25 januari 2019 ’s ochtends na de metten – Eén daad, drie werken van barmhartigheid

Ik ben dood. Letterlijk aan het eind van mijn Latijn. Zelfs spreken lukt me nog maar amper. Zo slap als een vod lig ik in het bed van het ziekenhuis. Het eerste wat ik gedaan heb, toen ik wakker werd om 7 uur, was een mailtje sturen naar Yvo en Willem. Om te vertellen over die pijntjes in mijn gezicht. Om te vragen of Dokter Dhooghe even langs kon komen. En vooral om te laten merken dat ik toch een beetje ongerust was; schrik had dat het opnieuw kanker was. Iets later was er al de assistent van Dokter Dhooghe, bezig aan zijn dagelijkse ronde, die me vertelde dat zo’n symptomen perfect mogelijk waren na zo’n operatie. En rond 9 uur bevestigde Willem ook al via mail dat de pijntjes volledig normaal waren. Hij wist me te vertellen “dat er een aantal zenuwtakjes doorgesneden waren en dat dat een tijd schietende pijn kon geven”. Hij voegde er wel aan toe dat er niet echt geschikte pijnmedicatie voor bestond, maar dat het “met de tijd wel zal beteren”. OK, dat het dan toch geen kanker meer was, was op zich al heel geruststellend. Maar dat het ‘met de tijd wel zou beteren’ klonk niet noodzakelijk even bemoedigend, komende van een man die niet zo lang geleden spiksplinternieuwe bergschoenen kocht, knalrode Sportiva’s, het Italiaanse supermerk, en daar dan ineens, zonder ze in te lopen, gespreid over anderhalve week drie verschillende bergtochten mee ondernam waarbij hij twee vierduizenders moest opgeraken; eerst de Gran Paradiso, gewoon als voorbereiding, als lichte hap, om dan nadien de enige echte Mont Blanc op te wandelen. Met blijnen al vanaf dag 1, nog voor dat er zelfs van een Paradijs of een Witte Berg sprake was, tijdens een eerste, korte inleidende tocht in de, vergeleken met die twee joekels, heuveltjes rond Martigny in de Romandie. Zodat zijn voeten al open lagen tegen dat hij nog maar begon aan enkele van de hoogste bergen van Europa. Om maar te zeggen dat het zelf nogal een harde is, die Willem. Dat of zo zot als een deur, zoals ze bij ons in de Kempen zeggen.

Al deze dingen malen door mijn hoofd als, even na het ontbijt, er plots een verpleegster binnenstapt in mijn kamer die ik nog niet gezien heb. Zonder omwegen verkondigt ze: “Dag Mijnheer Hoskens. Ik kom u wassen.” “Wassen?” “Ja, wassen. Van kop tot teen.” “Hoezo? Hier in bed?,” en ik wijs op de drain die nog in mijn rechterbeen zit. “Ja, natuurlijk. Normaliter doen we dat zo goed als elke dag. Maar om één of andere reden lukt het nu pas om bij u een keer langs te komen.” Ik bekijk haar nog eens goed. Dit is helemaal geen roze engel. Een roze engel mag mij gerust wassen van kop tot teen, en liefst zelfs tot teen. Maar deze verpleegster is nog ouder dan mij en heeft bovendien een heel hoog non-gehalte. Niet a la Crevits, met een nasale haakneus die tot in de verste uithoeken van Vlaanderen op de radio en de TV weerklinkt om haar lijdzaam beleid als verkozen abdis te rechtvaardigen, maar eerder het andere cliché, dat van het schuchtere type, bijna ongezond wit van huid waardoor de lichtroze poppenwangetjes nog meer opvallen, dat slechts met veel moeite tot spreken komt over wat haar echt bezig houdt, en ter compensatie volledig wegvlucht in de taak die voor haar ligt, welke deze ook mag zijn. En vooral ook typerend: daarbij geen enkele tegenspraak duldt over de door haar uit te voeren heilige taak, want niet alleen priesters kennen roepingen. Wat misschien ineens verklaart waarom ze blijkbaar op deze dienst als enigste lichaamwasser door de gangen circuleert: dat is van mij, dat lichaam met die stigmata wassen, van mij en van mij alleen.

Dat ze haar taak bijzonder nauw neemt, blijkt uitvoerig tijdens de uitvoering ervan. Na mij volledig gestript te hebben, protest is zelfs geen optie, neemt ze een voorafgaandelijk verwarmd washandje van haar karretje en haalt het uit de folie waarin het verpakt zit. Zelf ben ik nog maar amper in staat om te bewegen maar het contact met het warme washandje verricht wonderen. Het is alsof ze door elke beweging die ze uitvoert, elk streling met het washandje over mijn armen, mijn borst, mijn benen, enz… de energie in mijn lichaam terug opwekt. En terwijl ikzelf als verlamd op mijn bed lig, voel ik langzaam het leven in mij terugkeren; alsof ze mij terug uit de doden oproept. Hypergeconcentreerd doet ze dit met mijn hele lichaam, stap voor stap, been na been, arm na arm, buik, borst, hoofd, nek, mijn vingers en mijn tenen, al mijn lichaamsdelen komen aan de beurt.

