Tin en ik zijn beiden murw geslagen door al de lugubere informatie die we op korte tijd te verwerken krijgen. Ontdaan zitten we beiden wat voor ons uit te staren. Af en toe zoeken we wat steun bij mekaar via een blik. Terwijl al de mogelijke nevenwerkingen van de chemotherapie opgelijst werden, is Tin lichtjes beginnen te wenen. Zelf ben ik me vanaf dan terug misselijk beginnen voelen. Als een laatste daad van verzet opper ik nu dat het toch een schande is dat het zo ver is moeten komen. Dat de oncoloog van het AZ Maria Middelares me gesproken had over één case die hij gevonden had in zijn database met een gelijkaardige tumor op een gelijkaardige plaats als mij maar waar men op tijd bij was en waar slechts een lichte operatie nodig geweest was, gevolgd door enkele bestralingen. En zie mij hier nu zitten na mijn rampzalige passage in Gasthuisberg, dat Katholiek Universitair Ziekenhuis van mijn voeten: al één oog volledig kwijt, inclusief oogschelp of hoe men dat ook noemt, oogleden en oogwimpers, alles eigenlijk, en nu op weg naar een lange, zware behandeling met chemotherapie. De Keukeleire kijkt me met zijn heldere ogen begripvol aan, maar zegt dan eenvoudigweg: “In uw geval gaat dat niet langer volstaan, mijnheer Hoskens.” Hij ziet de vernietigende impact van zijn woorden op mij, verliest even het engelengeduld dat hij tot nu toe heeft kunnen opbrengen en flapt eruit: “Daarbij voor u, zo’n viriele man, mag dat allemaal toch geen enkel probleem zijn, mijnheer Hoskens?”
Instant, op het moment zelf dat zijn woorden de donkere muren en de grijze vloer van de consultatieruimte raken, barsten Tin en ik in lachen uit. Van wenen, inwendig en uitwendig, naar bulderlachen, op nog geen seconde tijd, hoe doe je dat? Antwoord: zeg het meest onnozele ding dat je kunt bedenken, hoe goedbedoeld ook, tegen mensen die het even niet meer zien zitten, iets dat volledig haaks staat op alles waar die mensen ook maar enigszins in geloven of gewoon mee bezig zijn, en geniet van de impact van je woorden. Hij had net zo goed kunnen zeggen: “Maar dat kan toch allemaal geen probleem zijn, mijnheer Hoskens, voor iemand zoals u met zo’n prachtige neus?” In ons geval voelt het zelfs zo absurd aan dat ik een viriele man genoemd word dat Tin en ik niet meer kunnen stoppen met lachen. Ik zie Tin rechts van mij zelfs lachen en wenen tegelijkertijd. “Een viriele man? Ik?,” protesteer ik nog met moeite door de slappe lach heen. “Ik bedoel een stevige, nog relatief jonge man, mijnheer Hoskens,” verbetert dokter De Keukeleire zich snel. “Ah ja, dat is al wat beter,” sluit ik het lachsalvo af terwijl ik met mijn vingers de tranen uit mijn ene, overblijvende oog vis. “Maar dank u, heel hard bedankt om mij als een viriele man te omschrijven. Ik vind dat heel flatterend van u.”
Tin en ik kijken elkaar schuins nog steeds al lachend aan als er geklopt wordt op de deur. Het is Professor Rottey die even komt checken hoe alles hier verloopt. En terloops even de ownership van alles dat er hier en nu gebeurt opeisen. Ze ziet nog net de laatste tranen weggewist worden uit onze ogen en kijkt al een beetje argwanend naar ons allen. Zelf is ze weer zo één van die in het #metoo-tijdperk niet langer veroorloofde en toch niet zo zeldzame, voor het mannelijk oog (ook als het er maar één is) aangename witte-jas-ziekenhuisverschijningen; gebruinde huid, donkere ogen en lang bruin haar, een beetje de Vlaamse en toch al wat oudere versie van die andere filmster uit de jaren ‘70: Jacqueline Bisset, één van mijn kalverliefdes uit mijn wonderjaren, opgedaan via die vermaledijde TV, in ons Vlaanderenland toendertijd nog meer dan die hitsige rockmuziek, waarvoor je toch een beetje Engels moest begrijpen, bron van alle zonden.
