ik ga zitten, kijk ik onwillekeurig naar buiten; zoek, denk ik, wanhopig nog een laatste vluchtweg. Professor Vermeersch neemt plaats vlak tegenover mij. Dhooghe, de plastisch chirurg, gaat een beetje rechts van hem zitten en Fransen helemaal verderop, achteraan in de hoek. De professor begint te spreken. Hij spreekt bijzonder traag. Lijkt voortdurend zijn woorden te wikken en te wegen. Herhaalt opnieuw dat er al veel gewerkt is op mijn dossier. Dat er al veel mensen mee bezig geweest zijn. Ik luister gefascineerd naar zijn woorden maar bevind me toch in een waas. Zie zijn lippen met de kleine ouderdomsvlekken bewegen. Ik denk: ‘Nu gaat het komen. Nu gaat hij bevestigen wat de oncoloog verleden week heeft gezegd.’ De introductie duurt heel lang. Met lange omwegen probeert hij te geraken waar hij moet wezen. Aan empathie echter hier geen gebrek. Het is alsof hij zelfs niet durft te zeggen wat hij moet zeggen. Of anders vindt hij, Inspector Morse gewijs, dat er al te veel lelijkheid is op de wereld, waarom er dan nog iets aan toevoegen? Dan breekt het fatale nieuws plots toch door: “Kortom, mijnheer Hoskens, ik kan u opereren, maar ik vrees dat ik uw oog niet meer kan redden.” Ik krijg de slappe lach. Alle drie kijken ze onbewogen toe. Maar ik kan niet stoppen. Hoezeer ik ook probeer. Ik probeer de situatie te redden door tussen het lachen door te zeggen wat er volgens mij juist gebeurt: “Sorry…, professor Vermeersch…, ik dacht dat u mij ging zeggen… dat u mij niet meer kon opereren… Dat het al te laat was… Het is van de zenuwen dat ik hier zit te lachen… denk ik. Begrijpt u?…” Hij reageert: “Neemt u gerust uw tijd mijnheer Hoskens,” en kijkt me verder vragend aan. Ik duw alles, en niet alleen mijn middenrif, naar beneden en breng hortend en stotend uit: “Ongelooflijk Professor Vermeersch… Ik kan niet zeggen wat voor een opluchting dit is… Dat u mij nog kunt opereren… Dat is fantastisch! En als ik moet kiezen tussen een oog of mijn leven,… dan kies ik voor het leven hoor professor.” Er verschijnt een tevreden grimas op zijn gezicht. “Goed, mijnheer Hoskens, dan gaan we dat doen.”
Nu dit heikele thema achter de rug is, zet hij zich een beetje meer comfortabel op zijn stoel en gaat voort: “Nu mijnheer Hoskens, de ingreep zal wel niet enkel uit deze eerste operatie bestaan. Het traject waar u aan gaat beginnen, komt overeen met een goeie zwangerschap. U moet dus rekenen op een goede negen maanden in totaal. Vanaf de operatie tot aan het kunstoog.” “Kunstoog?” “Ja, kunstoog. Er is een Duitse firma die gespecialiseerd is in het maken van zo’n epithese. Zo noemen wij dat. Ik kan u verzekeren dat die mensen heel goed werk leveren. Als er nu iemand zou binnen stappen, hier, die zo’n oog zou dragen, u zou het niet opmerken. Zo goed zijn ze.” “Bedoelt u zo’n glazen oog? Zoals in de film?” Professor Vermeersch valt even stil en zegt dan gepijnigd: “Ik vrees van niet mijnheer Hoskens. In uw geval gaat dat niet volstaan. Is dat ook niet meer mogelijk trouwens. Zo’n epithese bestaat niet enkel uit het oog maar ook het weefsel eromheen, het ooglid met de wimper, de huid, enz… Want we gaan al het weefsel in de buurt van het gezwel moeten verwijderen, begrijpt u?” “U gaat dus heel mijn oogkas leeg maken?,” voel ik een beetje de horror toeslaan. “Wel, ik kan dat nu niet juist voorspellen, mijnheer Hoskens, hoeveel ik zal moeten wegnemen. Dat zal ik tijdens de operatie zelf moeten beoordelen, maar min of meer wel, ja. En nadat we al dat weefsel verwijderd hebben, gaan we dat terug toe maken met wat we noemen een flap; huid van u, normaliter van een van uw billen, omdat zich daar goed doorbloed weefsel bevindt met ook nog wat vet aan. Daarom zitten we hier trouwens met twee. Ik ga het eerste stuk van de operatie uitvoeren. Het verwijderen van de tumor en het omliggende weefsel. Dokter Dhooghe hier zal daarna alles terug opvullen. Hij zal u oplappen als u wilt. Op die manier kan elk van ons zich volledig concentreren op zijn stuk van het proces. Dat is de taakverdeling onder ons. Ziet u?” En ik weet niet door wat het juist komt. Is het de toon van zijn stem; een zachte, gevoelige, maar toch kordate stem? Is het die heilzame overdosis aan empathie die ik zo fel gemist heb bij al die andere specialisten? Is het mijn liefde voor intellect en stijl die via Inspector Morse om de hoek komt loeren? Of is het de eendracht en de collegialiteit die ze alledrie samen uitademen? Misschien is het gewoon de tijd die ze nemen om dit alles uit te leggen, aangepast aan mijn tempo, het tempo van een totale leek. Maar voor het eerst heb ik het gevoel in goede handen terechtgekomen te zijn. Voor het eerst sinds die afschuwelijke diagnose en na al dat vreselijk geklungel in Gasthuisberg krijg ik het gevoel dat er misschien toch nog hoop is, en dat het misschien zelfs nog gaat lukken om van die vreselijke ziekte af te geraken ondanks alles wat er daar verkeerd gedaan is geweest. Dat ik misschien volgend jaar ook nog eens Nieuwjaar ga kunnen vieren. En misschien zelfs terug bij Tim en Isa boven op hun dakterras.
En het is alsof Professor Vermeersch de enorme opluchting voelt want hij gaat door op zijn elan: “Mag Dokter Dhooghe even checken waar we het beste een stuk huid zouden weg nemen om te dienen als flap?” “Ja, natuurlijk,” antwoord ik en ik sta al recht. “Moet ik dan mijn broek laten zakken?” “Liefst wel,” neemt dokter Dhooghe nu voor het eerst over. Ik maak mijn riem los en zie mijn jeansbroek tot aan mijn knieën zakken. Dokter Dhooghe komt dichterbij en zegt al voor hij geknepen heeft: “Dat ziet er al goed uit. U hebt zo te zien een stel mooie, gespierde benen mijnheer Hoskens. Doet u iets van sport?” Ik antwoord: “Ja, ik zwem. Maar wat betreft die mooie benen, gaat dat na de operatie ook nog zijn eigenlijk? Ga ik zelfs nog kunnen zwemmen nu dat ik eraan denk?” “Tja, u zult daar wel een litteken van blijven zien, maar het zal wel meevallen hoor. En zwemmen zou geen enkel probleem mogen zijn.” Nu begint hij echt te knijpen. Eerst neemt hij een stuk van mijn rechterbil vast met zijn duim en wijsvinger en dan van mijn linkerbil. Ik krijg even het gevoel ergens op een jaarmarkt te staan en gekeurd te worden op de sappigheid en de textuur van mijn vlees. Ook Professor Vermeersch mengt zich nu vanop afstand, vanachter de kleine bureau, in de keuring. “Ja, dat ziet er goed uit van hier gezien.” Zelf ben ik gewoon blij dat ze mij nog kunnen en willen opereren. Dus al dat geknijp kan me allemaal niet zo veel schelen. Zelfs mijn geslachtslid hadden ze mogen keuren, deze heren. “Ja, dat komt wel in orde mijnheer Hoskens,” eindigt dokter Dhooghe zijn inspectie nu. “We gaan u wel moeten vragen om voor de operatie een scan van uw dijen te laten maken. Zodat we perfect weten waar we juist de flap moeten weg nemen, waar de beste bloedvaten zitten en dergelijke.” “Geen probleem, dokter.” “We gaan u wel vragen om dit in Aalst te gaan laten doen. Onze scans zijn de komende dagen al helemaal volzet en bovendien hebben ze in het AZ Aalst de juiste scan staan voor dit type van onderzoek.” “Ik heb de laatste weken al zoveel ziekenhuizen gezien. Daar kan er nog wel eentje bij denk ik. Zegt u mij gewoon waar ik moet zijn.” “Ik moet u nog wel waarschuwen mijnheer Hoskens. De eerste 24 uur na de operatie gaan we om het uur komen checken of de flap zich goed hecht. Ook als u slaapt. U moet zich echter geen zorgen maken. We doen dit preventief. Normaliter zou alles goed moeten verlopen, zeker met die stevige benen van u, maar we moeten checken of alles evolueert zoals het zou moeten evolueren. Zeker in het begin, nadien gaan we om de drie, vier uur controleren en na enkele dagen één à twee keer per dag.” “Enkele dagen? Hoe lang moet ik eigenlijk in het ziekenhuis blijven?” “Minimum twee weken, mijnheer Hoskens.” “Twee weken? Wow, dat is lang.” “Dit is ook geen lichte operatie, mijnheer Hoskens.” “Neen, neen, dat wil ik gerust geloven.”
Hier neemt Professor Vermeersch terug het woord met zijn oorstrelend timbre: “Nadien, een maand of zes later, zal er dan een tweede, veel kleinere operatie volgen, mijnheer Hoskens.” “Een tweede?” “Ja, het resultaat van de eerste ingreep zal zich eerst wat moeten ‘settelen’. Genezen eigenlijk. Zodat we nadien het fijnere werk kunnen doen.” Maar ook dokter Dhooghe laat zich niet meer onbetuigd en geeft aan: “Tijdens de eerste ingreep gaan we al wel doen wat we kunnen hoor, mijnheer Hoskens. Zo gaan we dan al twee bouten aanbrengen in uw voorhoofd waar later de epithese aan kan vastgemaakt worden.” “Bouten?” “Ja, twee stalen pinnen eigenlijk waarop nadien het kunstoog vastgeklikt kan worden.” “Ah, ok.” “Vanaf die tweede operatie moet u nog rekenen op een goede drie maand om het kunstoog te laten maken door die gespecialiseerde firma,” beEindigt de professor het overzicht van het traject.
