Het is opnieuw keidruk op de dienst medische oncologie van het UZGent. Door de verlofdag op 1 mei was gisteren zelfs een dag met 60 patiënten op een afdeling waar in principe voor maximum 30 mensen plaats is, zo wordt mij gezegd. Het leidde tot tweepersoonskamers met drie patiënten in, 1 op een bed, 2 rechtopzittend in een zetel, elk met een infuus in de arm of een poortkatheder in de borst. De jarenlange besparingen wegen in deze inflatoire post-corona oorlogsjaren nog meer door. Ze hebben geen tijd meer om wat te praten met de patiënten, zeggen de verpleegsters. Het warme middagmaal voor de daghospitaalpatiënten is daardoor ook niet langer mogelijk. Het was niet langer doenbaar voor de al overbelaste verpleging om elke individuele maaltijd in de microgolf te steken. Zelfs de fles water die in 2019 nog aangeboden werd aan de chemopatiënten, kwestie van de smeerlapperij zo snel als mogelijk via de nieren weg te spoelen, is weggevallen. Mijn grote vrees echter voor meerdere injectienaalden blijkt nogmaals ongegrond. Voor de vierde keer op rij lukt het drie dagen lang met één- en hetzelfde infuus.
Niet dat het voor de rest allemaal even vlot verloopt. Misschien is het door de vier weken die er nu telkens tussen de chemosessies zitten in plaats van de oorspronkelijke drie, maar het wordt mentaal ondraaglijk zwaar om terug te keren naar de kliniek goed wetende wat er gaat gebeuren. Waaraan je je weeral kan verwachten: het ellendige zombie-bestaan van een chronisch vermoeide chemopatiënt, volledig onthecht van de wereld rondom en innerlijk verward. Omdat je na drie weken maar een beetje uit het dal begint te kruipen terwijl je je na vier weken effectief beter en sterker begint te voelen. Net wanneer je terug rechtop begint te lopen is er opnieuw die chemische mokerslag.
In de aanloop van de nieuwe driedaagse kuur begint een bijzonder sombere stemming mijn gemoed dan ook te overheersen. Wanneer Victor me vraagt of ik het nog zie zitten om op dinsdag vlak voor de start van de kuur nog even langs te komen luidt mijn antwoord: “Absoluut, goed idee zelfs. Hopelijk leidt het me een beetje af want ik zit alleen nog maar met stront in mijn kop.” Op dat moment enkel maar figuurlijk bedoeld. De dag daarop de facto. Want al op de eerste dag, de woensdag, crash ik op het bed terwijl de etoposide en nadien de carboplaten naar binnen glijden. Als ik na afloop van de sessie opsta zijn daar weer de knikkende knieën en mijn dwaze kop die in nevel gehuld de weg naar beneden probeert te vinden. Op donderdag en vrijdag kan Tin mij gelukkig vergezellen. Als een vuurtoren bezorgt ze me toch nog enige richting door de algemene waas heen.
Maar ondertussen blijven de donkere wolken zich verder opstapelen in mijn hoofd. Zelfs het scrollen op mijn smartphone verloopt aan een snelheid dat het geen naam meer heeft. De ultrakorte twitterberichtjes zijn te lang om te lezen. Al die zever allemaal. Al die lelijke mensen die zitten te kakken op anderen gewoon omdat ze anders zijn dan hen. Andere kleren dragen. Een andere godsdienst hebben. Een andere huidskleur. Al dat gelul over woke. Terwijl het overduidelijk vanuit de rechtse reactionaire hoek is dat er zich een bedreiging vormt voor onze vrijheid van meningsuiting. Want wie cancelt er hier wat eigenlijk? En neen, iemand die racistische uitspraken doet een racist noemen, dat is niet cancellen. Dat noemt men de dingen benoemen. Iets wat absoluut noodzakelijk is als men woorden wilt gebruiken om tot inzicht te komen, vooruit probeert te geraken in plaats van achteruit, zoals een ongelikte beer doet wanneer hij zo maar ineens poneert dat ge iets niet moogt zeggen. Cfr. hier ten lande zelfs, een gedicht van een stadsdichter weigeren omdat ze een kritische reflectie uit over Vlaanderen nadat ze vaststelt hoezeer het beroepsonderwijs hier nog steeds gestigmatiseerd wordt. Want in het ‘vrijgevochten’ en ‘verlicht’ Vlaanderen gebeuren zo’n dingen niet meer, zeker? Of nog meer van de pot gerukt, in de Verenigde Staten van Amerika, prachtige boeken zoals ‘Extremely Loud and Incredibly Close’ van Jonathan Safran Foer of ‘Beloved’ van Toni Morrison verbieden als schoollectuur. Jezus, wat voor een vreselijke cultuurbarbaren zijn die conservatieve klootzakken wel niet zeg?
