7 januari 2019 11u30 – Het facial team van UZ Gent

Ik ben hier voor de eerste keer. Tout court de eerste keer. Na acht jaar studies in Leuven, vijftien jaar wonen in diezelfde rijke universiteitsstad en uiteindelijk, na wat omzwervingen, beland pal tussen Brussel en Leuven in, in de achtertuin van het zo geroemde Gasthuisberg, had ik ook nooit gedacht dat ik hier ooit zou moeten zijn voor een aandoening bij mezelf. En toch is het zo: ik ben aangekomen in het UZ Gent. Het zijn wel niet de naamborden die mij overtuigen gearriveerd te zijn. Naamborden zijn zo gemakkelijk na te maken. Bovendien kunnen ze ook nog eens enorm misleidend zijn. Iedereen die een keer in Luik of op de Périphérique van Parijs gereden heeft, weet dat. Neen, het is het metalen gedrocht vlak voor de deur dat mij overtuigt: weer zo’n parking van staal voor auto’s bestaande uit meerdere verdiepingen.

Nadat ik me heb ingeschreven in de grote lobby van het grootste gebouw op de campus, een betonnen monoliet in t-vorm van ik schat zo’n zestig of zeventig meter hoog, volg ik de cijfertjes en pijltjes richting plastische heelkunde. Het is niet zo ver wandelen, een beetje terug in de richting van het Prinses Elisabeth kinderziekenhuis dat ik net gepasseerd ben komende van de parking. En wat vooral belangrijk is, de afdeling bevindt zich nog steeds op het gelijkvloers, wat goud waard is in zo’n blok beton. Na even aan de receptie te wachten, word ik binnen gelaten in een klein lokaal met zicht op een kleine binnenplaats met een gazonnetje. De dominante kleuren hier zijn wit, groen en lichtbruin. Het bruin van de goedkope meubels is de weggever. Want het zijn dus niet het sneeuwwit en lentegroen van de nieuwingerichte treincoupés van Gasthuisberg, volledig in de stijl van deze onechte tijden van eeuwige jeugd en uit de pan swingende levensvreugde, maar het vale eierschaal gebroken wit en donkergroen van de megalomane jaren tachtig, die hier nog steeds de toon zetten.

Ik ben tien minuten te vroeg. Ik probeer te gaan zitten op de stoel die zich voor de kleine tafel vlak voor het enige raam in de consultatieruimte bevindt. Maar ik ga kapot van de zenuwen. Ik sta terug recht en begin te ijsberen door de kamer. Ik ben ervan overtuigd dat ik aan het wachten ben op mijn doodsverdict. Dat ze direct gaan binnen komen en de conclusie van de oncoloog van het AZ gaan bevestigen; dat er niets meer aan te doen valt, buiten het opstarten van chemo. En als dat zo is, is het afgelopen met mij. Hoger dan dit kan ik niet gaan. Om de twintig seconden ongeveer ga ik terug zitten op de stoel, kijk drie seconden naar buiten, naar het gras en de enkele objecten die zich her en der verspreid over de verlaten binnenplaats bevinden en die ik toch niet echt zie, om dan terug recht te staan en terug te stappen van de ene vuilgroene muur naar de andere. Na een tijdje dwing ik me om te gaan zitten want ik word zot van al dat heen en weer geloop.

