20 maart 2019 10u15 – de Onbevlekte Zwarte Hand van Gasthuisberg

Het ergste in mijn afschuwelijk verhaal moest nog komen en het allerergste in mijn ‘casus’ is de Onbevlekte Zwarte Hand van Gasthuisberg. Onbevlekt want – mirakel, o mirakel, hoe doen ze het?, hoe doen ze het? – er hangt zelfs geen spatje bloed aan en toch is ze verantwoordelijk voor de dood van een medeburger zoals jij en, hier en nu, ik.

Na de eerste twee sessies van drie dagen chemo, waarbij de eerste keer Tin en de tweede keer die trouwe Bert, dat stille water met de diepe gronden, mij drie dagen aan een stuk naar het UZ Gent voeren vanuit Kortenberg via de machtige maar toch zo impotente ring van Brussel – in het geval van Tin ‘s ochtends in de vroegte want om 8u30 moet ze, ondanks de dagelijkse file vanaf Aalst tot in Groot-Bijgaarden in de omgekeerde richting, al terug in Asse zijn om daar Nederlandse les te gaan geven – beslis ik om de volgende keer zelf te proberen te rijden. Kwestie van die hele miserie een beetje doenbaar te houden. Menselijk is het al lang niet meer. Enigste probleem: daarvoor moet je kunnen en mogen auto rijden.

Het kunnen rijden denk ik gaat ondertussen al lukken. We zijn nu al zo’n 8 weken na de operatie en misschien ligt het aan de boswandelingen met Tin maar ik voel me al meer en meer stabieler worden tijdens mijn dagdagelijkse omzwervingen in de wereld rondom mij, en niet alleen in het bos. Ik heb meer en meer het gevoel mijn nieuwe situatie als mottige cycloop onder controle te krijgen en ook mijn inschattingsvermogen op korte en middellange afstand, de afstand tussen mij en die boom daar, de exacte locatie van die auto aan de kant van de weg, de afstand tussen ons en die fietser, enz… begint meer en meer op iets te trekken.

Blijft nog het mogen over. Enig zoekwerk op het internet levert mij de volgende informatie op: je mag op de openbare weg rijden met één oog mits de operatie of het ongeval of wat dan ook waarbij je een oog verloren bent meer dan twee maanden achter je ligt én je een rijgeschiktheidsattest hebt van een erkend oogarts dat je breedtezicht met één oog goed genoeg is. Goed genoeg betekent hier: een zicht met een amplitude van minimum 120 graden. Met twee ogen zie je, zo wordt er gezegd, een halve cirkel, 180 graden, en door de overlapping van beide oogsferen verlies je met één oog maar een goede 30 graden hiervan, wat ineens het maximum is dat je nog eens mag verliezen door andere oorzaken. Dus heb ik plots, voor het eerst sinds de operatie, weer een oogarts nodig. Wordt de vraag naar welke oogarts ga ik hiervoor gaan? Na al mijn afschuwelijke recente levenservaringen met die moderne gilde?

Het eerste dat in mijn hoofd schiet, is: ‘No way dat ik terug naar die Veys in Winksele ga.’ Met haar ‘ontstoken traanzakje’. Ik denk het niet aan te kunnen haar terug te zien in haar supercleane consultatieruimte te midden van al haar parafernalia. En vooral dat zij mij doorverwezen heeft naar die professor Mombaerts neem ik haar enorm kwalijk. Ondertussen ontdek ik via dat gezegende internet dat er hier in de buurt, in Kortenberg zelf, zich ook een kabinet bevindt, op wandelafstand van mijn eigen huis. Geen auto zelfs nodig. Dus beslis ik daar naartoe te gaan. Een eenvoudig telefoontje volstaat echter om te vernemen dat de eerstvolgende mogelijke afspraak met deze oogarts, houd u vast lezer, pas ergens in juni is. Niet omdat zij – want opvallend, het is weer een vrouw – een sabbatical leave heeft genomen of nog drie maanden op vakantie is, maar zo ontdek ik achteraf, omdat vele oogartsen eigenlijk tegenwoordig geen oogartsen meer zijn, maar eerder plastische chirurgen van het oog, die zich vooral met grote esthetische problemen bezig houden zoals het dragen van een bril, en dan voor veel geld met behulp van laserdingetjes hun patiënten met wat krasjes op het netvlies van dergelijke vreselijke onaangenaamheden bevrijden. Dat en een numerus clausus vanuit de Orde der Geneesheren zorgt ervoor dat mensen zoals ik met echte gezondheidsproblemen in de regio van het oog terechtkomen in de klauwen van incompetente dinosauriërs zoals Mombaerts want zij zijn de enigsten die de job met echte pathologieën aan het oog, met vaak ouderen van dagen als patiënten, die last hebben van staar en ander vies ongemak, zoals stinken uit hun bek, nog willen doen. Basically. Maar niet getreurd; vele mensen en vooral ook van die eeuwig jonge mensen met mooie witte tanden moeten geen bril meer dragen en och, die Mombaerts doet ook goede dingen hoor!