Door zo’n lompe lelijkheid omgeven vraag ik me meer en meer af wat de zin van dit allemaal is. En niet alleen de zin van het leven maar ook heel concreet, die van mijn behandeling en ook die van mijn eenzaam burgerverzet tegen het almachtige Gasthuisberg dat zich onaantastbaar waant en hierin gesterkt wordt door een multinationale verzekeringsmaatschappij als MS Amlin, lobbygroepen als de elitaire Orde der Geneesheren en een langs alle kanten krakende en kreunende justitie die zelfs de illusie van rechtvaardigheid niet meer in stand kan houden. Vrouwe Justitia heeft in dit land namelijk last van anorexia. Ze kan enkel nog een beetje doen alsof door formalistisch de procedures te volgen zodat op het eerste zicht alvast zij niets fout doet maar de daders zelf voortdurend vrijuit gaan. De slachtoffers worden ondertussen aan hun lot overgelaten. “Trekt uwe plan,” dat vat het zo’n beetje samen, die fameuze rechtsbescherming die wij zouden moeten genieten, wij de burgers van een Westers, welvarend en democratisch land.
En dan is er mijn behandeling. Dat de chemo aanslaat is op zich fantastisch. Als dat niet het geval zou zijn zou dat afschuwelijk zijn. Maar hoe lang gaan we moeten wachten op de volgende uitzaaiing of plots weer snelgroeiende tumor? Hoe lang gaat het goed met mij gaan na de chemo? De ganse zomer? Tot in de herfst? Haal ik Kerst en Nieuwjaar nog rechtopstaand? Gaat die leveroperatie nog wel lukken? En als ze nog lukt gaat ze dan ook de facto ‘lukken’? Kortom, mijn hoofd staat niet stil met vragen en angsten.
Ondertussen vlucht ik meer en meer weg in het verleden. Denk terug aan mijn vrienden toen ik jong was. De zomertijd in de velden rond ons ouderlijk huis. Om dan zelfs tijdens deze herinneringen weer ingehaald te worden door de realiteit. Want plots duikt er een spook van lang geleden op: ‘Titus Andronicus’, het meest bloederige en donkerste theaterstuk van Shakespeare. In tegenstelling tot alle andere stukken van hem is het gespeend van elke vorm van lichtheid. Het gaat over intriges aan het Romeinse keizerlijke hof. Intriges waarbij zoals het hoort de ene keizer de andere elimineert om dan op zijn beurt weer door een andere vermoord en opgevolgd te worden. Dit alles aangevuurd door een meedogenloze moeder die ten koste van alles wraak wil nemen voor de moord op haar oudste zoon. Voor- en tegenstanders maken elkaar voortdurend af. Als het een moderne film was geweest was het een horrorfilm geweest. Ene met afgehakte handen, overgesneden kelen en zelfs een pastei van mensenvlees. Het bloed zou van het scherm spatten. Maar midden in deze totale ellende, of beter gesteld, naar het einde toe, terwijl hij langzaam in de waanzin verglijdt, stelt een bijzonder morose Titus zich de vraag: “When will this fearful slumber have an end?” Dat kon hij wel, onze Willy, met één zin even de gruwel van het menselijk bestaan duidelijk maken. Waar dat Risjaar Modderfokker Den Derde afkwam met zijn gevleugelde woorden “Mijn koninkrijk voor een paard” spreekt Titus Andronicus, zelf helemaal onder het bloed, deze donkere vloek over de mensheid uit.
Ik zou het niet geweten hebben zonder de toenmalige BBC die toen ik nog een puber was in Turnhout tijdens het weekend, na de heruitzendingen van de laatste snookermatchen, ‘s nachts integrale stukken van Shakespeare uitzond. Niet vermomd als film. Maar gewoon de camera op de bühne vlak bij de acteurs. Een beetje zoals ‘Dogville’ van Lars Von Trier, maar dan nog simpeler van opzet. Zelfs de kleren waren eenvoudig van snit. Enkel wat felgekleurd. Zodat je de Witte Rozen van de Rode kon onderscheiden. Alle eer ging naar de tekst en niets anders. Fantastisch om te zien en te horen. Regelmatig reed ik vroeger dan normaal van ons stamcafé de Wirwar met de fiets naar huis om er niets van te missen. Toendertijd was ik zozeer onder de indruk van de uitspraak van Titus dat ik hem zelfs heb laten etsen op een metalen plaatje dat ik nadien met lijm vasthechtte aan mijn zippoaansteker. Het was mijn naïeve manier om een statement te maken. Het tot mijn levensmotto uit te roepen. Ze leek perfect te passen bij mijn toenmalige zwartgallige beleving van de adolescentie. Als jonge gast geconfronteerd met existentiële vragen als ‘wie ben ik?’, ‘wat ben ik?’, ‘wat ga ik doen met mijn leven?’, ‘waar ga ik binnen 10 jaar zijn?’, leek enkel de bestaansonzekerheid van een mens van belang. Nu valt me plots op hoezeer deze nefaste en lugubere vraagstelling echt van toepassing is geworden op mijn leven. Maar het zijn niet langer puberale onzekerheden die mij deze onsterfelijke woorden na al deze jaren opnieuw influisteren. Nu is het bittere realiteit geworden. Met mijn suffe kop en knikkende knieën kan ik me alleen nog maar meer inleven in de dwaze sluimertoestand waar Titus het over heeft. Angsten inbegrepen.
