Mijn fantastisch ziekenfonds

Omdat er zogezegd zoveel profiteurs zijn in onze ziekenzorg, werd ik, aanvankelijk de meest recente Quasimodo uit het Leuvense, ondertussen terminale kankerpatiënt, onder druk van die zielige rechtsconservatieve klootzakjes in de Vlaamse regering, diezelfden die vinden dat burn-out maar iets voor doetjes is, de afgelopen 1,5 jaar zes keer opgeroepen door mijn ziekenfonds ter medische controle. Zij noemen het opvolging door een ‘adviserend’ geneesheer, maar het is brute en rauwe controle. Alleen al de manier waarop je via SMS aangespoord wordt om te verschijnen op de controle maakt elk misverstand hierover onmogelijk; telkens eindigt hij met de onheilspellende statement: “Bij onwettige afwezigheid zal de betaling van uw uitkering opgeschort worden.” Ook telkens word ik gevraagd me aan te melden op uur X van dag Y aan het OZ-kantoor in de steile Monseigneur van Wayenberghlaan te Leuven, de stedelijke toegangsweg van Gasthuisberg. En telkens weer moet ik de walging verbijten die de nabijheid van dat boven God en alles verheven Ceaucescupaleis van de elitaristische medische bekakten boven op de berg bij mij teweeg brengt.

De eerste keer dat ik langs moet gaan, op 29 juli 2019, word ik ontvangen door een dame die mij onmiddellijk bekent zelf geen medicus te zijn, maar een ‘paramedicus.’ Waarop ik uit de lucht val: “Paramedicus? Wat betekent dat?” “Dat ik niet echt een dokter ben.” “Wat bent u dan wél?”, reageer ik bitsig. “Ik ben kinesist van opleiding.” “Kinesist? En u moet mij medisch controleren?” “Neen, niet echt. U moet dit zien als een eerste, inleidend gesprek. Nadien zal u door een medicus verder opgevolgd worden.” “En wat gaat u dan juist doen nu?” “U enkele vragen stellen en uw dossier wat vervolledigen. Is dat goed voor u?” “Ik geloof dat ik niet veel keuze heb. Dus doet u maar.” “Misschien dat u even kort kunt zeggen wat er allemaal gebeurd is.” Ik vertel summier het verloop van mijn ziekte maar laat niet na om te vermelden wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg. Ze luistert met een half oor en voert af en toe iets in haar PC in. Op het einde vermoed ik dat haar dossier ondertussen wel volledig genoeg zal zijn en afgaande op haar empathische reacties heb ik de indruk dat ze volledig mee is in de gruwel van mijn verhaal. Op dat moment springt de aap uit de mouw. Uit het niets vraagt ze plots: “Mag ik uw oog even zien?” Mijn stem blokkeert. “Sorry?,” krijg ik er nog net uitgeperst. “Gewoon even zien naar uw oog.” “Denkt u soms dat ik hier voor te lachen met een zwart ooglapje op mijn bril zit? Om de boel te belazeren?,” reageer ik nu als door een bij gestoken. Ze begint zenuwachtig te lachen. “Neen hoor. Maar als ik gewoon even naar uw oog mag kijken, kan ik zeggen dat het in orde is.” “Dat het in orde is dat ik eruit zie als een gedrocht bedoel je?” De zenuwachtigheid aan de andere kant neemt verder toe. “Neen, neen, natuurlijk niet. Het is vreselijk wat u overkomen is.” Ik moet al niets meer hebben van haar medeleven en sta op het punt om recht te staan en gewoon naar buiten te wandelen. Alleen blijft bij mij als verantwoordelijke huisvader die dreiging van het wegvallen van die uitkering door mijn hoofd spoken. Dus flap ik eruit: “Als ik het niet doe, verlies ik dan mijn uitkering?” Nu glimlacht ze, de paramedicus: “Neen, natuurlijk niet, mijnheer Hoskens. Het zou het alleen voor mij wat gemakkelijker maken.” Ondertussen wil ik alleen nog maar zo snel mogelijk weg hier. Ik doe mijn bril af. Laat haar enkele seconden met half open mond naar mijn mismaakt gezicht kijken en stap het af.

