De Vliegende Vlaming

Fietsen. En nog eens fietsen. Meer heeft een mens niet nodig. Nadat het zwemmen maar niet het beoogde resultaat opleverde – een gevoel van terug samen te vallen met mijn lichaam, één te zijn, en niet langer die gespletenheid met dat onbetrouwbaar fysiek omhulsel te moeten verdragen – proberen we het een keer met fietsen, doodgewoon fietsen, en deze keer is het wel raak. Al tijdens de eerste fietstocht, van Kortenberg naar Brussel, over de nieuwe fietsersbrug te Diegem, voel ik me als herboren. De rest van de dag kan ik terug functioneren alsof er – bijna – niets gebeurd is. Ik crash zelfs niet na de middag. En ook het gevoel van verdwazing dat toch meestal aanwezig is in mijn hoofd verdwijnt met de noorderzon. Als we enkele dagen nadien ook nog eens naar Leuven fietsen, door Bertembos, en daarna langs het machtige Gasthuisberg, dat arrogante monster van een ziekenhuis dat daar op de berg ligt te slapen, wachtend op het zoveelste medische slachtoffer, ervaar ik opnieuw de bevrijdende kracht van het fietsen. We vliegen er schampend met de fiets langszij.

Zijn het mijn Vlaamse genen, die niet alleen blijkbaar kanker, maar ook Flandriens kunnen voortbrengen? Of is het de nostalgie van mijn onbezorgde kindertijd? Toen het fietsen naar de buren met mijn kinderfiets de start van mijn eigen zelfstandigheid betekende? En ik later telkens genoot van de herwonnen vrijheid bij het naar huis fietsen na de school? Weer of geen weer? Of is het niets van dit alles maar gewoon het oergeheugen van mijn lichaam dat in gang schiet door de eenvoudige mechanische bewegingen ? Het lichaam als opslagruimte van al onze ervaringen? Als bron van wie of wat we zijn? Als allesbepalend vehikel? Het omhulsel dat alles samen en vast houdt? Wat het ook is, de impact op mijn algemeen welgevoelen is gigantisch. Het verschil met het zwemmen rechtevenredig groot. Als ik eindelijk van mijn fiets afstap hoor ik de Armstrong in mij zeggen: “Het is een kleine stap voor de mensheid, maar een gigantische stap voor Patrick Hoskens.”

Ondertussen ben ik begonnen aan het dagboek van Matthieu Galey, een literair criticus die zijn hele leven zelf een groot literair meesterwerk wilde schrijven, daar nooit in geslaagd is, maar postuum bekend geworden is met zijn bijzonder scherpe schrijfsels over de literaire wereld van Parijs in de jaren ‘50 tot en met ‘80. Het is een fantastisch boek. Het leest als een trein. Alleen wordt het voor mij, als niet-franstalige, een boemeltrein want ik moet voortdurend dingen en mensen waar ik nog nooit van gehoord heb opzoeken op het internet. Maar het is zo mooi geschreven dat het mij niet veel moeite kost. Bovendien kom ik al snel tot enkele voor mij verrassende vaststellingen:

1. Wat een incestueus, benepen, m’as-tu-vu wereldje was (of is?) dat literaire milieu in Parijs toch. Zou dat hier in ons zo behoudsgezind Vlaanderenland ook zo zijn? Ik zie nu alvast pas in wat voor een zielige, onwezenlijk pathetische pogingen dat van mij waren toen ik de afgelopen jaren probeerde een boek gepubliceerd te krijgen door gewoon een manuscript te sturen naar zo’n beetje alle uitgevers. Het verklaart ook ineens waarom al die BV’s voorrang krijgen als het over het publiceren van boeken gaat. Het ganse wereldje leeft van holle imago’s en notoire reputaties. Inhoud is het laatste wat telt in hun enge vrije markt. Daar stond ik dan langs de kant van de weg, onbekend en onbemind, te wuiven met mijn maatschappelijk relevante boeken. Die uitgevers of editoren hebben zich ziek gelachen met al mijn doorleefde schrijfsels. Als ze het al gelezen hebben.