“Hebt u soms nog vragen hierover mijnheer Hoskens?,” vraagt hij nu. “Ja, de Grote Vraag eigenlijk nog. Wanneer gaat de operatie doorgaan? Ik bedoel de eerste operatie, de operatie waarbij ik eindelijk van dit gezwel ga af geraken? Horendol word ik ervan.” “Wel, we zouden willen voorstellen, dinsdag 22 januari.” “22 januari?,” reageer ik geschrokken, “dat is nog eens twee weken wachten!” Voor het eerst zie ik enig teken van ergernis bij professor Vermeersch. Hij voelt zich door mijn spontane reactie in zijn gat gebeten en reageert kortaf: “Mijnheer Hoskens, er is nog heel veel werk te doen voordat we u kunnen opereren. Twee weken lijkt mij een redelijke termijn om dat allemaal gedaan te krijgen.” Ik probeer de plooien snel terug glad te strijken: “Sorry, professor Vermeersch, het was niet mijn bedoeling om uw deskundigheid in vraag te stellen. Het is alleen… Ik voel dat gezwel nu al maanden groeien in mijn oog, explosief zelfs sinds die foute operatie in Gasthuisberg. Ik voel dag in, dag uit, uur per puur, elke seconde, hoe agressief dat ding wel niet is. En na al dat geklooi op Gasthuisberg, met dat risico op metastase, heb ik enorm veel schrik dat die microschilfers zich al aan het verspreiden zijn in mijn lichaam, begrijpt u? Nog eens twee weken wachten na al dat tijdverlies in Leuven, lijkt mij gewoon ondraaglijk lang.” “Sorry voor de vraag, maar wat hebt u juist gestudeerd mijnheer Hoskens?” “Psychologie. En nadien MBA. Beide aan de KUL.” “Ah, u bent psycholoog? Ik dacht even dat u ook een medische opleiding genoten had. Omdat u over metastase en zo begint. Maar,” gaat hij nu vergoelijkend door, “mijnheer Hoskens, naast al het werk dat nog gedaan moet worden, is er ook het feit dat 22 januari het eerste beschikbare slot is qua operatiezalen om een operatie van deze omvang uit te voeren. Nietwaar, dokter Dhooghe?” En hij wenkt naar de plastisch chirurg. “Dokter Dhooghe heeft het slot voor u vastgelegd, mijnheer Hoskens,” eindigt hij om de plotse doorverwijzing te verklaren. Dokter Dhooghe beaamt onmiddellijk het gebrek aan ruimte in de overbeladen agenda’s van de operatiezalen. “Tja, dan zal het niet anders gaan zeker?,” reageer ik. “U moet begrijpen dat mijn angst groot is professor. U gaat dit belachelijk vinden maar sinds enkele dagen heb ik bijvoorbeeld een kopvalling en bij elk stuk snot dat ik langs mijn keel naar beneden voel zakken, denk ik dat het vol zit met van die schilfertjes. Zo erg heb ik het zitten. En dan doe ik alle moeite van de wereld om dat tegen te houden, terug naar boven te krijgen, door te rochelen en te reutelen als een oude man. Vreselijk gewoon.” “Ik begrijp uw zorg mijnheer Hoskens, maar u moet u daar op dit moment niet mee bezig houden. Bovendien is het normaliter niet op die manier dat een eventuele uitzaaiing gebeurt.” “De oncoloog van het AZ Maria Middelares stelde voor om nu al chemo op te starten, operatie of geen operatie,” probeer ik nog. “Chemo? Nu nog? Geen sprake van!,” reageert hij als door een bij gestoken. “Dat is helemaal niet aan de orde nu!” Ik ben al gewoon blij dat hij nu kwaad is op iemand anders, maar professor Vermeersch gaat door: “Misschien dat we na de operatie enkele sessies chemo zullen moeten doen. Maar zelfs dat betwijfel ik op dit moment. Ik denk dat er eerder enkele bestralingssessies nodig zullen zijn. Maar geen chemo. Als er al iets nodig zal zijn. Als de operatie goed lukt, gaat misschien zelfs dat niet nodig zijn.” Alles wat die man zegt, klinkt plots allemaal als muziek in mijn oren. Misschien gaat chemo zelfs niet nodig zijn. Jezus, ik zou hem zo kunnen dood knuffelen, de brave man.
Professor Vermeersch kijkt me echter indringend aan. “Mijnheer Hoskens, is het goed dat voor dat we deze consultatie formeel afsluiten, mijn collega’s en ik nog even apart overleggen? Daar worden geen dingen gezegd die u niet moogt horen hoor. Dus het is niet zo, en ik zeg dit nadrukkelijk, dat daar andere dingen gezegd worden dan dat er hier gezegd geweest zijn. Het is alleen misschien verwarrend voor u om ons bezig te horen. Daarom is het beter dat we dit overleg even apart houden. Is dat goed voor u?” “U doet maar professor. Doet u maar alles wat u nodig acht.” “En wilt u dan even wachten hier terwijl wij hiernaast overleggen?” “Ja, natuurlijk, waar zou ik anders naartoe gaan, professor?” “Ok, mijnheer Hoskens, we komen direct terug.” “Tot direct dan.” En ze verlaten alle drie samen het kleine bureautje.
Na een minuut of vijf komen ze terug. Deze keer blijven ze recht staan. “Goed, mijnheer Hoskens, alles is in orde aan onze kant. We zijn dus aan het einde van deze consultatie gekomen wat ons betreft. Tenzij u nog extra vragen hebt natuurlijk.” Ik antwoord van niet. Verklaar dat ik gewoon ontzettend blij en dankbaar ben dat ze mij nog denken te kunnen en willen opereren. “De volgende keer dat we mekaar zullen zien, zal dan op maandag 21 december zijn. De dag voor de operatie. Want, dat hadden we nog niet besproken, mijnheer Hoskens, maar we stellen voor dat u de dag voor de operatie in de late namiddag naar hier komt en u inschrijft. En dat u dan hier al overnacht. Op die manier kunnen we u ‘s ochtends, in alle vroegte, opereren. Is dat ok voor u?” “Ja, natuurlijk.”
“Nog één ding, mijnheer Hoskens. Is het misschien mogelijk de volgende keer met twee te komen. Met uw vrouw of zo? Ik veronderstel dat u een vrouw hebt?” “Ja, die heb ik.” “Niet om u te controleren of zo hoor. Maar omdat op consultaties zoals dit er altijd zo veel dingen gezegd worden en terloops afgesproken. En een mens vergeet al snel iets, niet? Op die manier kan de ander helpen om alles te onthouden.” “Ja, geen probleem professor, de volgende keer zullen we met twee zijn. Maar deze voormiddag moest Tin, mijn vrouw, les geven en, tja, ik dacht dat u mij enkel slecht nieuws ging meedelen.” Hier begint hij eindelijk breed te lachen: “Dan hebben we dat toch al kunnen vermijden, niet, mijnheer Hoskens?”
Ik denk dat het nu echt afgelopen is. Dat de voor mij prachtig verlopen voorstelling naar haar einde loopt. Maar dan volgt tegen alle verwachtingen in nog de klap op de vuurpijl. Bij het afscheid nemen herhaalt professor Vermeersch voor de derde keer dat er al hard gewerkt is op mijn dossier. Maar deze keer voegt hij daar expliciet aan toe: “Het is vooral dokter Fransen hier die al veel werk verzet heeft mijnheer Hoskens,” en hij wijst met een van zijn elegante, vertraagde bewegingen naar de jongste van drie. De jonge assistent heeft tijdens de hele consultatie geen woord gezegd. Maar hij, de nestor, maakt er een punt van om hier en nu, publiekelijk, in aanwezigheid van de patiënt, hem te bedanken als erkenning voor al het geleverde werk. Waar vindt men nog zoveel eerlijkheid en correctheid in deze meer en meer valse egotripwereld van over lijken gaande wolven en haaien? Mijn knuffeldrang wordt nog groter. Ik moet me echt inhouden om de professor niet van pure bewondering en toegenegenheid om de hals te vliegen. En terwijl ik me daar sta in te houden, maakt hij het me nog wat moeilijker want uit het niets vraagt hij, nadat dokter Dhooghe en dokter Fransen de ruimte al verlaten hebben, van de ene onzekere, sterfelijke mens tot de andere, of alles duidelijk was en vooral of ik als psycholoog vond dat hij alles goed aangebracht heeft. Terwijl ik nu al begin te twijfelen tussen hem om de hals te vliegen of hem carrément een kus te geven, antwoord ik hem aangedaan van wel, dat hij het prachtig gedaan heeft en een medaille verdient in vergelijking met hoe anderen te werk gaan. Hij begint spontaan te lachen en nadat hij een laatste keer mijn hand schudt, verlaat ook hij de vaalwitte-donkergroene Bühne met lichtbruin gelakte bomen.
Een verpleegster komt me nog even ophalen om enkele documenten in te vullen en te ondertekenen. Nadat alles afgerond is, vlucht ik snel naar buiten en bel opgelucht naar Tin vanuit de overdekte gehandicaptenzone aan de ingang. Beschut tegen de wind en de regen daar vertel ik alles wat er gezegd is geweest terwijl de tranen overvloedig over mijn wangen rollen. Ik praat luid en lach uitgelaten terwijl diezelfde tranen maar blijven komen. En ik hoor aan de andere kant Tin hetzelfde doen.
9 januari 2018 14u30 – En maar breien; onder een scan, in de auto, thuis, in de zetel, in bed, zelfs op het toilet
Het eerste wat ik doe wanneer ik thuis kom van het facial team, is bellen naar het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis van Aalst om een afspraak te maken voor die nieuwe scan, die scan van mijn dijen. Zodat de plastisch chirurg zo snel mogelijk perfect weet welk stukje vlees van mij hij het beste kan gebruiken. En inderdaad, daar in Aalst is er nog ruimte vrij. Ik mag al direct twee dagen later komen. Voor mij is het vooral ook meegenomen dat zo’n kleine to do’s, zoals een telefoontje placeren, een scannetje laten maken, die twee weken wachten wat draaglijk maken. Want zelf zie ik het totaal niet zitten, nog eens twee weken wachten. Want of die tumor al in metastase is, kan ik niet zeggen, maar dat die al aan het proberen is om op te stijgen van mijn voorhoofd, zich los te scheuren met zijn verbrandingsraketten van alles wat hem aan mij bindt, de wijde wereld in te trekken, wel. Zo groot is hij naar mijn gevoel al geworden. Het is alsof hij die totaal misplaatste operatie in Gasthuisberg als een uitdaging om ter snelste groeien ervaren heeft en als een paddestoel uit mijn hoofd aan het schieten is.