Na een vijftiental minuten wachten in reëele tijd, in gevoelstijd de spreekwoordelijke eeuwigheid, wordt er geklopt op de deur, draait ze onmiddellijk open en stappen er drie mannen binnen. Ik spring recht uit mijn stoel als een soldaat die zijn officieren ziet arriveren op het appel. De eerste man komt recht op me af en vraagt met uitgestoken hand: “Mijnheer Hoskens?” Ik steek mijn hand ook uit en antwoord een beetje onzeker: “Dat ben ik.” “Dag mijnheer Hoskens, ik ben Hubert Vermeersch,” en hij schudt mijn hand. Voor mij staat een oudere man met een van de zachtste uitdrukkingen in het gezicht die ik ooit gezien heb. Ook een mooie man. Het is precies een Vlaamse inspector Morse. Met een weliswaar veel minder witte, een grijzere, maar ook een prachtige haardos. En met dezelfde gracieuze, verstilde manier van bewegen. “Dit is Nicolas Dhooghe,” zegt hij en hij wijst traag op een joviaal ogende man die er al een pak jonger uitziet, “de plastisch chirurg.” Ik schud zijn hand en zie ter hoogte van de pols dat typische blauw-wit gestreepte hemd onder de witte jas uit piepen. “En dat is dokter Fransen, mijn assistent.” Een nog jongere man, rossig met sproeten. Ik schat eind jaren twintig. Die heeft al een groen chirurgenpak aan. 

Nadat ook Dokter Fransen zich voorgesteld heeft, wijst de professor op de medische ligbank die zich in de hoek van de kamer vooraan bevindt. “Kunt u daar even plaats nemen, mijnheer Hoskens? Weet u, we hebben al veel over u gehoord en veel over u gepraat, maar nu zouden we graag zelf eens zien waarover het hier juist gaat. Is dat ok voor u?” Ik zeg van wel, ga zitten op de bank en voel hem voorzichtig mijn kin vastpakken met zijn linkerhand en met zijn rechterhand zachtjes de ooghoek aftasten. Ondertussen is het in de consultatieruimte muisstil. Ik kijk naar boven en zie hem met zijn ogen kijken naar mijn ogen. Zijn gelaatsuitdrukking is helemaal veranderd. Ze is nu een en al focus. Met een getormenteerde blik loert hij naar het gezwel. Het is de blik van een roofdier dat zijn prooi ziet maar nog even zit in te schatten hoe hard en hoe ver hij gaat moeten springen om het te pakken te krijgen. En zoals bij een roofdier stopt het niet na enkele seconden. Het duurt lang. Het is alsof er een onuitgesproken dialoog plaats vindt is tussen hem en het gezwel. Dit moment hier en nu is eigenlijk ook gewoon iets tussen hem en dat gezwel. Ik zit hier enkel als aanhangsel, als transportmiddel voor de tumor. Praktisch gezien ben ik een buitenstaander, want ik weet toch niet waarover dit alles gaat. Na een dertigtal seconden voel ik zachtjes zijn linkerhand bewegen. Ze laat mijn kin los en gaat stilletjes de ganse kaaklijn af. Hij zegt niets. Legt niets uit. Maar ik weet dat hij op de goede oude, ambachtelijke manier checkt of er zich daar geen gezwollen klieren bevinden. Hij vindt hij er geen. Hij laat mijn gezicht los en knijpt, nog steeds zonder iets te zeggen, bemoedigend in mijn rechterarm. De meelevendheid waarmee hij dit alles doet, en vooral die kneep op het einde, raakt me zozeer dat ik verwonderd opkijk. Hij heeft terug de vorm aangenomen van de zachtmoedige man die net binnen stapte. “Sorry, mijnheer Hoskens,” reageert hij, “maar na al die documenten en scans enzovoort is het altijd waardevol om een keer het probleem in levende lijve te zien.”