Na een korte introductie neemt ze resoluut de dingen in handen. Ze vraagt aan De Keukeleire of alles in orde is, of hij alles al heeft kunnen bespreken. Hij antwoordt plichtsbewust dat we net de lijst van mogelijke neveneffecten van de chemotherapie afgewerkt hebben en dat hij net ging overgaan tot het maken van de praktische afspraken. “Ja, mijnheer Hoskens, die chemotherapie mag ten vroegste vier weken na afloop van de operatie opgestart worden. Uw lichaam moet eerst voldoende recupereren vooraleer we zo’n therapie kunnen opstarten, begrijpt u?,” gaat ze ineens bijzonder stijlvol door met lichtjes opgetrokken wenkbrauwen. Als een echte drukke professional wacht ze mijn antwoord zelfs niet af en vraagt aansluitend terwijl zij nu ook al naar het computerscherm begint te gluren: “Wanneer is de operatie nu weer juist geweest, mijnheer Hoskens?” “22 januari.” “22 januari? Wacht, dat brengt ons op…” Ondertussen is ze al gemanoeuvreerd tot achter de bureau van de Collega’s en neemt plaats op de stoel waar De Keukeleire net nog zat. Blijkbaar staat er ook een agenda open op het scherm want terwijl haar hoofd knikt naar het scherm zegt ze: “Juist, de week van 18 februari. En we zouden de sessies willen opstarten op woensdag. Dat zou dan, ja, woensdag 20 februari worden. Gaat dat voor u mijnheer Hoskens?” Haar fijne lippen blijven deze keer vragend open staan. Zoals altijd sinds het prille begin van dat loeder in mijn oog, luidt mijn antwoord: “Ja, natuurlijk. Wat mij betreft, hoe sneller, hoe liever professor Rottey. Het laatste wat ik wil, is dat dat gezwel nog een keer kan terug komen, daar of ergens anders. En dat zou dan ineens 20, 21 en 22 februari worden, juist?” Professor Rottey kijkt een beetje onzeker weer naar het computerscherm en antwoordt dan al lezend: “Ja, mijnheer Hoskens. Dat hangt een beetje af van het type chemotherapie, maar in uw geval zou dat zo zijn.” “Zoals ik ook al aan dokter De Keukeleire heb gezegd: “Ik ben bereid om alles te doen wat nodig is om mijn kansen op herstel zo groot mogelijk te maken.” “Goed dan, mijnheer Hoskens,” en ze kijkt me al terug aan met een zelfzekere blik, “dan beginnen we op die dag met de chemotherapie. Hebt u nog vragen soms?” “Ja, nog één grote vraag die nog niet behandeld is geweest tot nu toe.” “Ja, zegt u maar?” vraagt ze nu vriendelijk. “Hoe zit het juist met werk? Ga ik mijn werk nog kunnen doen tijdens die chemosessies? Allez, ik bedoel d’rvoor en d’rna natuurlijk.” Ik zie een korte blik van verstandhouding uitgewisseld worden tussen haar en De Keukeleire, die het best samengevat kan worden als ‘hij heeft het nog niet goed begrepen.’ “Tja, wat doet u juist van werk?,” kijkt ze mij berustend terug aan. “Ik ben Product Marketing Manager.” “Dus een werk aan een bureau? Ik bedoel bediende en niet arbeider of zo?” “Ja, inderdaad.” “We laten dat een beetje aan u over dan, mijnheer Hoskens. Als u dat ziet zitten en dat absoluut wilt doen, dan zou dat eventueel wel gaan, zolang u maar veel thuis kunt werken. Want tijdens de therapie zal uw weerstand ook wat afnemen. Ik denk dat Dokter De Keukeleire dat net ook uitgelegd heeft, niet?” “Ja, hij heeft ons over de witte bloedcellen vertelt.” “Wel, één van de gevolgen is dat u dus wat gevoeliger zal worden voor virussen en/of