Wat ook meer en meer door mijn hoofd maalt, is wat die oncoloog van het AZ Maria Middelares enkele dagen geleden wist te zeggen. Het klinkt nu als een sprookje: “Er was eens een vrouw met een gelijkaardige tumor op een gelijkaardige plaats. Daar was men er op tijd bij en met een lichte operatie en enkele bestralingen was ze er vanaf. Er was geen recidive. En ze leefde nog lang en gelukkig.” Die was haar oog, laat staan gans haar oogkas, dus niet kwijt. Ik daarentegen, na al dat amateuristisch geklungel in Gasthuisberg, wel. Of toch binnen twee weken. Wat ga ik nog allemaal kwijt zijn vraag ik me nu meer en meer af? Ga ik door al de fouten gemaakt in Gasthuisberg soms wel een recidive kennen? Gaat die kanker wel terug komen bij mij, nadien, zelfs als ik mijn ganse oog nu opgeef? En gaat mijn levensverwachting plots drastisch ingekort moeten worden met een goede twintig jaar? Kan ik dit alles op het conto van een arrogant Gasthuisberg en één zelfingenomen professor schrijven? En hoeveel moet ik dan op dat conto schrijven? Hoeveel is dat dan eigenlijk waard, zo’n twintig jaar van een mensenleven? Het BNP van België nemen, dat delen door 11,5 miljoen en dat terug vermenigvuldigen met 20? En dan nog, kan ik als slachtoffer zeggen dat ze hun geld, zelfs als het veel geld is, in hun gat mogen steken? Dat ze gewoon alles ongedaan moeten maken en dat we dan pas quitte zullen zijn? Die zelvoldane goden van boven op die berg, die boven alles staan, de wet en al zeker al dat kleinmenselijk gedoe zoals angsten, zorgen, verplichtingen en ruzie maken, die moeten dat toch kunnen?
En komt nu ook meer en meer een nieuwe vraag: moet ik dit alles zomaar aanvaarden? KAN ik dit zomaar aanvaarden? Moet ik gewoon zeggen: “Och, iedereen kan zich al eens vergissen!,” en is daarmee de kous af? Of zitten er toch nog wat gaten in? Gaten waarlangs mijn haat en agressie nog een weg dreigt te vinden? Zodat ik rekenschap ga eisen? Rechtvaardigheid ga afdwingen? Want ik kan me vergissen, maar het systeem gaat het volgens mij niet geven. Ik zou bijvoorbeeld die Hartenkoningin een keer kunnen opwachten aan haar konijnenpijp en eens goed mijn gedacht kunnen zeggen. Of nog veel beter, ter plekke fysieke rechtvaardigheid opleggen? Die gulden regel uit vervlogen tijden, een oog voor een oog, toepassen? Hoe zou dat in de pers verschijnen, zo’n ‘fait divers’? Zou dat als een gerechtvaardigde heldendaad omschreven worden of eerder als een geval van laagbijdegrondse, zielige rancune van een zielige zieligerd? Moet ik me dan ook in dit scenario weer gedragen als een verantwoordelijke burger? Die braaf zijn belastingen betaalt en rustig naar huis gaat en de dingen laat gebeuren zoals ze gebeuren? Alles over hem heen laat komen alsof het Gods’ hand zelf is die alles bepaalt? Dat machtig apparaat en die machtige mensen boven op die berg van zieken, waar ligt hun verantwoordelijkheid? Of waar is die eigenlijk? Bestaat ze wel? Want ik zie ze niet. We zijn nu al enkele weken later nadat het duidelijk is geworden dat er serieuze fouten begaan zijn en het enigste dat ik van daar te horen krijg, acht kilometer oostwaarts, is één grote absolute stilte. Een muur van stilte. En daar moet ik het mee doen. Braaf zijn en blijven.
Als ik aankom in het ASZ Aalst, is het direct duidelijk dat ik me niet langer in het Gentse bevindt. Hier geen meerverdiepingen parkingmonster van staal maar een geplaveide openlucht plattegrondsparking zoals in de rest van het land. Wat ze dan wel weer gemeenschappelijk hebben, is dat er om twee uur in de namiddag totaal geen plaats meer is. Ik ben verplicht om me achter een reeks andere auto’s half op de borduur te zetten tegen de struiken en bomen aan, over de barsten in het plaveisel heen, gevormd door de wortels van diezelfde struiken en bomen. Sjaans dat ik niet in Leuven zit, bedenk ik me, want daar zou mijn wagen binnen het halfuur weggesleept worden. Kwestie van repressief de stadskas verder te spijsen.
Ook het gebouw getuigt van betere tijden. Op basis van mijn kort parcours doorheen onze Belgische ziekenhuizen kan ik toch stellen dat om een of andere reden die ziekenhuizen die niet behoren tot de katholieke zuil veel meer afgeleefd lijken dan de Sint-versies ervan. Alsof de besparingswoede van de staat zich de afgelopen jaren vooral gericht heeft op de 100% staatseigendom ziekenverblijven. In om het even welk ander land zou het andersom zijn, maar wie ben ik om dit alles in vraag te stellen? De scan zelf is niet zo bijzonder. Het is terug eerder een Apollovlucht. Er wordt inderdaad weer ongegeneerd gefocust op mijn vooralsnog prachtige dijen. En dus duurt hij nog korter dan anders. Ik geraak dan ook niet veel verder dan de dampkring.
10 januari 2019 – Van uw familie moet ge het hebben
Die ruzie heeft lang genoeg geduurd, vind ik. En als mijn leven binnenkort aan een zijden draadje hangt, onder grote lampen op een koude operatietafel, wil ik toch op een correcte manier afscheid hebben genomen van mijn grote broer. Dus beslis ik van hem te bellen. Ik ga het helemaal achteraan doen, in alle rust, tegen het bos aan, bij de kippen. Daar waar ik voor de laatste keer, een jaar of vier geleden, met hem gebeld heb. Niet dat er toen veel gezegd werd. Zoals vroeger zo vaak, vergiste hij zich bij het bellen tussen zijn zoon en mij en vroeg drie keer naar hem, alvorens zijn fout te ontdekken en snel terug in te leggen. Een jaar of twee nadien, bij de begrafenis van Nonkel Fons, vond ik ook al eens dat het welletjes was geweest en had hem na de misviering, toen hij al in zijn wagen zat samen met mijn schoonzuster, aangesproken. We waren toen geëindigd in een cafe tegenover de kerk en hadden voor het eerst in jaren nog eens rustig wat gebabbeld. En, cruciaal hierbij, gebabbeld over al hetgeen dat er gebeurd was, het waarom en het hoe. Ik had toen gedacht dat dit misschien het ijs zou breken, dat hij misschien de kans zou grijpen om het ook met mijn zus bij te leggen, maar niets van dat alles. De loopgraven hielden stand en zelfs een Kerstfeestje onder oorlogsvoerders zoals in die Eerste Wereldoorlog zat er nog steeds niet in.
Niet dat het puur uit hoofse beleefdheid is dat ik nu deze stap zet. Ik kan op dit moment ook wel wat hulp gebruiken van mijn broer. Zelfs nu dat gezwel kwaadaardig blijkt te zijn, blijft mijn zus doen alsof ik met mijn Vlaamse Hoskensboerengenen alles aankan, vingers in de neus zelfs. Zelf voel ik me helemaal niet zo zeker van mijn stuk en dus kan ik wel wat ouderwetse steun van Grote Beer gebruiken. Ik zoek zijn naam tussen mijn contacten. Of toch de naam die ik als enige nog gebruik. Als jongvolwassene vond hij dat plots een ouderwetse en lelijke naam en schaamde zich er een beetje voor. Hij heeft toen de naam door iedereen doen inkorten tot een meer krachtige, moderne variant ervan. Alleen bij mij bleef de naam uit vervlogen tijden hangen en probeer een kind maar eens duidelijk te maken dat hij iets anders moet zeggen dan wat de naam van iemand net is. Zeker als die ene persoon dan ook nog eens het centrum van het universum is.
Ik hoor hem opnemen. “Hallo, met Gust?” Het doet deugd om zijn stem terug te horen. Aan de klank ervan hoor ik dat hij goed weet wie hij aan de lijn heeft, maar nog even doet alsof er niets bijzonders aan de hand is. Ik val met de deur in huis: “Dag Gustave, Patrick hier. Ik vrees dat ik niet zo’n goed nieuws heb,” en vertel hem in één ruk alles wat er gebeurd is. Hoe dat ik gesjareld ben geweest door het zo arrogante Gasthuisberg en een van die ongenaakbare professoren daar die zich God wanen. En nu aan het wachten ben op een operatie in het UZ Gent waarbij mijn ganse linkeroogkas gaat leeggelepeld worden. In de hoop daarmee de schade te beperken. Want dat het risico reëel is dat de schade nog veel groter is. Oneindig veel groter. Of toch 20 jaar van een mensenleven groter.
Naarmate mijn verhaal vordert, krijgt mijn broer het moeilijker en moeilijker. Het is altijd al een gevoelige geweest. Net zoals ons moeder. Een triest verhaal op de TV met een kind dat ziek was of een levensverhaal als dat van Rosalie Niemand en ze zaten vroeger beiden te wenen in de zetel. Zelf kan ik deze keer als hoofdfiguur van mijn eigen triestig verhaal – egoïst tot in de kist – ook maar met moeite mijn tranen bedwingen. En mijn broer moet nu, als teergevoelige mens, die afschuwelijke roller coaster waar ik op gezeten heb de afgelopen weken en maanden op een minuut of tien doorstaan. Het telefoontje duurt dus niet zo lang maar het is verbazingwekkend hoeveel deugd het doet om dit alles te kunnen vertellen aan hem. Elk woord dat er gezegd wordt, staat niet op zich, maar hangt vol van andere significante betekenissen en magische gebeurtenissen. Via mijn grote broer sta ik in rechtstreeks contact met de oerbron van mijn bestaan en bereik ik de oren van al lang overleden almachtige stamvaders en -moeders die vanuit het hiernamaals over ons waken. Niemand anders dan de held van mijn jeugd had mij dit vandaag kunnen geven. Naar het einde toe begint hij zijn keel te schrapen. Kwestie van er toch nog een woord tussen te krijgen. Tussen wat ik zeg en zijn eigen tranen. Hij zegt dat hij het allemaal vreselijk vindt. Het net zoals ik al helemaal ongelooflijk vindt wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg. En vraagt me hem te laten weten in welke kamer juist ik zal liggen in het UZ Gent na de operatie. Zodat hij me kan bezoeken.