Ondertussen begint er bij mij wel iets te knagen en langzaam dringt er ook weer een stemmetje door, een mix van onze zeer gezagsgetrouwe moeder en lichtjes geënerveerde vader zaliger: “Ja, het is een schande hoe dat die professor Mombaerts jou behandeld heeft of, nog veel erger, niet behandeld heeft, maar weet die dokter Veys dat wel? Waarschijnlijk niet. Anders zou ze jou toch niet doorverwijzen naar die Mombaerts of wel soms? En moet je haar dan niet gaan verwittigen en tegen haar gaan zeggen dat ze dat niet langer mag doen, mensen doorverwijzen naar professor Mombaerts? Dat het een schande is hoe die haar patiënten behandeld? Dat die incompetent is? En als je het al niet voor dokter Veys wilt doen, moet je het dan niet voor al die andere patiënten doen die anders nog wel doorverwezen gaan worden naar die professor Mombaerts?” En dus beslis ik om, met loden voeten, ik heb geen zin in de confrontatie, zou hem het liefst willen vermijden want verontwaardigd slachtofferke spelen staat nu eenmaal niet echt hoog op de Rode-Ridder-schaal van typische kenmerken voor een sterke man uit mijn jeugd, toch maar naar dokter Veys in de Oogkliniek van Winksele te gaan.

Winksele is wel iets verder dan Kortenberg centrum van ons huis. Met de fiets gaan zie ik niet zitten en met de bus – mijn kinderen die elke dag met de bus naar school in Leuven gaan, zouden het moeten weten – beneden mijn niveau. Dus ga ik toch vlug met de auto terwijl het net de bedoeling is om pas ginds de toestemming te krijgen om met de auto te rijden. Nog voor ik vertrek, zit ik me al af te vragen hoe het zit met die verzekeringen als ik net nu een ongeval zou krijgen. Het wreet aan mij dat ik op deze manier onverzekerd ga zijn. Typisch. Die brave Patrick gaat een keer iets gevaarlijks doen, wat risico nemen, onverzekerd naar een oogarts tien kilometer verderop rijden. Hoe pietepeuterig kunt ge wel niet zijn? En ondertussen maar kijken naar al die filmische helden op die beeldbuis die uit ontploffende gebouwen weg lopen alsof het niets is of onversaagd de slechterik tegemoet treden met niets dan een zwaard in hun pollen. Het verschil van de differentie zullen we maar zeggen.