Voor het eerst in mijn leven, ervaar ik letterlijk aan den lijve wat barmhartigheid betekent. Wat één mens voor een ander kan betekenen als hij er maar de nodige aandacht aan schenkt. Hoe één mens dit akelig bestaan met een eenvoudige daad zin kan geven. Ze verricht met deze ene daad maar liefst 3 van de zeven werken van barmhartigheid: 1) ze bezoekt de zieken want als ik op dit moment één ding ben is dat ziek, nog voor dat ik vader, partner, broer, vriend of product manager ben, in die volgorde, 2) ze laaft de dorstigen want het is alsof mijn lichaam door het membraan van de huid heen het warme vocht aanwezig in het washandje gulzig opzuigt en 3) ze kleedt de naakten want ze helpt me na het wassen in een verse pyjama, of zelfs voorafgaand aan dat, kleedt ze me al door het wassen zelf. Want, alhoewel ik hier nu naakt lig, met een handdoekje zedig over mijn geslachtsdelen heen, maakt ze me proper met elke beweging die ze maakt met het washandje en maakt ze op die manier terug een mens van mij. Een mens van vlees en bloed. En terwijl ik het bloed terug door mijn lichaam voel stromen, komt de wetenschap hard binnen dat zelfs vrijzinnigen dat kunnen, barmhartig zijn. Dat is helemaal geen voorrecht of privilege van die Katholieken. Of nog straffer. Ik moet eerst de hel op aarde meemaken veroorzaakt door die pompeuze Katholieken in hun belachelijk uit de kluiten gewassen ziekenhuis waar kwaliteitszorg duidelijk geen prioriteit meer is, de boel draaiende houden is waarschijnlijk al moeilijk genoeg, om dan hier de barmhartigheid van de vrijzinnigen te kunnen ondergaan. De cirkel is misschien dan toch rond?

Wanneer het washandje na een tiental minuten al wat te veel afgekoeld is naar haar goesting neemt de verpleegster resoluut een tweede ter hand. Ze voelt zelfs nog even of het wel warm genoeg is vooraleer mijn afgekoeld lichaam eraan bloot te stellen. Ondertussen lig ik daar halfdood te wezen en kan ik nauwelijks iets uitbrengen. Het protest dat ik voelde opborrelen in het begin is al volledig weggeëbd. Verdwenen samen met het vocht dat enkele seconden op mijn huid achterblijft nadat ze haar magische streling heeft uitgevoerd om dan opgenomen te worden door mijn verschraald lichaam. Ze vraagt me nog op mijn zij te gaan liggen en doet ook nog, met dezelfde nietsontziende Duitse grondigheid, mijn rug, kont en achterbenen. Zelfs mijn enkels worden nog apart meegepakt. Helemaal op het einde gaat het zedig handdoekje weg en wordt ook mijn mannelijke trots nog onder handen genomen. Niet dat er nog veel trots mee gemoeid is. Misschien dat de etymologische oorsprong van de uitdrukking ‘zo slap als een vod’ zich daar wel ver tussen mijn benen bevindt.

Tegen dat de waszuster gedaan heeft, ben ik diegene die beschaamd achterblijft. Niet beschaamd omwille van mijn lichaam. Als kanker en operaties al één ding doen blijkbaar, is het een dissociatie creëren met je lichaam; dat verraderlijke lichaam, dat je niet langer kunt vertrouwen, dat door vreemde krachten verteerd wordt, en dat net open gesneden is geweest door derden, die zich dat lichaam daardoor volledig toegeëigend hebben, is al niet meer van jou, waarom zich er dan nog voor schamen? Maar beschaamd omwille van mijn mateloze arrogantie en de leeghoofdige liederlijkheid waarmee ik mijn dagen doorbreng in het zicht van zoveel menslievende vrijgevigheid van één mens voor een ander mens. Kortom, een gevoel van een grote onnozelaar te zijn overheerst tegen het einde volledig mijn herwonnen levenslust.

Om het helemaal compleet te maken, geeft ze mij op het einde ook nog eens de tip van de dag of misschien zelfs de week wanneer ze verneemt dat ik nu al twee nachten bijna niet geslapen heb. “Waarom neemt u geen slaappilletje mijnheer Hoskens?” “Een slaappilletje?” “Ja, dat hoeft niet zo zwaar te zijn hoor. Zo vlak voor het slapen gaan? Voor één keer mag dat wel hoor. En ik denk dat éénmaal wanneer u vertrokken bent, niets u nog zal wakker krijgen. Het is gewoon die eerste stap die u moet kunnen zetten.” Ze zegt het alsof het niets is. De meest vanzelfsprekende zaak ter wereld: een slaappilletje. Dat ik daar niet aan gedacht heb. Het is weer die Vlaamse aard die zijn lelijke kop opsteekt. Drugs, die mag je nemen zoveel je maar wilt. Dat is iets voor stoere en zelfverzekerde Vlamingen. En als er geen bier is, pakken we wel iets anders. Maar slaappilletjes, dat is iets voor losers. Voor mensen die het moeilijk hebben en ‘met zichzelf genen blijf weten.’ Sukkelaars die depressief zijn. Bovendien moet je volgens diezelfde canon oppassen met slaappilletjes. Zuipt of spuit u desnoods te pletter, maar van die slaappilletjes blijf je beter af. Je kunt daaraan verslaafd geraken.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Eén gedachte over “25 januari 2019 ’s ochtends na de metten – Eén daad, drie werken van barmhartigheid”

Plaats een reactie