De kippen staan ondertussen aan mijn benen te kakelen. Net wanneer ik afscheid wil nemen van mijn grote broer, zie ik de haan de kippen roepen want hij heeft weer een malse regenworm gevonden. Ze zijn er dan ook als de kippen bij. Maar net als echte kippen zien ze de pier niet liggen. Nochtans staat de haan druk te gesticuleren met zijn hoofd om aan te geven waar hij zich juist bevindt. Uiteindelijk vindt hij er niets beter op dan de regenworm vast te pakken met zijn snavel en in de lucht te smijten. Als ze het nu nog niet door hebben,…
12 januari 2019 – Du regard comme objet petit a
Die kikker blijft op mijn zenuwen werken. Om de vijf voet is er nu die ‘ddzzz, ddzzzz, dzzzz,…’, dat akelig gevoel die zo’n elektrische kortsluiting met zich meebrengt. Soms is het alsof mijn wenkbrauw dan aan de binnenkant als een echte kikkerbil samentrekt. Maar ik kijk dan in de spiegel, een en al focus op die zone van mijn gezicht tussen wenkbrauw en neusbrug en zie helemaal niets. Daarnaast zit mijn linkeroog. Dat oog dat mij al 52 jaar trouwe dienst bewijst en dat mij binnen 10 dagen zal moeten verlaten. Met die mooi grijsgroene kleur waarvan ik graag het groene gedeelte benadruk zodat ik kan claimen de intensieve ogen van een panter of een kat te hebben. Veel interessanter dan die brave, nietszeggende hondenogen die ik in het echt heb. Daartussen zit die tumor. Ondertussen ziet hij al rood, blauw en paars, beste Ground Control. Paars, dat zijn de onderhuidse adertjes die zichtbaar beginnen te worden. Met al die vertakkingen begint het er als een overstroomde delta uit te zien, die ooghoek; de Egyptische Nijl of de Ganges. En ondertussen is het gezwel zo groot geworden dat mijn oog half toegeduwd wordt. Of mijn oogbol verdwijnt toch voor bijna de helft uit het zicht. Een mislukte Chinees, zo zie ik eruit. Met één half opengesprongen spleetoog.
Dat dat oog ondertussen nog blijft zien zonder problemen is onvoorstelbaar. Wat voor een ingenieus orgaan is dat toch? Op zich al, gezien de functie ervan; lichtstralen opvangen en omzetten in beelden voor ons, de er totaal aan verslaafde mensheid? Terwijl het zelf gewoon uit wat zacht weefsel bestaat. Ik bedoel, het is geen hypergesofisticeerde fotocamera, ingebouwd in een smartphone of bestaande uit plastiek en metaal, met een groothoeklens om alles nog wat te pimpen, die ochottekes 12 megapixels vastlegt. Neen, met een constant panoramisch zicht en meer dan 150 megapixels doet het oog veel beter. Bovendien ziet het eruit als een gummy bol met zo’n tweeënhalve centimeter doorsnede schat ik. Een beetje als zo’n botsbal uit een tuttefrutmachien. Maar dan met levende kegeltjes en staafjes van binnen, rechtstreeks verbonden met onze interne harde schijf, de hersenen, via de oogzenuw. En daar vlak naast dus, zit nu al een tijdje een kankergezwel te groeien, en sinds de operatie van de waanzinnige Hartenkoningin zelfs te woekeren, en toch blijft dat oog zijn ding doen. Onversaagd blijft het beelden doorsturen naar de hersenen. Alsof er niets aan de hand is. Ondanks die tumor en ondanks de talloze oogdruppels en oogzalfjes die het de afgelopen maanden te verduren heeft gehad. Nooit geweten dat een oog zo taai was.
Trouwens, over spiegel gesproken, het oog is ook de spiegel van de ziel, zegt men. Loop ik dan niet het risico om binnenkort mijn ziel te verliezen? Want zonder spiegel ga ik hem niet langer kunnen terug vinden? En dat door toedoen van nota bene een oftalmoloog van de Katholieke Universiteit van Leuven? Die universiteit die in al haar hoogmoed constant beweert de grootste en dus de beste van het land te zijn? Iemand die zijn ganse leven net opgeleid is geweest om dat ene onschatbare ding tegen elke prijs te beschermen en te redden? Het aantal keer dat er in Gasthuisberg iemand met veel aplomb Tai Chi heeft staan doen voor mijn neus, om te checken of de oogzenuw toch maar niet geraakt was, kan ik niet op mijn hand tellen en nu gaat het ganse ding eruit moeten, met zenuw en al. Gaat zo’n duurbetaalde specialist er de oorzaak van zijn dat daar binnenkort een grote vleselijke leegte gaapt? Dat ik misvormd en mismaakt verder door het leven zal moeten gaan? Dat ik niemand meer in de ogen ga durven kijken? Met schaamte telkens mijn hoofd ga moeten weg draaien? Mijn blik verbergen?
Bij Jacques Lacan, die Franse goeroe-psychoanalyticus uit de tweede helft van de vorige eeuw, die tijdens mijn studietijd zo’n furore maakte onder de meer creatieven onder ons, was de blik één van de zeldzame concrete verschijningsvormen op deze wereld van het eindobject van al onze verlangens, wat hij noemde ‘l’objet petit a’. Een andere was de stem. Net zoals de stem kan de blik iets voorspiegelen dat doet verlangen. Of beide kunnen via de intensiteit waarmee ze binnen komen verlangen bij en naar de ander creëeren. Voor een gedeelte de wil van de andere opheffen. En daardoor een van de weinige momenten vormen waarop mensen elkaar echt raken of zelfs gewoon opmerken. De blik verliezen betekent dan ook veel meer dan niet langer kunnen zien. Ik ga trouwens nog altijd kunnen zien, met één oog. Maar ik ga zonder blik niet langer present kunnen tekenen en ik ga dus niemands ziel nog kunnen beroeren. Noch man, noch vrouw. Ik ga verleidingsloos door het leven moeten gaan. Want de mensen die ik nog zal ontmoeten, gaan mij links laten liggen als linkerooggehandicapte. Of mij vanuit die hoek, met een welgemikte rechterhoek, een flinke optater geven; ik ga de vuistslagen toch niet langer zien aankomen. Eén van de twee. Niemand gaat nog echt geïnteresseerd zijn in mij. Enkel medelijden ga ik mogelijks nog kunnen krijgen. Alleen blinden ga ik nog kunnen proberen te verleiden met mijn gedachten en mijn woorden. Gebruik makend van mijn al net zo doordeweekse stem. Dus daar zal ik ook al niet veel succes mee hebben. En eenmaal wanneer ik die epithese heb, voorbijgangers. Want die gaan zelfs niet de tijd hebben om het stilleven in mijn linkeroog op te merken. Maar wat zeg je tegen voorbijgangers zonder dat ze stoppen en even de tijd nemen om je eens goed te bekijken? Zonder dat ze stoppen met voorbijganger te zijn?
14 januari 2019 – Driemaal is scheepsrecht
Drie keer maak ik het mee. Op één week tijd. Telkens in de nacht. Ik ben net in slaap gevallen. Maar word terug wakker gekatapulteerd door het waanzinnig intense gevoel dat ik van binnenuit implodeer. In één miliseconde verlies ik alle controle over lichaam en geest. En voel ik me letterlijk naar beneden storten. Terwijl ik val zie ik, gene zever, vlak langs mij, de graszoden en daaronder de wortels en daaronder de donkere, vochtige grond met de pieren en de maden passeren.
Het is op dat moment dat mijn ogen wagenwijd open springen. Want ik besef dat ik dood ben. Het is de aarde die mij opslokt. Die terugneemt wat haar toekomt. Het is alsof ik word neergelaten in mijn graf. Of, neen, het voelt nog veel, veel erger aan. Het is alsof ik nooit bestaan heb, alsof ik nooit gelachen of geweend heb, alsof ik zelfs nooit geboren ben geweest. Want ten grave gedragen worden, betekent dat je daarvoor geleefd hebt en zelfs dat kan ik niet langer pretenderen. Dat gras, die zwarte humusgrond, die wortels, dat ik allemaal daar naast mij zie, dat ben ik en ik ben nooit meer geweest dan dat. Zo voelt het aan.
Ik begin net niet te krijsen. Zo angstaanjagend is het. De eerste keer is het veruit het ergst en het zwaarst om te verduren. De schok is werkelijk gigantisch. Heel mijn zijn davert op zijn fundamenten. Die, voorlopig nog, twee ogen van mij floepen open aan een snelheid die ik niet voor mogelijk hield. Ik zit ook recht in mijn bed in een nieuwe recordtijd. Puur en rauw vluchtgedrag. Blijven liggen is gewoon geen optie.
De tweede en de derde keer was het telkens ongeveer even sterk maar al minder benauwend dan die eerste keer. Alsof je het tegen dan al gewoon wordt, zo’n gruwel van zwart zand, wormen en pieren. Wat wel blijft is dat vreemde gevoel dat er plots een dam doorbroken wordt. Dat ik overspoeld en verzwolgen word door iets monsterachtigs. Iets dat mij overmant van binnenuit.
Eerste vraag die zich opdringt: is dit de tumor soms die zoals een paddenstoel plots zijn sporen loslaat op de wereld? Die zijn metastase triomfantelijk, met herauten en al, aankondigt? Het is in ieder geval alsof mijn organisme voelt dat de microschilfers de walburcht al verlaten hebben en dat er vanaf nu niets meer aan te doen valt. Dat ik een vogel voor de kat ben. En enkel nog kan wachten op de kroniek van mijn aangekondigde dood.
En was die eerste keer de ontlading gewoon het grootst? Zoals bij een doodeenvoudige ejaculatie? De intensiteit van die eerste keer werd nadien ook nooit meer evenaard en dat is toch ook een zaadlozing. En is het mijn lichaam die de ontplooiing van de aanvalstroepen van de tumor registreert en zich in schok al laat afzakken in een vuile, modderige put? Om op die manier het afschuwelijke proces van de fysieke aftakeling tussenin over te slaan?