Hij stelt voor om te gaan zitten aan de kleine tafel vlak aan het raam. Terwijl ik ga zitten, kijk ik onwillekeurig naar buiten; zoek, denk ik, wanhopig nog een laatste vluchtweg. Professor Vermeersch neemt plaats vlak tegenover mij. Dhooghe, de plastisch chirurg, gaat een beetje rechts van hem zitten en Fransen helemaal verderop, achteraan in de hoek. De professor begint te spreken. Hij spreekt bijzonder traag. Lijkt voortdurend zijn woorden te wikken en te wegen. Herhaalt opnieuw dat er al veel gewerkt is op mijn dossier. Dat er al veel mensen mee bezig geweest zijn. Ik luister gefascineerd naar zijn woorden maar bevind me toch in een waas. Zie zijn lippen met de kleine ouderdomsvlekken bewegen. Ik denk: ‘Nu gaat het komen. Nu gaat hij bevestigen wat de oncoloog verleden week heeft gezegd.’ De introductie duurt heel lang. Met lange omwegen probeert hij te geraken waar hij moet wezen. Aan empathie echter hier geen gebrek. Het is alsof hij zelfs niet durft te zeggen wat hij moet zeggen. Of anders vindt hij, Inspector Morse gewijs, dat er al te veel lelijkheid is op de wereld, waarom er dan nog iets aan toevoegen? Dan breekt het fatale nieuws plots toch door: “Kortom, mijnheer Hoskens, ik kan u opereren, maar ik vrees dat ik uw oog niet meer kan redden.” Ik krijg de slappe lach. Alle drie kijken ze onbewogen toe. Maar ik kan niet stoppen. Hoezeer ik ook probeer. Ik probeer de situatie te redden door tussen het lachen door te zeggen wat er volgens mij juist gebeurt: “Sorry…, professor Vermeersch…, ik dacht dat u mij ging zeggen… dat u mij niet meer kon opereren… Dat het al te laat was… Het is van de zenuwen dat ik hier zit te lachen… denk ik. Begrijpt u?…” Hij reageert: “Neemt u gerust uw tijd mijnheer Hoskens,” en kijkt me verder vragend aan. Ik duw alles, en niet alleen mijn middenrif, naar beneden en breng hortend en stotend uit: “Ongelooflijk Professor Vermeersch… Ik kan niet zeggen wat voor een opluchting dit is… Dat u mij nog kunt opereren… Dat is fantastisch! En als ik moet kiezen tussen een oog of mijn leven,… dan kies ik voor het leven hoor professor.” Er verschijnt een tevreden grimas op zijn gezicht. “Goed, mijnheer Hoskens, dan gaan we dat doen.”

Nu dit heikele thema achter de rug is, zet hij zich een beetje meer comfortabel op zijn stoel en gaat voort: “Nu mijnheer Hoskens, de ingreep zal wel niet enkel uit deze eerste operatie bestaan. Het traject waar u aan gaat beginnen, komt overeen met een goeie zwangerschap. U moet dus rekenen op een goede negen maanden in totaal. Vanaf de operatie tot aan het kunstoog.” “Kunstoog?” “Ja, kunstoog. Er is een Duitse firma die gespecialiseerd is in het maken van zo’n epithese. Zo noemen wij dat. Ik kan u verzekeren dat die mensen heel goed werk leveren. Als er nu iemand zou binnen stappen, hier, die zo’n oog zou dragen, u zou het niet opmerken. Zo goed zijn ze.” “Bedoelt u zo’n glazen oog? Zoals in de film?” Professor Vermeersch valt even stil en zegt dan gepijnigd: “Ik vrees van niet mijnheer Hoskens. In uw geval gaat dat niet volstaan. Is dat ook niet meer mogelijk trouwens. Zo’n epithese bestaat niet enkel uit het oog maar ook het weefsel eromheen, het ooglid met de wimper, de huid, enz… Want we gaan al het weefsel in de buurt van het gezwel moeten verwijderen, begrijpt u?” “U gaat dus heel mijn oogkas leeg maken?,” voel ik een beetje de horror toeslaan. “Wel, ik kan dat nu niet juist voorspellen, mijnheer Hoskens, hoeveel ik zal moeten wegnemen. Dat zal ik tijdens de operatie zelf moeten beoordelen, maar min of meer wel, ja. En nadat we al dat weefsel verwijderd hebben, gaan we dat terug toe maken met wat we noemen een flap; huid van u, normaliter van een van uw billen, omdat zich daar goed doorbloed weefsel bevindt met ook nog wat vet aan. Daarom zitten we hier trouwens met twee. Ik ga het eerste stuk van de operatie uitvoeren. Het verwijderen van de tumor en het omliggende weefsel. Dokter Dhooghe hier zal daarna alles terug opvullen. Hij zal u oplappen als u wilt. Op die manier kan elk van ons zich volledig concentreren op zijn stuk van het proces. Dat is de taakverdeling onder ons. Ziet u?” En ik weet niet door wat het juist komt. Is het de toon van zijn stem; een zachte, gevoelige, maar toch kordate stem? Is het die heilzame overdosis aan empathie die ik zo fel gemist heb bij al die andere specialisten? Is het mijn liefde voor intellect en stijl die via Inspector Morse om de hoek komt loeren? Of is het de eendracht en de collegialiteit die ze alledrie samen uitademen? Misschien is het gewoon de tijd die ze nemen om dit alles uit te leggen, aangepast aan mijn tempo, het tempo van een totale leek. Maar voor het eerst heb ik het gevoel in goede handen terechtgekomen te zijn. Voor het eerst sinds die afschuwelijke diagnose en na al dat vreselijk geklungel in Gasthuisberg krijg ik het gevoel dat er misschien toch nog hoop is, en dat het misschien zelfs nog gaat lukken om van die vreselijke ziekte af te geraken ondanks alles wat er daar verkeerd gedaan is geweest. Dat ik misschien volgend jaar ook nog eens Nieuwjaar ga kunnen vieren. En misschien zelfs terug bij Tim en Isa boven op hun dakterras.