Ik geraak echter accidentvrij daar en stap zenuwachtig mijn wagen uit. Het gebouw, een oude gerenoveerde herenhoeve, ziet er nog altijd even indrukwekkend uit. Dat krassen moet toch iets bijzonders zijn. Want weinig verdienen die oogartsen dus duidelijk niet. Op weg naar de receptie stoot ik echter op het embleem van mijn alma mater: moeder Maria met kindeke Jezus op haar schoot. In het blauw en wit. Wel niets te pietà, dat zou een beetje al te menselijk zijn. Pré-renaissance vermoed ik: een beetje arrogant, rechtop zittend op een troon, streng voor zich uitkijkend, afkomstig uit een tijd waar van humanisme zelfs nog geen sprake was. Heel toepasselijk voor die KUL. Ze staan niet alleen boven alles. Ze zitten er zelfs boven, hoog en droog op hunnen troon. “Oogkliniek Winksele. Verbonden aan UZ Leuven” wordt ernaast verduidelijkt. Even twijfel ik dan ook weer of ik wel naar binnen zal gaan. Betekent dit alles niet dat ze hier misschien onder één hoedje spelen met dat vreselijk arrogante Gasthuisberg? Zo van, ik doe dit voor jou als jij dit voor mij doet, en vice versa? Samen ziek zijn in hetzelfde bedje? Dingen samen wegmoffelen zelfs? Stel je voor, subiet zijn die Veys en Mombaerts beste vrienden, zitten die elke vrijdagnamiddag samen koffie te drinken en taart te eten, content dat die werkweek weer achter de rug is? Toch beslis ik door te gaan met mijn éénmansactie. Het kan me niet schelen hoe dat juist allemaal zit aan hun kant, ik moet het gewoon doen voor alle andere mensen die anders misschien nog in de klauwen van Mombaerts terecht gaan komen. Burgerzin begint toch bij ons als individu of niet soms?

Met kloppend hart stap ik binnen in het gebouw. Waar dat ik gehoopt had te ontsnappen aan de verplichte oogtest met telkens weer datzelfde mallotig oogmeetapparaat, kwestie van mijn bril met ooglap niet te moeten afzetten en open en bloot de gruwel van mijn gelaat te tonen aan jan- en alleman, blijkt er niet aan te ontsnappen. Er wordt mij uitgelegd dat iedereen, ongeacht waarvoor ze komen, en zelfs als ze dus niet komen voor een nieuwe bril, zoals ik nu dus, toch de test moeten laten doen. Het feit dat ik nog maar één oog heb, maakt blijkbaar ook geen verschil. Na de luchtpuf en -ballon die ergens in de verte opstijgt, is ook dat weer achter de rug en mag ik in de wachtzaal gaan zitten wachten op dokter Veys. Ondertussen heb ik me al voorgenomen om niet te beginnen met alles wat er gebeurd is in Gasthuisberg, maar dat te houden voor het einde van de consultatie. Eerst dat breedtezicht in orde brengen zodat daar achteraf niet meer moeilijk over kan gedaan worden. Dat is de bedoeling.

Na een tijdje komt dokter Veys mij ophalen. Blijkbaar is ze terug zwanger. Het is ondertussen dan ook bijna een jaar geleden dat we mekaar nog gezien hebben. Ze vraagt waarvoor ik juist kom, maar ze zegt het op zo’n manier dat ik er al wat ongemakkelijk van wordt. Ze heeft me duidelijk al in de mot en mijn verhaal over het breedtezicht en het rijbewijs beaamt ze alleen maar. Ze wijdt kort uit waarover het gaat maar zegt dan dat ze me herkend heeft, dat ze zich mijn bezoek herinnert van een goed jaar geleden en vraagt nu wat er juist gebeurd is. Het besef dat het ook totaal geen zin heeft om te doen alsof mijn neus bloedt wanneer er ostentatief, in het zicht van iedereen, een ooglapje voor mijn bril hangt te bengelen, valt ook al niet meer te ontwijken. Dus val ik maar meteen met de deur in huis.

“Ja, sorry dokter, ik dacht eerst dat certificaat van dat breedtezicht in orde te brengen, maar ik zie dat u niet kunt wachten.”

“Niet kunnen wachten… Ik zou gewoon graag eerst van u vernemen wat er juist gebeurd is.”

“Wel, wat ik u eigenlijk eerst en vooral moet zeggen, is dat u nooit nog patiënten mag doorverwijzen naar Professor Mombaerts van het UZ Leuven.”

“Waarom niet?”

“Omdat die vrouw totaal incompetent is en haar patiënten op een schandalige manier behandelt.”

“Waarom zegt u dat?”