Of, tweede mogelijkheid, is dit nu soms een paniekaanval? Nooit meegemaakt, een paniekaanval, tot nu toe toch. Voelt dat soms zo aan? Als het totale verlies van controle over lichaam en geest? Rechtop zittend in mijn bed klamp ik me aan mijn smartphone vast en begin als een razende te zoeken op Dokter Google naar de symptomen van een paniekaanval. Maar ik heb helemaal niet het gevoel dat ik aan het stikken ben. Ik ben aan het dood gaan, ja, maar niet door te stikken. En ik kan ook niet stellen dat ik pijn voel in de borst door een overslaand hart of een te kleine slagader voor de hoeveelheid bloed die er plotsklaps wilt doorstromen. Het enigste wat overeenkomt is het gevoel van dood te gaan of al te zijn in mijn geval. Blijkbaar komt dat ook vaak voor bij een paniekaanval.
De tweede en de derde keer was het zoals gezegd iets minder erg, maar na die derde griezelige forfaitverklaring van mijn lichaam sta ik in de ochtend op met zo’n ellendig gevoel dat het is alsof er niet langer een nachtelijke crisis nodig is om te vallen in het bodemloze graf. De gruwel is dus niet langer rechtstreeks verbonden aan dat nachtelijke visioen en eindigt niet wanneer ook dat laatste verdwijnt, maar blijft permanent in mijn systeem hangen. En dit vanaf het eerste ochtendgloren.
Ik voel me zo misselijk dat ik het huis uitvlucht. Ik beslis naar Leuven te gaan in de hoop daar wat afleiding te vinden voor mijn nare gevoelens. Maar nadat ik mijn wagen terug geparkeerd heb aan de Sint-Jacobskerk, dezelfde parking waar hij ook stond bij die dubbele parkeerboete na die vervloekte operatie door Hartenkoningin in het Sint-Pieterziekenhuis, geraak ik niet meer verder dan de koffiebar op de hoek van de Brusselsestraat vijftig meter verderop, Bar Berlin. Daar zit ik een uur of twee in één van de eenpersoonszetels tegenover de oude Chesterfield. Jammer genoeg voor mij niet te bekomen. Gewoon recht te zitten en mezelf recht te houden. Met Nietzsche op mijn schoot en één latte macchiato voor mij. Maar ik krijg niets gelezen, hoezeer ik ook probeer, omdat ik me zo ellendig slecht blijf voelen. Als ik het magisch realistisch probeer te beschrijven: ik, Patrick Hoskens, als persoon, die jaren hier in Leuven heeft rondgelopen, als student, als jongvolwassene, als werkende, als papa, als mens onder al die andere mensen hier, besta even niet meer. Fysiek ben ik hier aanwezig, alhoewel ik zelfs dat durf te betwijfelen. Ik voel me althans ook onzichtbaar. Ik ben zelfs geen entiteit meer. Ik ben gedisintegreerd en lig in stukken op de grond of steek blijkbaar zelfs hier en daar in de grond. En ik slaag er niet in om de stukken terug samen te rapen. Ik durf amper op te kijken van mijn boek en blijf naar beneden staren naar de pagina’s voor mij, zonder te lezen. Na enkele uren sta ik met moeite recht en keer terug naar mijn auto. Als nog steeds onvindbare man rijd ik terug naar huis. Daar aangekomen val ik als een blok in slaap in de zetel beneden.
Wanneer ik wakker word, beslis ik een berichtje te sturen naar Yvo en Willem. Om te signaleren wat er gebeurd is. Yvo laat me weten dat hij met me mee voelt maar dat we gaan moeten wachten tot de operatie op 22 januari om te zien wat we eventueel kunnen doen, maar het allerbelangrijkste is dat mijn beide engelbewaarders geen link zien tussen de kanker en dit ellendig gevoel. Dus dat van die lijfelijk ervaren metastase lijkt al niet te kloppen. Willem geeft nog wel aan dat ik iets moet laten weten als het nog eens gebeurt en al zeker als het nog slechter zou worden.
Zelf voel ik me na de crash-dut in de zetel lichtjes beter. Ik ben in ieder geval terug een persoon geworden. Of ik voel me toch terug mens. En besef dat ik me alleen maar verder kan voortslepen richting operatie. Het is nog maar 8 dagen wachten. Maar zoals gevreesd, na bijna een maand wachten nu sinds die vreselijke diagnose, die zelf ook al enkele maanden te laat gevallen is door het afschuwelijke geklungel van Hartenkoningin die gewoon in de buurt van een kankergezwel en waarschijnlijk zelfs erin heeft zitten snijden, tijdens een operatie waar het op haar beurt ook al lang op wachten was, wordt het wachten nu ondraaglijk. Zelf kan ik alleen maar blijven hopen dat driemaal niet altijd scheepsrecht is want dat bootje van Charon kan ik nog wel een tijdje missen als kiespijn. Ik zou graag mijn kinderen willen zien afstuderen. En ooit kleinkinderen hebben, graag. Of op zijn minst één keer kunnen vast houden. Als dat allemaal niet zou lukken door het amateuristisch geknoei van Gasthuisberg, heb ik een levensgroot ei te pellen met mijn vroegere Alma Mater. Het probleem is alleen dat ik mogelijks tegen dan met die boot al vertrokken ga zijn.
16 januari 2019 – De horror
Nietzsche was een genie. En in de eerste plaats een geniaal schrijver. Ik ben begonnen aan ‘Die Geburt der Tragödie’, zijn eerste belangrijke werk, ook het eerste werk van Band I van mijn nieuwe ‘Gesammelte Werke’. Zoals altijd op mijn traag tempo. Soms lees ik maar een halve bladzijde per dag. Het werk dateert al van 1872, maar ik verveel me geen seconde. Zo mooi is het geschreven. Een literaire tekst, dat is het. De volgende die tegen mij zegt dat Duits een lelijke taal is, die sla ik met Nietzsche om de oren.
Ook opvallend, het aantal Duitse woorden in deze tekst die veel verwantschap vertonen met onze mooie Nederlandse taal. Of beter gezegd, de Duitse woorden die ik niet onmiddellijk herken, omdat ik ze niet zo vaak tegen kom, kan ik telkens door de Nederlandse verwanten ervan vlot begrijpen. Zoals ‘Gewühl’, dat in het Nederlands gewoel betekent, ‘sanftmutig’ dat zich laat vertalen als zachtmoedig, en ‘spähen’ dat in het Nederlands spieden wordt. Nochtans is Nietzsche geboren en getogen ergens in de buurt van Leipzig, in het vroegere Oost-Duitsland. Dat is toch helemaal de andere kant van dat groot land. Natuurlijk hebben we als taalgroep dezelfde Germaanse stam als oorsprong, maar mij helpt het terugvinden van die mooie woorden in het prachtige Duits van Nietzsche vooral om de schoonheid van het Nederlands zelf te ontdekken, hetgeen goud waard is in een taalgebied waar zo weinig aandacht is voor de schoonheid van de eigen taal.
Bovendien was de man zelf van opleiding een filoloog. Geen filosoof dus, maar een taalkundige. Niet van Duits, maar van de klassieke talen en dan, in zijn geval, het oud-Grieks. Het Grieks van Aeschylus, de eerste grote dramaturg, niet van Socrates, want daar moest hij niets van hebben. Dat was voor hem het summum van een compromisfiguur, een bestendiger van de zittende macht die hij verpersoonlijkt zag door de Griekse god Apollo, de god van het metrum en dus van alles wat staat voor rede, orde en structuur.
Centrale stelling van dit werk: dat de Griekse tragedie een draaglijke voorstelling van het vreselijke lijden van de mens is en dat dit net haar functie is: op een verhulde manier, conform de normen en conventies zoals opgelegd door Apollo, lees de weldenkende gemeenschap, de gruwelijkheid van ons aards bestaan tonen aan de mensheid. Een mensheid die het anders, indien niet verhuld, niet zou aankunnen, die hel dat een mensenleven eigenlijk is. Collectief zelfmoord zou plegen. Voor diegenen die dit allemaal ook al niet aankunnen want veel te moeilijk en al veel te filosofisch: ik verwijs jullie graag naar Marlon Brando in ‘Apocalypse Now’ die vlak voordat hij vermoord wordt door de protagonist van de film, enkel nog maar kan uitbrengen: “The horror, the horror.” Niet omdat hij vermoord wordt, dat is eerder een verlossing voor hem, maar omdat hij tot diezelfde conclusie als Nietzsche gekomen is na jaren soldaatje spelen in Vietnam: het is gewoon niet om naar huis te schrijven dat menselijk bestaan, zo afschuwelijk lelijk is het.
Dit klinkt natuurlijk allemaal nogal negatief en dat is het ook. Dus stellen dat Nietzsche toch wel een beetje nihilistisch was, is niet onterecht. Maar tegenover la condition humaine en die regelneef van een Apollo plaatste Nietzsche wel één belangrijke kracht: Dyonisos, de god van het leven, van de creativiteit en van de wellust in alles. Fuck Apollo, die afstompende Griekse gemiddelde mens. Leve de extremen en de uitspattingen in het zicht van de diepe afgrond die zich constant voor ons aftekent. Leve het ongebreidelde leven. Dat klinkt al minder negatief niet? En voor de sexueel geperverteerden onder ons: neen, het gaat hier niet over bacchanale rozeballetfeestjes. En voor de Duitsers onder ons: jullie Oktoberfeste hebben niets vandoen met Dyonisos. En voor de Vlamingen onder ons: een zoveelste praatshow met Bekende Vlamingen, ge moogt het in uw gat steken. Dat is allemaal puur Apollo. Zielloos volksvermaak. Dyonisos is de extase veroorzaakt door een goed gesprek, al headbangend Nirvana opzetten in de auto, zich overgeven aan een prachtige zonsondergang vanop een modderig patattenveld in de herfst, een boek zo goed vinden dat ge weigert het uit te lezen. Soit, als ge nog mee zijt, des te beter. Als niet, dat is niet erg. Want who cares? Dyonisos alvast niet.