En het is alsof Professor Vermeersch de enorme opluchting voelt want hij gaat door op zijn elan: “Mag Dokter Dhooghe even checken waar we het beste een stuk huid zouden weg nemen om te dienen als flap?” “Ja, natuurlijk,” antwoord ik en ik sta al recht. “Moet ik dan mijn broek laten zakken?” “Liefst wel,” neemt dokter Dhooghe nu voor het eerst over. Ik maak mijn riem los en zie mijn jeansbroek tot aan mijn knieën zakken. Dokter Dhooghe komt dichterbij en zegt al voor hij geknepen heeft: “Dat ziet er al goed uit. U hebt zo te zien een stel mooie, gespierde benen mijnheer Hoskens. Doet u iets van sport?” Ik antwoord: “Ja, ik zwem. Maar wat betreft die mooie benen, gaat dat na de operatie ook nog zijn eigenlijk? Ga ik zelfs nog kunnen zwemmen nu dat ik eraan denk?” “Tja, u zult daar wel een litteken van blijven zien, maar het zal wel meevallen hoor. En zwemmen zou geen enkel probleem mogen zijn.” Nu begint hij echt te knijpen. Eerst neemt hij een stuk van mijn rechterbil vast met zijn duim en wijsvinger en dan van mijn linkerbil. Ik krijg even het gevoel ergens op een jaarmarkt te staan en gekeurd te worden op de sappigheid en de textuur van mijn vlees. Ook Professor Vermeersch mengt zich nu vanop afstand, vanachter de kleine bureau, in de keuring. “Ja, dat ziet er goed uit van hier gezien.” Zelf ben ik gewoon blij dat ze mij nog kunnen en willen opereren. Dus al dat geknijp kan me allemaal niet zo veel schelen. Zelfs mijn geslachtslid hadden ze mogen keuren, deze heren. “Ja, dat komt wel in orde mijnheer Hoskens,” eindigt dokter Dhooghe zijn inspectie nu. “We gaan u wel moeten vragen om voor de operatie een scan van uw dijen te laten maken. Zodat we perfect weten waar we juist de flap moeten weg nemen, waar de beste bloedvaten zitten en dergelijke.” “Geen probleem, dokter.” “We gaan u wel vragen om dit in Aalst te gaan laten doen. Onze scans zijn de komende dagen al helemaal volzet en bovendien hebben ze in het AZ Aalst de juiste scan staan voor dit type van onderzoek.” “Ik heb de laatste weken al zoveel ziekenhuizen gezien. Daar kan er nog wel eentje bij denk ik. Zegt u mij gewoon waar ik moet zijn.” “Ik moet u nog wel waarschuwen mijnheer Hoskens. De eerste 24 uur na de operatie gaan we om het uur komen checken of de flap zich goed hecht. Ook als u slaapt. U moet zich echter geen zorgen maken. We doen dit preventief. Normaliter zou alles goed moeten verlopen, zeker met die stevige benen van u, maar we moeten checken of alles evolueert zoals het zou moeten evolueren. Zeker in het begin, nadien gaan we om de drie, vier uur controleren en na enkele dagen één à twee keer per dag.” “Enkele dagen? Hoe lang moet ik eigenlijk in het ziekenhuis blijven?” “Minimum twee weken, mijnheer Hoskens.” “Twee weken? Wow, dat is lang.” “Dit is ook geen lichte operatie, mijnheer Hoskens.” “Neen, neen, dat wil ik gerust geloven.”