Ik doe snel snel het hele verhaal uit de doeken hoe, vertrekkende van de doorverwijzing, de foute diagnose gevolgd door de foute operatie, allemaal zonder enige hoogdringendheid uitgevoerd want ‘maar een ontsteking onder de duizend’, de totaal onprofessionele opvolging in Gasthuisberg, waarna pas na een vlucht naar het Gentse met de hulp van mijn, hoe toevallig ook, vrienden-oncologen, de afschuwelijke diagnose van kanker viel, bijna een jaar te laat, ik mijn ganse oog ondertussen kwijt was, en nu chemosessies aan het volgen was in de hoop verspreiding van de kanker te voorkomen.

Maar naarmate mijn verhaal vordert, trekt dokter Veys meer en meer lijkbleek weg. Ze kreunt en zucht en kan niet stil blijven zitten in haar zetel voor mij. Eerst denk ik dat ze het pure horrorverhaal gewoon niet aan kan. Maar dan onderbreekt ze me plots en roept, vreselijk geïrriteerd, uit: “Maar dat is vreselijk wat u mij daar allemaal vertelt!”

De intensiteit van de reactie verrast me. Daarom vraag ik spontaan: “Waarom zegt u dat dokter Veys? Klopt er iets niet aan mijn verhaal?”

“Ik heb haar dat gezegd,” kreunt ze met een van haar handen aan haar hoofd.

Deze keer is het mijn beurt om wit uit te slagen. Iets in mij is ervan overtuigd dat ik haar niet goed begrepen heb. Ik reageer: “Sorry, kunt u dat nog eens herhalen? Ik denk dat ik u niet goed begrepen heb. Wat hebt u haar juist gezegd?”

Dokter Veys kijkt me even weifelend aan en zegt dan met een lange zucht: “Ik heb haar in de doorverwijzingsbrief gezegd dat het mogelijks om kanker ging. Ik heb haar gevraagd om beeldvorming te doen. Om te checken of dit zo was.”

Haar woorden geraken tot bij mij, maar blijven daar rondtollen zonder veel zin te maken. Ik hoor mezelf opnieuw vragen: “Sorry?”

“Het spijt me, mijnheer Hoskens, dat dit is gebeurd. Dit had nooit mogen gebeuren.”

Haar woorden komen nu al niet meer binnen maar ketsen op de tol in mijn hoofd af, de tol die harder en harder begint te draaien en die met een veel akeliger stem dan die van ons vader en moeder samen begint te brullen: ‘Alles, maar dan ook alles dat er met mij gebeurd is sinds begin 2018 had dus allemaal vermeden kunnen worden? Die trut van een Mombaerts, dat vreselijk arrogant klotewijf, met hare ‘patiënt komt van het Engelse patient, maar de mensen hebben geen geduld meer, mijnheer’, die trut heeft dus niet alleen een verkeerde diagnose gesteld gevolgd door een volledig foutieve operatie waarbij ze het gezwel zelf geraakt heeft – daardoor dat gezwel heeft doen ontploffen in mijn oog – en mij nadien volledig aan mijn lot overgelaten gedurende weken en eigenlijk zelfs maanden??? MAAAAAAAAR die heeft het dus ZELFS nagelaten om een grondig onderzoek uit te voeren nadat Veys, zelf geen professor, een gewone oogarts nota bene, verbonden aan een gewone oogartsenpraktijk, niets te universitair ziekenhuis, haar gewezen heeft op het risico op KANKER????????? En dit allemaal in een vroeg stadium van die kanker? Toen dat bolletje nog PIEPKLEIN was? Enkel dankzij mijn zwembrilletje heb ik het toendertijd zelf opgemerkt??????’ De tol wint exponentieel verder aan kracht en doet mijn hoofd helemaal ontploffen. Voor eventjes weet ik niet meer waar ik ben en wat ik daar doe.

Als ik terug op deze planeet ben, floept de volgende vraag gretig en onder hoge druk uit mijn mond: “Kunt u dat bewijzen? Ik bedoel kunt u mij aantonen dat u dit effectief gedaan hebt?”

“Ja natuurlijk, als u wilt, print ik de doorverwijzingsbrief uit. Daar staat het op.”

“Kunt u dat dan even doen alstublieft,” vraag ik met trillende stem.