Twee maanden later, op 12 september 2019, is het weer van dat. Deze keer word ik de facto ontvangen door een echte dokter. Ik vermoed toch dat hij tot de orde der geneesheren behoort want echt gezond ziet hij er niet uit. Hij hangt achterover geleund in zijn stoel met zijn dikke pens recht omhoog. Wanneer ik binnen kom, en tegenover hem aan zijn bureau ga zitten, heft hij traag zijn rechterarm op en laat hem even bengelen boven een naambordje. Met zijn mollige vingers wriemelt hij als een spinnetje boven de letters. Zonder mij ook maar één blik waardig te gunnen, zegt hij: “Dat ben ik.” Jammer genoeg heb ik geen visitekaartje bij. Anders had ik hem de hoffelijke dienst terug kunnen bewijzen. Het verdere verloop van het gesprek verloopt dan ook bijzonder stroef. Bovendien word ik opnieuw gevraagd om te zeggen wat er allemaal gebeurd is. Ik heb geen zin om weer als een brave jongen het ganse verhaal te brengen en vraag dat zij dat toch zelf moeten weten, zij zijn toch mijn ziekenkas? Zij zien toch al die medische behandelingen passeren? Het gezapige en medisch geijkte, je moet er zeven jaar voor studeren, antwoord van de kleffe man luidt dat zij omwille van de privacy geen toegang hebben tot mijn medisch dossier. Waarop ik me afvraag wat ik daar dan zit te doen. Ik antwoord hem dat de overheid en heel de medische sector mijn privacy in hun gat mogen steken. Dat ik het kotsbeu ben om telkens als een aapje gevraagd te worden mijn kunstje op te voeren. Dat ik, als burger en als patiënt, meer professionalisme verwacht van al die duurbetaalde mensen. Nu begint hij al te kijken maar uit zijn blik blijkt dat het hem geen kloten kan schelen wat ik wel of niet verwacht. Zijn dikke buik gaat op en neer op het hortende ritme van zijn ademhaling. Om mijn weerstand te breken, begint hij luidop voor te lezen wat hij in de verte op zijn scherm ziet verschijnen. En het lukt. Want het gaat over mijn verhaal. Mijn leven. Wie kan aanvaarden dat anderen zo maar je eigen leven toe-eigenen zonder ook maar enige erkenning van je eigen persoon? Niemand. Of ik toch niet. Dus begin ik, na eerst enkel wat affirmatief te reageren, hier en daar een anecdote toe te voegen aan het verhaal. Om op die manier er terug mijn leven van te maken; om mijn leven terug op te eisen voor mij. Ik ben nog altijd niet dood, of wel soms? Op het einde neemt de papzak korzelig afscheid van me. Niet dat het me stoort, maar zelfs een handje kan er niet vanaf. Besmettingsgevaar gaat veel verder dan bacteriën of virussen. Ook sociale kloven verhinderen bepaalde vormen van contact. Er zijn de verkozenen en de verdoemden. Ge moet gewoon weten tot welke klasse van mensen je behoort.

De derde keer, op 24 october 2019, blijkt er een fout gebeurd te zijn in het systeem. Het was niet de bedoeling dat ik nu al terug kwam, zo wordt mij gezegd. Tot mijn opluchting duurt het dan ook maar zo’n vijf minuten. Dat ik voordien zo’n 20 minuten heb moeten wachten, pak ik er maar bij. Je moet er maar wat voor over hebben voor al die financiële steun van de overheid die je zelf al gans jouw loopbaan via de maandelijkse bijdragen aan de sociale zekerheid zo hard gesponsord hebt.

De vierde keer, op 19 februari 2020, schakelen ze bij het ziekenfonds een versnelling hoger. Deze keer word ik gevraagd een volledige update van mijn medisch dossier aan hen te bezorgen. Misschien dat mijn geklaag over het gebrek aan professionalisme dan toch enige impact gehad heeft? Dat ze gedacht hebben als we toch geen toegang hebben tot dat medisch dossier in de systemen en dat hij dat niet te doen vindt, laat hem dan maar een hard copy mee brengen? Op die manier slaan we twee vliegen in één klap: wij hebben wat we nodig hebben en hij kan niet meer klagen dat we niet professioneel bezig zijn? Het overhandigen van het dossier maakt het vierde gesprek wel een stuk draaglijker. Terloops deel ik als teken van goede wil nog mee dat ik probeer mijn werk te hervatten, dat ik ondertussen al halftijds terug werk en dat het mijn bedoeling is om vanaf april vier vijfde te gaan werken. Felicitaties van de jury krijg ik wel niet. Ik moet het met wat geknor stellen.