bacteriën. We raden het dus eigenlijk af om te gaan werken om zo het besmettingsgevaar zo laag mogelijk te houden. De therapie die we voorstellen is ook redelijk zwaar. Trouwens daarover gesproken, is er al een afspraak vastgelegd met de cardioloog?,” kijkt ze opnieuw vragend naar De Keukeleire. “Neen, dat is een van de praktische dingen die we nog moesten regelen,” reageert hij vlug. “Ah, ok, ziet u mijnheer Hoskens, om zeker te zijn of u de therapie fysiek wel aankunt, vragen we u om een kort hartonderzoek te laten doen.” “Carrément een hartonderzoek? Amai, dat klinkt wel heel zwaar,” slik ik even. “Oh, maar als uw hart in orde is, is het geen enkel probleem hoor. Het is gewoon om zeker te zijn. Hoe gaat het met uw nieren trouwens? Ik bedoel hebt u daar ooit problemen mee?” Ik voel de misselijkheid al terug opkomen maar antwoord eerlijk: “Neen, als kind heb ik wel enkele ernstige nierontstekingen gehad. Ik herinner me nog een radiologisch onderzoek toen ik een jaar of tien was waarbij met een reuzespuit contrastvloeistof in mijn rechterarm gespoten werd, een van de meest traumatische herinneringen uit mijn kindertijd, maar sindsdien heb ik niet echt meer problemen gehad.” “Goed, mijnheer Hoskens. Nu we gaan dat ook wel opvolgen via de tussentijdse bloedanalyses hoor. Als we zien dat uw nierwaarden plots verslechteren, zullen we onmiddellijk tussenbeide komen. Om problemen te voorkomen, zullen wij u ook vragen om goed veel te drinken op de dagen waarop de chemosessies plaats vinden. Maar om even terug te komen op het thema ‘werk’: u gaat dus wel niet optimaal kunnen functioneren, mijnheer Hoskens. Op de dagen waarop de chemo wordt toegediend, natuurlijk helemaal niet. Eventueel kunt op de overige dagen een beetje werken. Maar dat zal allemaal wel niet zo eenvoudig zijn. Zo is het vooral de week na de toediening van de chemo die het zwaarst is. En de vermoeidheid gaat alleen maar erger worden naarmate de sessies vorderen. Het zou in ieder geval het beste zijn als u de tijd tussen de sessies gewoon zou gebruiken om telkens opnieuw de impact van de voorgaande sessie wat te verwerken en zoveel als mogelijk te recupereren.” “Laat maar. U hebt me al lang overtuigd. Ik zal gewoon de ganse periode niet werken. Kunt u mij daarvoor dan een ziektebriefje geven?” “Ja, natuurlijk, mijnheer Hoskens, dat zullen we zeker doen,” reageert ze terwijl ze opnieuw met het hoofd naar De Keukeleire knikt. “Tenzij u nog verdere vragen hebt, stel ik voor dat we hier de consultatie afsluiten. Dokter De Keukeleire zal ervoor zorgen dat de net gemaakte afspraken allemaal ingeboekt worden, uw ziektebriefje opmaken voor de komende maanden, en dan kunt u terug naar huis.” “Neen, dank u, ik heb geen verdere vragen meer. Of eigenlijk wel, oneindig veel vragen zelfs. Maar ik denk dat het geen zin heeft om die hier en nu aan u voor te leggen.” “Wel, mijnheer Hoskens, als u de komende weken toch nog een vraag hebt, kunt u ons altijd bereiken via onze diensten, goed?” “Ja, dank u.” “Goed. Dan ga ik u nu laten want ik heb nog een andere afspraak.” “Goed, dank u, Professor Bisset, euh Rottey, sorry.” Gelukkig merkt ze de lapsus helemaal niet op en verdwijnt ze zonder verdere plichtplegingen met fladderende open witte jas door de massieve houten deur.