Eventjes later zit ik met een blad papier in mijn bevende handen in de veel te ruime oogartszetel voor patiënten. En inderdaad, daarop staat de naam van dokter Veys, de naam van professor Mombaerts en helemaal onderaan in de sectie ‘Besluit’ staat: ‘Gezien heden ook klacht van gevoelsstoornis van onderooglid toch graag uw evaluatie en eventueel beeldvorming: chronische dacryocistitis/mucocoele? mogelijks evidentie voor iets tumoraal (lymfoom traanzak)?’ Én er staat een datum op: 16 april 2018. Een goed jaar geleden. Wat een verschil zou dat niet gemaakt hebben? Als ze toen een scan of iets dergelijks gemaakt hadden? In de plaats van al dat vingerdrukwerk op mijn oogkas? Al dat fingerspitzengefühl van mijn kloten? Weer moet ik terugdenken aan die ene case die de oncoloog van het AZ Maria Middelares had teruggevonden van een gelijkaardige tumor op dezelfde plaats: “Een lichte operatie. En daarna enkele bestralingen. Er was geen remissie. Maar daar was men er op tijd bij.” Ik ben al één oog kwijt en nu loop ik nog het risico 20 jaar van mijn leven te verliezen, Tin alleen te moeten achterlaten, mijn kinderen niet te zien afstuderen en kleinkinderen nooit te kennen, en deze brief had dat allemaal kunnen vermijden????? Nalatigheid tot in de derde, hoogste graad is dit. Op het criminele af is dit.

“Waarom hebt u in hemelsnaam niets tegen mij gezegd?,” vuur ik nu kwaad af op dokter Veys.

“Ik wist niet hoe u zou reageren. Ik was niet zeker dat u het zou aankunnen.”

“Aankunnen?,” kreun ik. “Weet u wat voor een hel ik sindsdien heb moeten doormaken?”

“Ja, dat weet ik, mijnheer Hoskens, dat zie ik.”

“Dokter Veys, als u dat gewoon had gezegd, had ik onmiddellijk gebeld naar mijn vrienden-oncologen in Gent. Beseft u dat?”

“Ja, dat besef ik.”

“Dan had die kanker nog begin 2018 vastgesteld geweest en dan had ik waarschijnlijk zelfs mijn oog nog gehad.”

“Ja, dat begrijp ik, maar ik begrijp ook niet dat het tot juni geduurd heeft voor u bij professor Mombaerts binnen geraakt bent.”

Even val ik stil. Heb ik iets gemist? Zijn er dan nóg meer fouten gemaakt dan dat ik nu al weet? Bestonden er godbetert in het jaar des heren 2018 dan toch ook al digitale communicatiekanalen tussen Gasthuisberg en deze ‘kliniek verbonden aan het UZ Leuven’? Zodat een vermoeden van kanker niet enkel via een hard copy brief gecommuniceerd werd? Afgemeten antwoord ik: “Ik heb onmiddellijk die afspraak gemaakt. Nog vanuit mijn wagen op weg van hier naar huis als ik me goed herinner. En u hebt mij op geen enkele moment duidelijk gemaakt dat er enige dringendheid mee gemoeid was. Het was gewoon de ‘eerstvolgende mogelijkheid’ in de o zo drukke agenda van die onbekwame Mombaerts.”

“Ja, maar in uw geval had dat toch sneller moeten kunnen.”

“Dat weet ik allemaal niet,” reageer ik nu bitsig, “maar u beseft toch dat dit document voor mij onaanvaardbaar is? Ik kan daar niet mee leven. Met de wetenschap dat dit alles vermeden had kunnen worden.”

“Ja, dat begrijp ik. Het spijt me vreselijk, mijnheer Hoskens.”

Tranen van onmacht wellen op in mijn ene overgebleven oog. Door naar rechts weg te kijken probeer ik het te verbergen. Ze heeft het echter gezien. Ze zegt: “Ik stel voor dat u even bekomt in de wachtruimte hier in de gang, mijnheer Hoskens. Ondertussen ga ik alles klaar maken voor de test van uw breedtezicht. Is dat goed voor u?”