Het geniale van Nietzsche blijkt onder andere ook uit hoe dat hij, naast het al in 1872 nogal visionair aangeven waar dat de moderne mens, die goddeloze, nu aan het eindigen is – in een steeds meer onecht leven voorafgegaan door influencers en bestaande uit oppervlakkige weer- en bespiegelingen zoals de botoxvolheid van de lippen, de ingeoliede sixpacks en het aantal likes op Instagram en Feesboek -, eindelijk een sluitende verklaring biedt waarom wij mensen vanuit de veilige geborgenheid van onze alledaagse wereld zo graag films en series kijken waarbij mensen met mitrailleurs of liefst zelfs dubbelloopsjachtgeweren neergeknald worden of horror movies zien waarbij het bloed van de schermen spat of ultraspannende psychologische thrillers waarbij onze tenen omhoog krullen, als het kan met een doos popcorn of een zak chips bij de hand: het is de ware essentie van ons eigen zijn. Wij zijn zelf al die gruwel. Een gruwel die even bloederig, rampzalig en vernietigend is als datgene dat we op het scherm te zien krijgen. En het is enkel op deze manier, vermomd als een filmpke, dat we er een glimp van kunnen opvangen zonder ter plekke in een zoutpilaar te veranderen zoals Lots vrouw bij Sodom en Gomorra. Dat en dat niet alleen wist Nietzsche in 1872 al, in zijn eerste, prachtige tekst, te duiden.
En voor diegenen die denken dat dat nogal simpel is om een Griekse tragedie zomaar gelijk te stellen met een moderne film, dat dat toch een beetje kort door de bocht is: het zijn jullie die een veel te eng beeld hebben van een Griekse tragedie. Want dat ging er daar veel levendiger aan toe dan in onze huidige eerder contemplatieve theaterzalen. Zo had zo’n Griekse tragedie bijvoorbeeld ook al een heuse sound track. Een sound track die zo belangrijk was dat de oorspronkelijke titel van de tekst van Nietzsche luidde “Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik.” De sound track werd gevormd door het koor dat intensief met de hoofdpersonages op het podium interageerde en de Griekse toeschouwer vertegenwoordigde in het stuk. En dit allemaal in zo’n Grieks theater uitgehouwen in de vorm van een halve maan in een heuvel of gebergte, speciaal gebouwd om een vallend steentje beneden te horen donderen op de bovenste zitplaatsen. Die Griekse tragedies hadden dus veel meer weg van onze cinema’s met hun dolby sound ultrasound surround systems dan we zouden denken. Ze organiseerden zelfs een soort van Oscars die Oude Grieken, tijdens de Dyonisia, de jaarlijkse feesten in Maart-April ter ere van Dyonisos. ‘En de Oscar voor het beste Griekse drama dit jaar gaat naar…’
Maar nogmaals, het geniale aan Nietzsche zit hem niet alleen in wat hij schrijft maar vooral in hoe hij schrijft. Hij schrijft vanuit de buik. In tegenstelling tot al die filosofen voor hem poneert hij geen absolute waarheden. Als hij dat wel zou doen, wat zou hij dan ineens beginnen lullen over Apollo en Dyonisos, oude goden die al lang dood en vergeten zijn? Hij is een van de eerste westerse filosofen die van de zoektocht naar de waarheid hun filosofie gemaakt hebben. Waardoor hij ook zonder gêne, het grote verwijt aan zijn adres, in de loop van zijn leven de ene keer A zegt en de andere keer B. Omdat in de ene context A waar was en in de andere context B. Met als bijkomend voordeel dat hij vanuit het leven schrijft en niet vanuit een ivoren toren. Meer nog, hij gebruikt zijn leven om beter te begrijpen wat mens-zijn eigenlijk is. Net zoals hij alles en iedereen uit de rijke cultuurgeschiedenis van diezelfde verdoemde mensheid, zonder enige beperking of limiet, gebruikt in diezelfde poging om dat beter begrip te bereiken. Scrupuleus. Ongeacht de gevolgen. Ook voor hemzelf. Zo betekende de tekst bijna het einde van zijn carrière. In de ban werd hij geslagen door zijn collega-filologen en -filosofen. Zo afwijkend was zijn schrijven t.o.v. de toenmalige heersende opvattingen over de Grieken en co in het Duitsland van eind 19de eeuw. Wat Charles Baudelaire is geweest voor onze Westerse literatuur, is Friedrich Nietzsche geweest voor onze filosofie. Een beeldenstormer eerste klas, die ineens de weg naar de toekomst wees. Hoe niet zo’n man bewonderen?
Waar hij me echter vooral mee weet te treffen, is met een passage waarin hij verwijzend naar de ongelukkige Oedipus stelt (en vergeef mij voor het Duits, het klinkt gewoon duizend keer beter): “…, dass der, welcher durch sein Wissen die Natur in den Abgrund der Vernichtung stürzt, auch an sich selbst die Auflösung der Natur zu erfahren habe.” Ofte vrij vertaald: diegene die op een bepaald moment de overmoed heeft te denken dat hij het leven door heeft (Oedipus slaagde erin het raadsel van de sfinx op te lossen), die wordt vernietigd door datzelfde leven (Oedipus steekt zijn eigen ogen uit wanneer hij te weten komt dat hij, zonder het te weten, zijn eigen vader heeft vermoord en met zijn moeder getrouwd is). Profetische woorden eigenlijk als je bedenkt hoe de man zelf aan zijn einde is gekomen: gespreid over een periode van 10 jaar, eerst krankzinnig geworden, met zware psychotische opstoten, daarna gekluisterd geraakt aan een ziekbed en de laatste jaren van zijn leven zelfs niet meer in staat tot spreken. Maar vooral ook voor mij weer heel confronterend deze stelling. Want laat ik nu net zelf de afgelopen jaren in die illusie verkeerd hebben van het allemaal wat door te hebben. Na ontslagen geweest te zijn door het leugenachtige en hebzuchtige klotemanagement van het toenmalige Mobistar, waarbij de manier waarop zo vernietigend was voor mij als persoon dat ik om uit de put te geraken gedurende enkele maanden enkel een boek kon schrijven, dat echter achteraf zo prachtig bleek te zijn, nooit gedacht dat ik zo’n mooi boek kon schrijven, dat enkel door dat te schrijven mijn leven voltooid leek. Een uitgever vond ik wel niet want ik leef in een tijd waarin alleen boeken van Bekende Vlamingen, over eten en burn-outs, gepubliceerd geraken. Maar dat was niet erg want meer, leek er mij, toch niet meer te zeggen. Alles wat gezegd moest worden, was gezegd. Wat een arrogantie, niet? En zie mij hier nu zitten, als een Vlaamse Icarus, gebroken aan een keukentafel, bibberend en bevend voor wat er komen gaat, roepend om hulp en huilend als een klein kind. Die klotekatholieken gaan weer over deemoed en die schijnheilige goegemeente over ‘Boontje die komt om zijn loontje’ beginnen, maar zelfs tijdens mijn val toon ik ze allen mijn stevige middenvinger. Om de simpele reden dat we, cfr. Nietzsche, allemaal constant aan het vallen zijn. Vanaf dat we geboren worden. Deemoed zal je niet redden en dat loontje nog veel minder. Maar ik zal nu maar stoppen met lullen over Nietzsche, die oude Duitse God.
17 januari 2019 – Gij zult niet stelen
België: katholiek apenland. Zelfs al woon je al meer dan 20 jaar samen. Zelfs al heb je al twee tieners rondlopen als concreet, fysiek gevolg van die ene relatie. Zelfs al ben je officieel geregistreerd als wettelijk samenwonend. Dan nog wordt de overlevende gestraft bij het overlijden van een van beide partijen. Gewoon omdat je niet gehuwd bent. Omdat je nooit geen zin gehad hebt om voor een altaar of een andere derde partij te verkondigen dat je voor de rest van je leven wilt samen blijven. En niet zomaar een beetje gestraft. Zwaar gestraft. Vooral alles van spaargeld, alles wat roerend goed is, loopt het risico niet correct verdeeld te worden. Wat mogelijks kan leiden tot de absurde situatie dat de overblijver gelukkig nog wel in het gemeenschappelijk huis kan blijven wonen, misschien mits toestemming van de kinderen, maar zelf geen nagel meer heeft om aan zijn of haar gat te krabben. Want ook de aanslag van de staat op de erfenis verschilt enorm. En ondertussen maar doen alsof hun neus bloedt, die smerige tsjeven. Ze hebben d’r niets mee te maken. Of, zelfs in de dood, nog eens goed natrappen: “Ge had maar moeten trouwen, gniffel, gniffel.” En maar zeveren over medeleven en mededogen en gij zult niet liegen en gij zult niet begeren wat uw buurman heeft, enzovoort, enzovoort. Apenland.
Het was net Yvo die mij er een aantal jaren geleden, tijdens een bergtocht in Val d’Aosta, op gewezen had dat er nog steeds zo’n enorme verschillen bestonden tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden op het vlak van de erfenisrechten. Net zoals ik dacht hij dat officieel een burgerlijke staat als ‘wettelijk samenwonend’ hebben, volstond om in orde te zijn als er een ongeluk of zoiets zou gebeuren. Niet dus. En dit in de eenentwintigste eeuw dus. Niet 1900. Of de jaren stillekes. Toen ongehuwd samenwonen nog een doodzonde was. Toen je er nog voor ging branden in de hel. Hoeveel Belgen zouden ondertussen al wettelijk samenwonend zijn? En niet langer gehuwd? 30%? 40%? En hoeveel Belgen zouden dan al ooit op die manier zwaar gekloot geweest zijn door die gulzige Belgische staat? Met op de achtergrond het katholieke koor dat tevreden een Te Deum aanheft? En voor de Vlaams-nationalistjes die hier en nu ook al beginnen te gniffelen, denkende van ‘Ja, die Belgische staat, dat is toch echt crapuul!’, Vlaanderen is geen haar beter, integendeel. Dat is nog een stap verder terug op de schaal van de evolutie. Dat is gewoon een katholiek patattenland.
Yvo had snel beslist om dan toch te trouwen. In intieme kring. Intiemer kon niet. Het gezin eigenlijk. En dat leek mij nu ineens een lichtend voorbeeld. Want je weet nooit wat er op zo’n operatietafel allemaal verkeerd kan lopen. Als zelfs de operatie zelf al volledig verkeerd kan zijn, nietwaar liefste Hartenkoningin ver weg boven op uw berg? Dus ik zeg tegen Tin: “Tin, zullen we niet snel trouwen? Om op die manier al die miserie van al die erfenistoestanden te vermijden?” Antwoordt Tin, eerlijk zoals ze altijd is: “Maar ik weet niet of ik wel met jou wil trouwen, Patrick. Bovendien, als ik met jou zou willen trouwen, dan zou ik het niet willen doen voor geld of zoiets, maar omdat ik jou graag zie.” Die eerlijkheid is soms niet zo plezant, maar de conclusie is wel duidelijk: er gaat nu hier niet getrouwd worden.