Hier neemt Professor Vermeersch terug het woord met zijn oorstrelend timbre: “Nadien, een maand of zes later, zal er dan een tweede, veel kleinere operatie volgen, mijnheer Hoskens.” “Een tweede?” “Ja, het resultaat van de eerste ingreep zal zich eerst wat moeten ‘settelen’. Genezen eigenlijk. Zodat we nadien het fijnere werk kunnen doen.” Maar ook dokter Dhooghe laat zich niet meer onbetuigd en geeft aan: “Tijdens de eerste ingreep gaan we al wel doen wat we kunnen hoor, mijnheer Hoskens. Zo gaan we dan al twee bouten aanbrengen in uw voorhoofd waar later de epithese aan kan vastgemaakt worden.” “Bouten?” “Ja, twee stalen pinnen eigenlijk waarop nadien het kunstoog vastgeklikt kan worden.” “Ah, ok.” “Vanaf die tweede operatie moet u nog rekenen op een goede drie maand om het kunstoog te laten maken door die gespecialiseerde firma,” beEindigt de professor het overzicht van het traject. 

“Hebt u soms nog vragen hierover mijnheer Hoskens?,” vraagt hij nu. “Ja, de Grote Vraag eigenlijk nog. Wanneer gaat de operatie doorgaan? Ik bedoel de eerste operatie, de operatie waarbij ik eindelijk van dit gezwel ga af geraken? Horendol word ik ervan.” “Wel, we zouden willen voorstellen, dinsdag 22 januari.” “22 januari?,” reageer ik geschrokken, “dat is nog eens twee weken wachten!” Voor het eerst zie ik enig teken van ergernis bij professor Vermeersch. Hij voelt zich door mijn spontane reactie in zijn gat gebeten en reageert kortaf: “Mijnheer Hoskens, er is nog heel veel werk te doen voordat we u kunnen opereren. Twee weken lijkt mij een redelijke termijn om dat allemaal gedaan te krijgen.” Ik probeer de plooien snel terug glad te strijken: “Sorry, professor Vermeersch, het was niet mijn bedoeling om uw deskundigheid in vraag te stellen. Het is alleen… Ik voel dat gezwel nu al maanden groeien in mijn oog, explosief zelfs sinds die foute operatie in Gasthuisberg. Ik voel dag in, dag uit, uur per puur, elke seconde, hoe agressief dat ding wel niet is. En na al dat geklooi op Gasthuisberg, met dat risico op metastase, heb ik enorm veel schrik dat die microschilfers zich al aan het verspreiden zijn in mijn lichaam, begrijpt u? Nog eens twee weken wachten na al dat tijdverlies in Leuven, lijkt mij gewoon ondraaglijk lang.” “Sorry voor de vraag, maar wat hebt u juist gestudeerd mijnheer Hoskens?” “Psychologie. En nadien MBA. Beide aan de KUL.” “Ah, u bent psycholoog? Ik dacht even dat u ook een medische opleiding genoten had. Omdat u over metastase en zo begint. Maar,” gaat hij nu vergoelijkend door, “mijnheer Hoskens, naast al het werk dat nog gedaan moet worden, is er ook het feit dat 22 januari het eerste beschikbare slot is qua operatiezalen om een operatie van deze omvang uit te voeren. Nietwaar, dokter Dhooghe?” En hij wenkt naar de plastisch chirurg. “Dokter Dhooghe heeft het slot voor u vastgelegd, mijnheer Hoskens,” eindigt hij om de plotse doorverwijzing te verklaren. Dokter Dhooghe beaamt onmiddellijk het gebrek aan ruimte in de overbeladen agenda’s van de operatiezalen. “Tja, dan zal het niet anders gaan zeker?,” reageer ik. “U moet begrijpen dat mijn angst groot is professor. U gaat dit belachelijk vinden maar sinds enkele dagen heb ik bijvoorbeeld een kopvalling en bij elk stuk snot dat ik langs mijn keel naar beneden voel zakken, denk ik dat het vol zit met van die schilfertjes. Zo erg heb ik het zitten. En dan doe ik alle moeite van de wereld om dat tegen te houden, terug naar boven te krijgen, door te rochelen en te reutelen als een oude man. Vreselijk gewoon.” “Ik begrijp uw zorg mijnheer Hoskens, maar u moet u daar op dit moment niet mee bezig houden. Bovendien is het normaliter niet op die manier dat een eventuele uitzaaiing gebeurt.” “De oncoloog van het AZ Maria Middelares stelde voor om nu al chemo op te starten, operatie of geen operatie,” probeer ik nog. “Chemo? Nu nog? Geen sprake van!,” reageert hij als door een bij gestoken. “Dat is helemaal niet aan de orde nu!” Ik ben al gewoon blij dat hij nu kwaad is op iemand anders, maar professor Vermeersch gaat door: “Misschien dat we na de operatie enkele sessies chemo zullen moeten doen. Maar zelfs dat betwijfel ik op dit moment. Ik denk dat er eerder enkele bestralingssessies nodig zullen zijn. Maar geen chemo. Als er al iets nodig zal zijn. Als de operatie goed lukt, gaat misschien zelfs dat niet nodig zijn.” Alles wat die man zegt, klinkt plots allemaal als muziek in mijn oren. Misschien gaat chemo zelfs niet nodig zijn. Jezus, ik zou hem zo kunnen dood knuffelen, de brave man. 