2. Galey zelf was een toffe ket. Homosexueel, anti-nationalistisch, anti-extreem-rechts, links eigenlijk maar hij wilde het niet zo zwart-wit gesteld hebben. Of misschien klopt die gematigheid wel en was hij 1) gewoon begaan met andere mensen en 2) geloofde hij niet in militaristische oplossingen voor politieke conflicten. Anderzijds schrijft hij onomwonden, na de vaststelling hoezeer de aristocratische en de fils-à-papa connecties tweehonderd jaar na de Franse revolutie nog steeds het maatschappelijk weefsel bepalen: “Je zou voor minder communist worden.” Een wel heel beladen conclusie in die warme jaren ‘50, vlak voor de echte koude oorlog losbarstte.

3. Want in Frankrijk waren dat toen ook al heel spannende tijden, die jaren ‘50. De opkomst van extreemrechts tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd. De overgang van vierde naar vijfde republiek vooral gekenmerkt door een grote toename aan macht van de president, op dat moment Charles de Gaulle, even nadien zelf het voorwerp van een mislukte moordaanslag. Er werden toen zelfs nog boeken verboden in dat nieuwe Frankrijk. Amper een halve eeuw geleden. Kun je je dat nog voorstellen?

4. Ook onverwachts, het aantal Franse schrijvers die met de nazis gecollaboreerd hebben. Iedereen is altijd maar bezig over dat genie Louis-Ferdinand Céline maar de lijst is eindeloos: Morand, Jouhandeau, Abellio, Chardonne, Bonnard,… Een zoveelste bewijs dat die afschuwelijke ideologie, verantwoordelijk voor zovele doden, wel degelijk maatschappelijk breed gedragen werd. En niet alleen in Duitsland dus. Zou dat bij ons ook zo geweest zijn? Een deel van de Vlaamse intelligentsia die meeging in de Zwarte Leugen, de anonieme andere verantwoordelijk stelde voor alles en het failliet van de staat luidkeels verkondigde? Als het zelfs in deze 21ste eeuw niet zo bekend in de oren zou klinken zouden we volmondig neen antwoorden.

5. Deels ook omdat zijn vader filmregisseur was en zijn moeder van rijke afkomst is het in dit conservatieve, welgestelde maar ook kunstzinnige milieu dat Galey zich in de jaren na de oorlog van kindsbeen af beweegt. Tegelijk is het dagboek van Galey, net door de directheid van de taal, in zekere zin, een eerherstel voor sommige van deze figuren. Dit geldt vooral voor de humeurige Jacques Chardonne. Op wat mysogine trekjes na is het een fascinerend figuur. Met een gevatte, scherpe tong dat wel. Ook allesbehalve bekrompen. Zo houdt zijn genegen, liefdevolle relatie met Galey stand na de ontdekking van diens homosexualteit. Zijn splijtende oneliners verdienen het om geciteerd te worden. Mijn favoriet tot nu toe is: “Sauf la souffrance physique, tout est imaginaire.”

Op de terugweg beslissen we de fietssnelweg F3 richting Brussel te nemen, via Herent en Veltem-Beisem. Kwestie van niet opnieuw langs het veelkoppige monster op de berg te moeten passeren. Nu aan een veel te traag tempo want deze keer bergopwaarts en we zijn niet allemaal Remco Evenepoels. Ook is het aan een dergelijke slakkengang absoluut te vermijden om te passeren langs de vele schimmen van al die miskende medische slachtoffers, die daar ‘s avonds en ‘s nachts radeloos rondwaren, op zoek naar enige erkenning in de hoop zo eindelijk wat rust te vinden. Want in tegenstelling tot die Hollanders die alles efficient en doelgericht aanpakken en ineens een gans schip voorzien om al die verloren zielen op te pikken, zal het hier weer de individuele burger zijn die zijn plan moet trekken. En in tegenstelling tot die mysterieuze boot die onder Nederlandse vlag met klinkende bel de wereldzeeën afvaart zijn onze fietsen veel te klein om ze allemaal mee te nemen. Hooguit eentje kan op het bagagerek van Tin plaats nemen. Mijn aftandse mountainbike is zelfs daar niet van voorzien. Misschien dat er nog eentje op mijn dwarsstang plaats kan nemen. De rest zullen we wanhopig achter moeten laten. Dat er nog een goede oude Suske&Wiske alliteratie bovenop komt is alleen maar mooi meegenomen. Maar hoeveel weegt dat, zo’n aan zijn of haar lot overgelaten en luguber spook?

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Eén gedachte over “De Vliegende Vlaming”

Geef een reactie op Chris Verbist Reactie annuleren