Dus zoek ik een andere oplossing. Via Meester Google kom ik te weten dat er nog een alternatief bestaat en dat is een testament laten opmaken bij een notaris en dan laten opslagen in een of andere nationale database zodat het niet verloren geraakt of over het hoofd gezien wordt op het moment van sterven. Ik zoek vlug het nummer op van de notaris bij wie we ook bijna twintig jaar geleden de aankoopakte van ons huis lieten opmaken. Want hoe vaak in je leven heb je als mens eigenlijk een notaris nodig? Twee keer gemiddeld? Voor mij is het nu de tweede keer alvast en gegeven de aanleiding zal dit misschien al de laatste keer worden.
De notaris van ons huis blijkt echter al lang verdwenen te zijn. Hij heeft blijkbaar zijn notariaat overgelaten aan een van zijn partners die nadien alles geïntegreerd heeft in één zaak met drie notarissen. Drie van die Apollofreaks, samen onder één dak. Dat moet wat geven. De zaak bevindt zich in de Blijde Inkomststraat in Leuven, genoemd naar een van de vele Blijde Intredes van rijke, adelijke heersers in het verre en niet zo verre verleden. Ik vraag me alleen af wie dat er toendertijd zo blij was. De bevolking van Leuven of die heersers die nog eens wat belastingen kwamen innen.
Maar vandaag is het mijn beurt om binnen te treden bij de heersers. Of toch bij de klerken van de heersers, zij die instaan voor het behoud van de bestaande privileges en belangen, die fils-à-papas van een notarissen. Belangrijkste jobvereistes: goed in het pak zitten, een foularke rond de nek en een pochet in de borstzak, liefst lid van de lokale Rotary Club, geaffecteerd babbelen en aartsconservatief zijn tot op het bot.
De donderdagavond van de laatste week voor de operatie, geraak ik eindelijk binnen in het notariaat. En ik had het liever anders gezien, maar al mijn stompzinnige cliché-verwachtingen worden ruimschoots overtroffen. De driemanszaak bevindt zich in een gigantisch herenhuis. Of eigenlijk zijn het twee herenhuizen in één. En ons huis zou passen in het imponerend trappenhuis, strategisch geplaatst tussen de twee herenhuizen in, alleen al. Op de overloop tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping bevindt zich trouwens, het lijkt een museumstuk hier, totaal nutteloos dus, tenzij voor oude heersers die niet langer in één ruk boven geraken, net dezelfde dure design zetel uit Denemarken, alleen hebben zij voor een zalmroze uitvoering gekozen, die we zelf een jaar geleden aangekocht hebben en waarin we nu regelmatig vier op een rij TV zitten te kijken. Stadspaleis zou dan ook een betere benaming zijn voor het ganse gebouw.
Overdonderd door de grootte en de bling-bling van het generaal-statige onderkomen word ik gevraagd plaats te nemen in de wachtruimte vlak voor de receptie in notelaar die zich in de linkervleugel van het paleis bevindt. Wanneer de notaris mij even later komt halen, laat ik mijn koffie onaangeroerd achter. Hij draagt een groen tweed kostuum vandaag. Alsof hij na mijn consultatie nog wat gaat jagen. Met zijn goede vriend, de baron d’Upperzele. Misschien onderling ook nog even gaan overleggen hoe ze de nieuwe wet op euthanasie kunnen tegen houden.
Het gesprek zelf duurt een goede tien minuten. Verschillende do’s en don’t’s komen aan bod. En wat ik juist kan verwachten na mijn dood zonder een testament. En, veel belangrijker, wat ikzelf verwacht van het testament. Ondertussen maakt hij de tekst op. Om het testament nog iets meer gewicht te geven, het gewicht van een persoonlijk handschrift, word ik verzocht om het testament met de hand te kopiëren. Dan lijkt het allemaal wat echter, wordt er mij gezegd. Meer gemeend ook. Om mij de nodige ruimte te verschaffen, word ik begeleid naar de immense salon royal in de rechtervleugel voorzien van mottig Vlaams-neorenaissance-stucwerk rondom.
Prijs voor het eigenhandig geschreven testament, conform de regels van Apollo, minder dan een half uur werk voor de notaris en levenslang behoud in het Centraal Register voor Testamenten: 180 euro. Er is geen ontsnappen aan als kleine man. Betalen doe je toch. Nu, ik begrijp dat wel. Zo’n huis afbetalen, dat moet letterlijk stukken van mensen kosten. God zij dank hebben ze hier ondertussen ook al Bancontact.
21 januari 2019 14u30 – Te veel liefde voor één mens
Wij zijn terug aangekomen in het UZ Gent. Terug want voor mij is het de tweede keer. Voor Tin is het de eerste keer. En niet alleen omdat het gevraagd was door professor Vermeersch. Ze is er zelf ook niet helemaal gerust in en ze wilt dat facial team dan ook wel een keer zien voor dat ik onder het mes ga.
Vooraleer we echter naar het departement plastische chirurgie gaan, moet ik me inschrijven. Ik haal opnieuw met veel opluchting de hospitalisatieverzekering van mijn werk boven. Jezus, als ik die niet had gehad, zou al dat geklungel van Gasthuisberg mij nu al een fortuin gekost hebben. In financiële termen bedoel ik dan, want dat het mij ondertussen al veel gekost heeft en in de nabije toekomst, vanaf morgen al zeker, nog veel meer zal kosten, is ondertussen ook al wel duidelijk. Hoeveel zou dat eigenlijk kosten, één oog, in die wondere medische wereld? Er bestaan waarschijnlijk twee kampen. De ene die zegt, niet zo veel, want ge kunt toch nog zien met één oog of niet soms, ge zijt zelfs niet blind, kleinzieligerd! En de andere die zegt ontieglijk veel, want zo’n oog verliezen is veel meer dan een oog verliezen, het is uw gezicht verliezen, feitelijk, letterlijk en figuurlijk. Wie wil nog iets te maken hebben met zo’n bron van schaamte, letterlijk met zo’n verminkt gezicht of figuurlijk want ge moet toch echt wel een loser zijn om zoiets te laten gebeuren? Ik heb al een licht vermoeden welk kamp het haalt in dit katholiek apenland waar je blij moet zijn met de dingen die je nog hebt.
Nadien gaan we door naar plastische chirurgie. Dokter Fransen, de assistent, valt nergens meer te bekennen. Misschien dat hij op maandag nog wat cursussen moet volgen. Het zijn professor Vermeersch en de plastisch chirurg, Nicolas Dhooghe, die ons welkom heten. Na Tin voorgesteld te hebben aan hen, wilt professor Vermeersch net zoals de vorige keer, vooraleer de eigenlijke consultatie zelf begint, dat ik eerst nog eens plaats neem op de medische ligbank in de hoek zodat hij het gezwel nog eens goed kan bekijken. Terwijl ik me neer zet, vraagt hij met zijn stijlvol Inspector Morse timbre: “En, hoe gaat het met u, mijnheer Hoskens?” De gigantische bol naast mijn oog staat op springen. Dus antwoord ik: “Ik word zot van dat gezwel, Professor Vermeersch. Ik heb voortdurend het gevoel dat het al in mijn sinussen en mijn voorhoofd aan het proberen binnendringen is. En dat het al begonnen is met mijn neus aan te vreten.” “Ja, ik begrijp dat dit alles heel stresserend voor u moet zijn. Maar nu gaat het niet lang meer duren, niet mijnheer Hoskens?” Zijn reactie vind ik ditmaal iets te inschikkelijk naar dat afschuwelijk monster in mijn oog toe, dus is het nu mijn beurt om hem indringend aan te kijken en zeg: “Ik weet niet hoe ik dit juist moet zeggen, Professor Vermeersch, maar het is beter dat u wat te veel weg snijdt dan te weinig. Begrijpt u wat ik wil zeggen? Ik wil dat u geen enkel risico neemt. Ik heb liever dat u extra marge neemt dan dat we het risico nemen dat het niet lukt. Begrijpt u? U hebt mijn volledige toestemming.” Ik kijk hem gespannen aan. De professor zet onwillekeurig even een stapje terug om mij beter te bekijken, maar antwoordt dan zonder verpinken: “Ik begrijp u volledig, mijnheer Hoskens, maar mag ik dan nu even nog eens kijken?”
Opnieuw is daar die volledige gedaanteverandering. Gepijnigd maar met een enorme focus op zijn gezicht staat hij te kijken naar het gezwel. Ondertussen tast hij opnieuw, net zoals de vorige keer, voorzichtig met zijn vingers de ganse regio rond het oog af. Het duurt ook weer langer dan je zou verwachten. De dialoog tussen die twee lijkt er alleen maar scherper op geworden. Professor Vermeersch belooft het gezwel om het morgenvroeg tegemoet te treden op het slagveld. De tumor zelf roept moord en brand.
Wanneer hij gedaan heeft met kijken gaan we terug aan dezelfde tafel zitten waar hij twee weken geleden mij wist te melden dat hij mij nog wel kon opereren maar dat het ten koste van mijn oog zou zijn. Opnieuw wordt uitgelegd hoe de volgende dag min of meer zal verlopen. Met Vermeersch die het gezwel zal verwijderen en Dhooghe die nadien mij terug zal oplappen. Maar deze keer is Tin erbij. En het gesprek maakt voor haar alles ineens concreet. Ze krijgt het moeilijk en begint te snikken. Ik neem even haar hand vast, die hand die ik al zoveel vastgenomen heb de laatste weken. Als echte profis laten ze haar even bekomen, zeggen dan dat de operatie normaliter in de vroege namiddag gedaan zou moeten zijn en beloven Tin om haar te bellen zodra ze volledig afgelopen is. Zodat ze met een gerust hart thuis kan wachten op het telefoontje en zich geen nodeloze zorgen moet maken.