De voorlaatste keer, op 15 mei 2020, verloopt het contact omwille van Corona voor de eerste maal telefonisch. Geen dikke pensen en mollige vingers meer. Mij komt het goed uit. Want komt het door het verlies van mijn linkeroog waardoor mijn gezichtsveld toch wel wat ingeperkt is, maar ik heb thuis twee weken daarvoor bij een val in de tuin mijn rechtervoet én -elleboog gebroken en ben dus volledig immobiel, op een rolstoel op het gelijkvloers thuis na. En misschien is het door het ingeleverde medische dossier, maar de toon van de contacten is ondertussen wel veranderd. Zo is het dreigement van het wegvallen van de uitkering in de SMS’en zelf weggevallen. In de plaats daarvan verschijnen er plots ‘vriendelijke groeten’ op mijn scherm. Aan de telefoon begint zelfs mijn vadsige controle-arts vriendelijk te worden. Alleen moet ik hem de laatste keer, op 22 december 2020, teleurstellen over de evolutie van het ziektebeeld. Wanneer ik hem vertel over de uitzaaiingen naar de hersenen en de bestralingen van mijn ganse hersenpan duurt het gesprek nog korter dan anders, hij wenst me nog veel sterkte toe en laat me al gauw terug alleen met de hotdog van Würst die ik net op het Mathieu De Layensplein aan het verorberen ben.

Ondertussen werd ik tijdens de ganse helse periode vanaf eind 2018 tot eind 2020 thuis via de post plat gebombardeerd met brieven van het OZ over administratieve en andere aangelegenheden. Administratie en andere aangelegenheden waarin ik al die tijd verzuip. Van digitalisering hebben ze duidelijk nog nooit gehoord. Een half regenwoud moet eraan geloven enkel en alleen om mij te bereiken. Zo ontdek ik pas na verloop van tijd dat het dreigement om mijn uitkering op te schorten stilzwijgend en achter mijn rug toch uitgevoerd is. Niet omwille van een niet-verschijning bij een controle-arts maar omdat iemand zoals ik, na één jaar ziekteverlof, of je nu halftijds werkt of niet, blijkbaar van statuut verandert en vanaf dan onder de door de profiteurs zo begeerde beroepscategorie van de ‘invaliden’ valt en volledig apart officieel steun moet aanvragen. Logisch toch, niet? En een mens zoals ik heeft toch niets beters te doen. Dankzij de inkomensverzekering van mijn werk had ik het euvel gemist, maar mijn ziekenfonds, mijn royaal gesubsidieerd steunfonds, die mensen die eigenlijk leven van de diensten die ze aan mij, de toekomstige aflijvige, moeten bewijzen, betaalde zonder enige scrupules al negen maanden lang geen enkele uitkering meer uit. En toen ik hen eindelijk wist te zeggen dat ik dit toch wel een beetje grof vond, werd ik fijntjes verwezen naar een brief die ze een jaar daarvoor gestuurd hadden maar ondertussen bij mij thuis verdwenen was in de stapel van overige brieven. Dat dit qua dienstverlening niet helemaal koosjer was, beseften ze blijkbaar zelf ook wel. Na het voor de zoveelste keer opsturen van de nodige documenten plus nog enkele belastingaangiften, waarschijnlijk om te bewijzen dat ik toch wel degelijk enkele bijdragen aan onze sociale welvaartsstaat geleverd had tijdens mijn inmiddels gefnuikte loopbaan, werd het haastig in orde gebracht.