Professor Vermeersch kijkt me echter indringend aan. “Mijnheer Hoskens, is het goed dat voor dat we deze consultatie formeel afsluiten, mijn collega’s en ik nog even apart overleggen? Daar worden geen dingen gezegd die u niet moogt horen hoor. Dus het is niet zo, en ik zeg dit nadrukkelijk, dat daar andere dingen gezegd worden dan dat er hier gezegd geweest zijn. Het is alleen misschien verwarrend voor u om ons bezig te horen. Daarom is het beter dat we dit overleg even apart houden. Is dat goed voor u?” “U doet maar professor. Doet u maar alles wat u nodig acht.” “En wilt u dan even wachten hier terwijl wij hiernaast overleggen?” “Ja, natuurlijk, waar zou ik anders naartoe gaan, professor?” “Ok, mijnheer Hoskens, we komen direct terug.” “Tot direct dan.” En ze verlaten alle drie samen het kleine bureautje.

Na een minuut of vijf komen ze terug. Deze keer blijven ze recht staan. “Goed, mijnheer Hoskens, alles is in orde aan onze kant. We zijn dus aan het einde van deze consultatie gekomen wat ons betreft. Tenzij u nog extra vragen hebt natuurlijk.” Ik antwoord van niet. Verklaar dat ik gewoon ontzettend blij en dankbaar ben dat ze mij nog denken te kunnen en willen opereren. “De volgende keer dat we mekaar zullen zien, zal dan op maandag 21 december zijn. De dag voor de operatie. Want, dat hadden we nog niet besproken, mijnheer Hoskens, maar we stellen voor dat u de dag voor de operatie in de late namiddag naar hier komt en u inschrijft. En dat u dan hier al overnacht. Op die manier kunnen we u ‘s ochtends, in alle vroegte, opereren. Is dat ok voor u?” “Ja, natuurlijk.”