Na de consultatie worden we doorgestuurd naar een ander gebouw. De ziekbedden bevinden zich blijkbaar in een ander gebouw op de campus. Ik had er nog niets van gemerkt maar dwars door de campus loopt een in de lucht verheven, volledig afgesloten buis waarlangs mensen van het ene gebouw naar het andere kunnen wandelen. Het waren professor Vermeersch en Dokter Dhooghe die ons gewezen hadden op die lange passerelle, want ik ga zelf in de vroege ochtend door die koker naar het operatiekwartier in K12, het hoofdgebouw, gebracht worden. Als we buiten komen valt hij mij ondanks zijn indrukwekkende lengte en hoogte nu pas voor het eerst op. Het ziet eruit als een kermisattractie en ik kan niet wachten om er in te zitten. De verpleger die ons ontvangt, heeft het zalige ego van een diva en is, o cliché cliché , overduidelijk een homosexueel. Maar de manier waarop hij met mij omgaat, is een ware verademing na al dat stijf en overtrokken gedoe in Sint-Pieter te Leuven. Van existenzangst voor de grote baas valt hier niets te merken. Zijn stem en zijn lach dondert door de gang. Zonder enig probleem vertelt hij mij op zijn eentje alles wat ik moet weten, wat mag en niet mag in deze contreien. Wat we ook meegebracht hebben, is het familieportret dat Sam en Ella voor Kerstmis gemaakt hebben. We plaatsen het op het schapje recht tegenover mijn bed, zodat ik er recht op kijk. Op die manier ga ik nooit alleen zijn in deze kille kamer. Onze mannelijke Castafiore vindt het ook al prachtig om te zien.
Rond een uur of vijf verschijnt dan het tweede welkomstcomité: Yvo en Willem komen speciaal samen naar mijn verblijf voor de komende weken om me welkom te heten. Mijn gemoed schiet even vol. Het is de eerste keer dat ik hen zie sinds deze hel begon. En om ze nu hier samen te zien, hier in deze witgroene kamer en niet zoals normaal ergens in de Alpen of zo, is even te veel voor Corneel. Terwijl ik vecht tegen de tranen dank ik hen uitvoerig voor alles wat ze tot nu toe al voor mij gedaan hebben. Ze zijn beiden ontzettend lief, brengen nog wat laatste tips mee en vergewissen zich zonder dat het opvalt dat alles in orde is op mijn kamer. Ze vragen ook nog even of er al iets gezegd is geweest door iemand van de staf over de eventuele nabehandeling na de operatie. Ze zeggen dat er misschien toch wel bestralingen nodig gaan zijn. Maar ze stellen me wel direct gerust. Ze zeggen dat er dan een speciale helm gaat gemaakt worden aangepast aan mijn eigen hoofd om zeker te zijn dat de juiste plek bestraald wordt. Ik ben al blij dat ze niet zeggen dat chemotherapie nodig gaat zijn. Dat lijkt mij nog veel erger.
En rond een uur of zeven vallen Koenie en de kinderen binnen. Hij was de hele eindejaarsperiode op vakantie in Australië en had dus aanvankelijk de ganse miserie gemist. Na een onverwachts telefoontje was hij het toch allemaal te weten gekomen. Hij was er niet goed van, barstte zelfs in tranen uit helemaal aan de andere kant van de wereld. En nu dat hij terug in het land is, wilt hij absoluut alles doen wat hij kan om mij te helpen. Tot en met op een maandagavond in de regen in de file helemaal van Leuven naar het UZ Gent rijden. Het alternatief was dat Tin zelf, tijdens diezelfde spitsuren, nog eens van Gent naar Leuven en terug moest rijden. En dat leek ons wat te veel van het goede. En het feit dat ik vandaag dan toch nog even de kinderen kan zien, is het mooiste cadeau dat hij mij kon geven.
Aangezien ik de komende weken al genoeg ziekenhuiseten te vreten ga krijgen, gaan we snel nog naar een Italiaans restaurantje in de buurt dat volgens Yvo best ok is. We gaan allen voor een pizza want die zien er goed uit afgaande op wat er op de andere tafels ligt. En voor de kinderen is pizza altijd een feest. Alleen Koenie, die kiest, met zijn alomgekende allergie voor kaas, voor kalfslapjes ‘al limone’ met pasta. Met als gevolg dat vooral Tin en ik een half uurtje later met veel goesting zitten te staren naar zijn schotel. Maar we mogen allebei een keer proeven. En het is allemaal keilekker, ook onze pizza’s.
Na zo’n gezellig laatste avondmaal voelt het terug wandelen naar het ziekenhuis al aan als een beetje thuis komen. Alleen het afscheid nemen verloopt nog een beetje moeilijk. We blijven maar dag zeggen om dan weer te beginnen babbelen over totaal andere dingen. Sam en Ella komen vier keer terug uit de gang om kusjes te geven. Ik zie Koen een beetje onwennig worden van al die openlijke liefdesbetuigingen. Om het nog wat erger te maken, geef ik hem als dank een dikke smakkerd. Tin vertrekt als laatste. Nadien sta ik nog wat onnozel te wuiven uit het raam vanop de derde verdieping. En niet te geloven, er was op voorhand niets over afgesproken, maar door telepathie of een ander zesde zintuig, voelen ze het bij het buiten komen, draaien ze zich om naar boven en wuiven ze terug. Dan zie ik ze samen in het donker weg wandelen richting auto van Koen.
Vlak voor het slapen gaan krijg ik nog een slaappilletje zodat, wordt mij gezegd, met het oog op de zware dag morgen, mijn nachtrust verzekerd is. Nu, wat mij betreft, was dat pilletje niet meer nodig geweest. Als je zoveel liefde hebt gekregen op één dag, hoe kun je dan nog eisen of zelfs hopen dat alles de dag daarop goed zal verlopen? Een beetje eerlijkheid en rechtvaardigheid moet er toch nog bestaan in dit tranendal?
22 januari 2019 7u00 ’s ochtends – Veel te laat maar hopelijk toch nog op tijd
Het is nog nacht als ik opsta. Ik lag al sinds een uur of vijf wakker in bed, maar ik sta pas op om zes uur. Net wanneer de verpleger mij komt wakker maken, sta ik recht uit mijn bed. Het eerste wat ik doe, is een douche nemen. Het zal een tijdje duren na de operatie vooraleer dit terug gaat lukken. Dus moet ik er nu even van profiteren, vind ik. Bovendien wil je niet vuil en vies overgeleverd zijn aan de goden. Nadat ik me tweemaal geschoren heb, om toch maar zo glad mogelijk te zijn, kijk ik nog eens voor een laatste keer naar mijn trouw linkeroog in de spiegel. Het would be panteroog maar eigenlijk doordeweeks hondenoog kijkt me even vrolijk of treurig aan als altijd. Als tweeënvijftig jaar lang al. Het blijft me verbazen dat het ondanks het vreselijke monster er vlak naast zo goed blijft functioneren.
Ook opvallend, gegeven mijn recente praktijkervaringen in dat ijskoude Gasthuisberg: geen enkele kat maakt zijn opwachting. Geen Gelaarsde en geen Kolderkat. Nu, vergissen van oog is sinds de faliekante operatie van de op de berg tot God verheven Hartenkoningin zo goed als onmogelijk geworden. Maar het feit dat er ook niemand meer komt vragen of ik me niet bedacht heb, of ik niet misschien twijfels heb bij het nut van de operatie of zoiets, stelt mij gerust. Blijkbaar weten ze hier wel goed waarmee ze bezig zijn. Of ze hebben tenminste niet de plotse behoefte om vlak voor de operatie de verantwoordelijkheid om te beslissen of ze nu doorgaat of niet bij mij te leggen. Zodat ze achteraf lafhartig kunnen zeggen: “Ge hebt het zelf gewild! Ah ja, we hebben het nog aan jou gevraagd! Om zeker te zijn!” Het hier heersende veel gezondere principe van gedeelde verantwoordelijkheid bevalt me wel; ik kom met lichaam en al af en zij opereren wat geopereerd moet worden. Het lijkt mij als medische leek vooral ook veel correcter naar de patiënt toe.
Om 7u00, het is nog pikdonker buiten, word ik naar de operatiezaal gereden. Het is terug een verpleger, maar deze keer geen homoseksueel meer denk ik. Ook geruststellend. Als je binnen een uurtje volledig van de kaart bent, heb je toch liever mensen van je eigen geaardheid in je buurt precies. De passerelle lijkt ontzettend lang te duren. Vanop mijn bed zie ik de donkere ramen aan de zijkant langs glijden. Af en toe is er een passant, meestal ook al verkleed in het groen of wit, maar van files hebben ze hier op dit moment van de dag absoluut geen last. De tocht duurt zo lang dat ik de indruk heb aan het einde van de tunnel ook het einde van de nacht bereikt te hebben. Het begint in ieder geval, als ik goed zie, lichtjes te schemeren daar aan het einde van de gang. Mijn linkeroog registreert nog steeds getrouw alles mee; onwetende dat ook het eigen einde in zicht is.
Deze keer moet ik niet in een gang wachten maar kom ik terecht in een grote gemeenschappelijke ruimte waar al verschillende bedden staan te wachten. Doeken, hangende aan railings in het plafond, scheiden min of meer de bedden van elkaar. Maar hier dus ook al geen Rups met een waterpijp of zelfs een Slaapmuis te zien. Er wordt al wel een infuus gestoken door iemand van het verplegend personeel. En ik krijg opnieuw een pilletje, een spierverslapper of zo, toegediend.
Na een tijdje word ik de operatieruimte binnen gereden. Twee prachtige vrouwen, van het donkerhuidige type met pekzwart golvend haar, heten me in hun groene pakjes welkom in de operatiezaal. Als we binnen komen, waren ze net nog, schrijlings gezeten op de operatietafels, aan het bijpraten over de afgelopen dag of nacht of week. Maar als we binnen rijden, kijken ze onmiddellijk op. Het zijn twee exotische walkuren, van Indische afkomst of zo, helemaal geen rondborstige vikingvrouwen met blonde paardenstaarten. Het zou me alvast niet verwonderen als ze onderling Sanskriet spreken. Ik versta er in ieder geval niets meer van. Met een treurige glimlach rapen ze me als een gevallen strijder op van het slagveld en heffen me op hun paard richting walhalla. De mooiste, die achter me staat, kijkt me ondersteboven aan wanneer ik naar boven kijk. Ik zie haar rode lippen en blinkende tanden dichterbij komen en besef dat ik eindelijk aangekomen ben waar ik al zo lang moet zijn. Veel te laat maar hopelijk toch nog op tijd.