Voor het eerst en eigenlijk de enige keer in mijn ganse wedervaren tot nu toe maak ik emoties mee bij dat medisch toppersoneel. Terwijl ik zit te ‘bekomen’ in de gang, beter gezegd volledig verweesd zit te staren naar het document in mijn handen, hoor ik door een niet volledig gesloten deur Veys van jetje geven tegen De Blauwe, de eigenares van dit privekliniekje voor arme sukkels die ocharme anders zo’n lelijke bril moeten dragen. Flarden van het gesprek komen tot bij mij: “Weet je wat er nu gebeurd is?…” “Je houdt dat toch niet voor mogelijk dat…” Maar het is allemaal maar van korte duur. Ik schat een minuut of twee. Ik hoor De Blauwe al riposteren op zijn verdoezelends en vergoeilijkends met zachte stem en tegen dat zij zelf met opgeheven hoofd mij passeert in de gang, ik onmogelijk onherkenbaar als de enige locale compleet verloren Piet Piraat hier in het ganse centrum, negeert ze me straal. Denial als overlevingsstrategie, dat moet toch gemakkelijk zijn. Enkel horen en zien wat je wilt horen en zien. Zodat je ondertussen lekker kunt voort doen met je eigen ding.

De koude douche van dokter De Blauwe maakt me direct duidelijk dat ik verder niet veel hulp meer moet verwachten van dit privé-kliniekje ‘verbonden aan het UZ Leuven’ in mijn eenzaam David vs. Goliath gevecht met het veelkoppig monster Gasthuisberg dat daarbuiten in de velden totaal onbezorgd ligt te wachten op verdere slachtoffers. De belangen van zo’n privé-centrum liggen dan ook elders: bij het scheppen van poen via meestal medisch niet-noodzakelijke esthetische ingrepen. En ook dokter Veys lijkt al veel van haar verontwaardiging onderweg verloren te hebben. Met geen woord rept ze nu nog over Mombaerts en co. Verbazend hoe snel dat die omerta zijn ingang vindt bij dat medisch personeel. Of misschien vinden ze dat zo’n dingen enkel kunnen of moeten besproken worden onder specialisten. Leden van hun kaste, die weten hoe zwaar ochottekes hun werk eigenlijk wel niet is en welke jammerlijke fouten er wel niet kunnen gebeuren in zo’n witte-jassen-werkomgeving. Allez, allez, dat moet toch allemaal niet aan de grote klok gehangen worden? Dat is toch allemaal niet nodig? En dat heeft toch geen zin? Die mensen weten zelfs niet waarover ze spreken. Zoiets. En daarmee is de kous af.

De breedtezichttest is een variant op die met de rood-gele luchtballon verborgen ergens in de camera obscura van dat standaard oogarts-oogmeetapparaat aan de ingang. Ik moet weer mijn kin leggen op een metalen of plastieken, maar in ieder geval klam aanvoelende, kinnebak en dan in een soort van 3D-bril kijken naar lichtjes die ontploffen in mijn gezichtsveld. Zodra ik hen opmerk, moet ik het zeggen. En des te meer ik er zie, des te hoger mijn score. Het voelt een beetje aan als Hoger Lager van Walter Capiau. Met dat verschil dat ik niet moet gokken, ik zie effectief die kleine ontploffingkjes. Maar het is wel net zo breindoodsimpel als spel. ‘Vlaanderen aan de top’ zou K3 zingen.

Bij mijn vertrek biedt dokter Veys mij dan toch onverwachts haar verdere hulp aan. “Bij het opmaken van een schadedossier of zoiets,” zegt ze terwijl ze voorzichtig haar hand uitsteekt. Schadedossier? Dat ik daar nog niet aan gedacht had. Hoe bepaal je de waarde van zoiets? Hoeveel zou een oog waard zijn in dit land van brave Vlaamse boeren? En dat oog is nog van het minste. Wat zou de waarde zijn van 20 mensenlevenjaren in dit land waar tegenwoordig zelfs de dood iets voor losers is? Ah, ga je dood? Dat is pech hebben, joeng. En de emotionele waarde van je kinderen niet te zien opgroeien en je kleinkinderen zelfs niet geboren zien worden? Zouden die meegerekend worden in zo’n schadebepaling? Dat zou een aardig bedrag kunnen worden. Het enigste probleem is dat ze dat geld in hun gat kunnen steken, die onbevlekte onfeilbare ploerten boven op hun berg, zij die ingeolied en gezalfd boven alles staan en zelfs zitten en met niets iets te maken hebben. Zelfs het eventuele geld zou niet van hen komen maar van één van hun vele verzekeringsmaatschappijen. Ze zouden het dan ook zelfs niet voelen de arrogante smeerlappen, verdomme. En ik, zieligerd, ik wil alleen mijn leven terug. Met twee functionerende ogen. En mijn twee fantastische dochters volwassen zien worden. En mijn ongeboren kleinkinderen knuffelen.