En voor diegenen die nu al beginnen te zuchten dat het weeral over geld moet gaan, over geld gesproken: het toppunt van wansmaak dat ik heb mogen ervaren van mijn ziekenfonds was het volgende incident. Tijdens een van de zeldzame telefonische contacten had ik het niet kunnen laten om de naam van Hartenkoningin en Gasthuisberg te laten vallen en kort te vertellen wat er allemaal fout gedaan was door hen. Sindsdien was de stroom aan papieren documenten nog verder toegenomen want ineens kregen ze in de mot bij het OZ dat ze misschien zelf ook geld gingen kunnen recupereren van Gasthuisberg en co. De omgekeerde wereld van onze welvaartsstaat: ik, het slachtoffer, die volledig aan zijn lot overgelaten word, die zelfs niet eens als medisch slachtoffer erkend word, thuis als een oude hond, als een stukske stront, helemaal alleen moet creperen in een hoekske, zelf helemaal geen enkel uitzicht heeft, nul, op welke financiële compensatie dan ook voor het geleden leed of gewoon voor mijn nazaten, mijn gezinsleden die zonder mij voort gaan moeten met hun eigen leven, ik, ik word verwacht dat ziekenfonds te helpen bij het recupereren van hun centen. Om het helemaal af te maken, vindt het incident plaats op een winterse ochtend net wanneer ik met de auto vertrek naar het UZ Gent, samen met Tin, voor de resultaten van een van die gruwelijke driemaandelijkse follow-up scans, overtuigd dat er een uurtje later bijzonder slecht nieuws gaat volgen, dat mijn levensduur verder gereduceerd zal worden tot hoogstens enkele maanden. Net op dat moment ontvang ik in mijn auto een telefoon van een medewerker van de dienst Operations van het OZ. “Hallo, met Patrick Hoskens?” “Dag, mijnheer Hoskens, u spreekt met Els Delaet van het OZ. Sorry dat ik u stoor, maar we zouden graag informatie van u willen krijgen om een terugvordering te kunnen indienen bij Gasthuisberg.” Deze keer, in deze afschuwelijke omstandigheden, ik kan zelfs nauwelijks spreken met Tin, zo zwart en donker is mijn gemoed op dit moment, wordt het mij allemaal even teveel en ik vlieg woest uit naar de vrouw aan de andere kant van de lijn. “Bent u niet beschaamd dat u iemand zoals mij lastig valt met uwen zever? Begrijpt u eigenlijk wel dat u met iemand spreekt die door jullie en heel dat systeem hier totaal in de steek gelaten wordt? Ik ben verplicht om een heuse rechtszaak op te starten om ook maar enige erkenning te krijgen? Om een financiële compensatie voor mijn vrouw en kinderen op te eisen? En ik word verondersteld jullie te helpen bij het terug krijgen van jullie centen? Zijn jullie zot geworden of zo?” Het blijft nu even stil aan de andere kant van de lijn. Dan probeert de stem aarzelend: “En het Fonds voor Medische Ongevallen? Hebt u daar al eens gepolst? Misschien hebt u daarvan een dossiernummer dat…” Ik onderbreek haar ruw: “Stop met die hypocrisie! Dat vreselijke doen alsof! Dat fonds trekt op geen kloten. En dat weet u net zo goed als ik. Of hebt u, u net van alle mensen hier in dit land, soms die ene Panoreportage van een maand of twee geleden gemist?” “Ja, ik weet het, het werkt niet ideaal…”“Niet ideaal? Niet ideaal? Dat is de understatement van het jaar, denk ik. Het werkt niet, bedoelt u? Want het doet gewoon niets, buiten mee helpen aan het door medische ‘specialisten’ systematisch toedekken van hun eigen fouten, of nog erger soms, zoals pure nalatigheden, wandaden eigenlijk? Het trekt gewoon op niets hoe dat die geneesheren en -dames in dit land met hun eigen slachtoffers omspringen. Hoe ze voor zichzelf een vrijgeleide hebben weten te creëren voor alles wat ze zelf verkeerd doen en ondertussen de slachtoffers ervan totaal in de steek laten. Ik zeg u, als ik tot het medisch beroep zou behoren, ik zou me dood schamen voor al die verwerpelijke praktijken. Trouwens, breek mij mijn mond niet open of ik begin hier subiet over jullie, mijn fantastisch ziekenfonds. Amai, wat een steun dat jullie al voor mij geweest zijn! Echt schitterend wat jullie allemaal al voor mij gedaan hebben. Ik zou niet weten wat ik allemaal zonder jullie gedaan zou hebben!” “Sorry, mijnheer Hoskens, maar u begrijpt toch dat we iets meer gegevens nodig hebben om een dossier op te starten.” “Ja, dat begrijp ik. En ik begrijp ook dat dat dossier voor u belangrijk is. Dus luistert: neemt u zelf maar contact op met die collega’s van u uit de gezondheidszorg, die perfecte en zo gedienstige mensen van Gasthuisberg en vraagt u hen maar om het even wat u nodig hebt in het kader van mijn dossier. Ik geef u mijn toestemming. Mijn privacy kan mij gestolen worden. Integendeel zelfs, ik wil dat iedereen weet wat er met mij gebeurd is. Dus doet u maar gerust.” “Ah, ok, mijnheer Hoskens, dan zal ik dat eens proberen.” “Goed. Dag dan.” Ik druk snel af en kijk moe getergd, volledig uitgeput naar Tin. “Goed gezegd, sjoe,” zegt ze, “wat denken die wel, zeg?”

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Eén gedachte over “Mijn fantastisch ziekenfonds”

Geef een reactie op Chris Verbist Reactie annuleren