“Nog één ding, mijnheer Hoskens. Is het misschien mogelijk de volgende keer met twee te komen. Met uw vrouw of zo? Ik veronderstel dat u een vrouw hebt?” “Ja, die heb ik.” “Niet om u te controleren of zo hoor. Maar omdat op consultaties zoals dit er altijd zo veel dingen gezegd worden en terloops afgesproken. En een mens vergeet al snel iets, niet? Op die manier kan de ander helpen om alles te onthouden.” “Ja, geen probleem professor, de volgende keer zullen we met twee zijn. Maar deze voormiddag moest Tin, mijn vrouw, les geven en, tja, ik dacht dat u mij enkel slecht nieuws ging meedelen.” Hier begint hij eindelijk breed te lachen: “Dan hebben we dat toch al kunnen vermijden, niet, mijnheer Hoskens?”

Ik denk dat het nu echt afgelopen is. Dat de voor mij prachtig verlopen voorstelling naar haar einde loopt. Maar dan volgt tegen alle verwachtingen in nog de klap op de vuurpijl. Bij het afscheid nemen herhaalt professor Vermeersch voor de derde keer dat er al hard gewerkt is op mijn dossier. Maar deze keer voegt hij daar expliciet aan toe: “Het is vooral dokter Fransen hier die al veel werk verzet heeft mijnheer Hoskens,” en hij wijst met een van zijn elegante, vertraagde bewegingen naar de jongste van drie. De jonge assistent heeft tijdens de hele consultatie geen woord gezegd. Maar hij, de nestor, maakt er een punt van om hier en nu, publiekelijk, in aanwezigheid van de patiënt, hem te bedanken als erkenning voor al het geleverde werk. Waar vindt men nog zoveel eerlijkheid en correctheid in deze meer en meer valse egotripwereld van over lijken gaande wolven en haaien? Mijn knuffeldrang wordt nog groter. Ik moet me echt inhouden om de professor niet van pure bewondering en toegenegenheid om de hals te vliegen. En terwijl ik me daar sta in te houden, maakt hij het me nog wat moeilijker want uit het niets vraagt hij, nadat dokter Dhooghe en dokter Fransen de ruimte al verlaten hebben, van de ene onzekere, sterfelijke mens tot de andere, of alles duidelijk was en vooral of ik als psycholoog vond dat hij alles goed aangebracht heeft. Terwijl ik nu al begin te twijfelen tussen hem om de hals te vliegen of hem carrément een kus te geven, antwoord ik hem aangedaan van wel, dat hij het prachtig gedaan heeft en een medaille verdient in vergelijking met hoe anderen te werk gaan. Hij begint spontaan te lachen en nadat hij een laatste keer mijn hand schudt, verlaat ook hij de vaalwitte-donkergroene Bühne met lichtbruin gelakte bomen.

Een verpleegster komt me nog even ophalen om enkele documenten in te vullen en te ondertekenen. Nadat alles afgerond is, vlucht ik snel naar buiten en bel opgelucht naar Tin vanuit de overdekte gehandicaptenzone aan de ingang. Beschut tegen de wind en de regen daar vertel ik alles wat er gezegd is geweest terwijl de tranen overvloedig over mijn wangen rollen. Ik praat luid en lach uitgelaten terwijl diezelfde tranen maar blijven komen. En ik hoor aan de andere kant Tin hetzelfde doen.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

2 gedachten over “7 januari 2019 11u30 – Het facial team van UZ Gent”

  1. Patrick -bij het lezen van dit ongewoon verhaal moet ik ook telkens mijn tranen bedwingen -hopelijk verloopt alles naar wens en wij wensen jullie veel sterkte-Leen & Fons

    Like

  2. Heel hard bedankt voor de woorden van steun Leen & Fons! Voorlopig gaat het wel. En zolang ze niets terug zien verschijnen op die vreselijke scans, is het leven fantastisch. Ik hoop dat met jullie ook alles goed gaat, Patrick

    Like

Geef een reactie op Fons De Jongh Reactie annuleren