Als ik terug in mijn auto kom, smijt ik het rijgeschiktheidsattest waarvoor ik gekomen was onverschillig op de passagierszetel naast mij. De doorverwijzingsbrief daarentegen houd ik nog altijd krampachtig vast terwijl ik er verder naar blijf staren. Na een tijdje kan ik door de tranen heen, die in de beslotenheid van mijn wagen overvloedig over mijn wangen beginnen te vloeien, het document zelf niet meer zien. Ik begin luidop te gillen in de auto, probeer het dashboard voor mij stuk te slaan met mijn blote handen, begin te trekken en te rukken aan het stuur tussen mijn benen, probeer het los te maken en los te wrikken met al mijn macht, maar het bougeert totaal niet. Ook de gas- en rempedalen en de koppeling krijg ik niet door de bodem geduwd of gestampt. Hoe hard ik ook mijn best doe. Na een tijdje begint mijn lichaam te schokken en krijg ik het maar met veel moeite terug onder controle. De ramen zijn ondertussen helemaal aangeslagen. Het is meegenomen dat zo alvast niemand kan zien wat voor een zielig hoopje ellende hier nog zit.

Mijn ganse wereld is ingestort. Niet de fysieke wereld die zich daar buiten bevindt. Maar de wereld waarin ik geloofde en die ik als het absolute minimum zag. De wereld waarin mensen hun verantwoordelijkheid nemen en daarnaar handelen. De wereld waarin mensen hun best doen. De wereld waarin mensen anderen respecteren en beseffen dat wat ze doen een impact heeft op al die anderen. Een wereld die zin heeft. Waarin kinderen geboren mogen worden en kunnen opgroeien. Een wereld waarin mensen elkaar kunnen vertrouwen. Zelfs als ze van een andere politieke of religieuze overtuiging zijn. Een wereld waarin mensen kunnen samen leven. Hij bestaat plots niet meer en is vervangen door één grote leegte. Niets heeft hier nog zin. Want niets heeft hier nog betekenis. Zelfs geen doorverwijzingsbrief met een vermoeden van kanker in. Als wat er met mij gebeurd is, als zo’n dingen, mogelijk zijn en aanvaardbaar geacht worden door de goegemeente, zonder ook maar enige consequentie voor wie dan ook, buiten die slachtoffers zelf natuurlijk, wat zitten wij, het klootjesvolk, dan nog allemaal te klooien hier? Voor wie? Voor wat? Om ons blaaskes wijs te maken? Om de idee in stand te houden dat het allemaal toch nog meevalt? Dat er niets gebeurd is met die doorverwijzingsbrief is gewoon totale waanzin. Mijn al een tijdje niet meer zo gezond verstand kan dit helemaal niet meer aan. Na alles wat ik al heb moeten doorstaan, gaapt nu de totale afgrond voor mij en ik voel me er verder in weg glijden.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

3 gedachten over “20 maart 2019 10u15 – de Onbevlekte Zwarte Hand van Gasthuisberg”

  1. Even een rechtzetting,in mijn vorige reactie was een spellingsfout geslopen en ik had te vlug op verzenden gedrukt.Ik ben nu wel geen professor ,maar je moet ook niet denken dat ik mijn taal niet goed beheers.Het is ook niet echt belangrijk,maar het knaagde toch de hele tijd, vandaar.

    Op di 1 sep. 2020 08:54 schreef Slachtoffer van een medische fout (of twee,

    Like

Geef een reactie op phoskens Reactie annuleren