Als we eventjes later terug gaan in de richting van het onthaal doet dokter De Keukeleire ons uitgeleide om, zoals afgesproken, ineens de eerstvolgende afspraken voor de chemotherapie en het voorafgaandelijke hartonderzoek in te boeken. Geen slecht idee lijkt mij want het moet toch regelmatig voorvallen dat patiënten na zo’n consultatie recht naar huis doorlopen. Om zeker te zijn dat wij er niet vandoor gaan, wandelt hij in ieder geval voor ons en zo valt mij iets op dat ik nog niet opgemerkt had: dokter De Keukeleire hinkt. En niet zomaar met de hink van een verstuikte voet. Maar met een zware hink vanuit het bekken; de hink van iemand die licht gehandicapt is, die ooit zwaar geopereerd is geweest aan zijn bekken of erger. Het zien van de rare, kromme beweging heeft echter een totaal onverwachte impact op mij: een golf van warmte, een gevoel van erkenning en herkenning, stroomt door mijn lichaam. Misschien is hij, de dokter met het mooie gestileerde voorhoofd en de trage, gearticuleerde stem, net zoals Victor ook al sinds zijn vroege jeugd, aan het vechten tegen de één of andere aandoening. En als mensen zoals zij, dit alles aan kunnen, dat vechten tegen eigen demonen, dit lijden in stilte, dan moet ik, eenogige viriele man, niet zagen als een klein verwend kind. Het intense gevoel van verbondenheid, over alle grenzen en afstand heen, fysiek en hiërarchisch, met de kordate en toch ontzettend lieve oncoloog die ik vandaag heb leren kennen, doet meer deugd dan het ganse gesprek dat we net gevoerd hebben. “Ik ben dan toch niet de enigste gehandicapte hier,” flitst die voortdurende stem door mijn hoofd. “En als hij en Victor dat allemaal aankunnen, moet ik dit ook aankunnen. Zonder zever. Weak People Unite.”
Wanneer ik thuis kom, is één van de eerste dingen die ik doe een mailtje sturen naar Jean, mijn baas. Tot nu toe leek de schade aan mijn carrière nog beperkt te blijven, maar als ik nu ook nog eens van februari tot en met juni op ziekteverlof ben, mag ik waarschijnlijk een kruis zetten over mijn aspiraties als Product Marketing Manager bij mijn bedrijf. Zes maanden ziekteverlof. Het is geleden sinds mijn studietijd dat ik langer dan drie weken niet gewerkt heb. De lijst van gevolgen die ik moet ondergaan door de onwaarschijnlijke incompetentie van de grijze heks Ilse Mombaerts en de onmetelijke arrogantie van dat verheven medisch instituut boven op die berg wiens naam ik bijna niet meer kan uitspreken, zozeer moet ik ervan walgen, begint schier eindeloos te worden.

Patrick,ik heb juist van ons bie de laatste informatie gekregen.Dat is dus slecht nieuws.Hoezeer iedereen ook meeleeft en probeert om je moed in te spreken,en zegt dat je er niet alleen voor staat…………het besef dat je er uiteindelijk toch wel alleen door moet,is nu heel groot en daar wordt je heel klein van.Ik kan alleen maar zeggen hoe spijtig ik het vind dat je het onderspit moet delven,je bent een toffe pee,maar dan ben je nu vet mee.Ik wens je veel sterkte toe en hoop dat je nog een kwalitatieve tijd met je gezin mag doorbrengen.🐸
Op zo 26 jul. 2020 09:11 schreef Slachtoffer van een medische fout (of
LikeLike
Bedankt voor de lieve woorden van steun Luth. Maar inderdaad klein word je 😉 wel van zo’n dingen. Zo klein dat je bijna zou willen zeggen: “Laat dan maar. Sorry dat ik jullie gestoord heb.” Maar als je kinderen hebt, god zij dank, vecht je niet alleen voor jezelf. En dus kan je toch weer niet los laten. Bedankt ook voor het mooie rijmpje. Patrick, een toff pee
LikeLike