
Eindelijk is het zo ver. Na 5 maanden en 6 chemosessies van telkens 3 dagen kom ik aan het einde van mijn tweede chemokuur. De vorige was al van 2019 geleden en toch was het zwaarder dan toen. Toch want “toch bijna vier jaar geleden” verklaarde mijn oncologe. “Dat is al lang geleden. Jouw lichaam zou ondertussen toch een beetje moeten bekomen zijn,” stelde ze.
Maar dat de laatste loodjes het zwaarst wegen geldt ook voor chemo. Alhoewel dat het de laatste keren telkens gelukt was met 1 infuus de drie dagen te doorspartelen is ook dit sprookje ditmaal om zeep. Op woensdag wordt er één geplaatst in mijn linkeronderarm. De oudere verpleegster is wel zo eerlijk om na een beetje aftasten van mijn armen het zelf niet te proberen en vraagt een collega afkomstig van de pijnklinkiek, met veel ervaring in het zetten van spuiten, om het voor haar te doen. Maar als de sessie afgelopen is duwt de oudere ongeduldig zo veel spoelmiddel zo krachtig door het infuus dat de ader scheurt en er een heuse pijnscheut volgt die mij even rechtop doet zitten. Op de tweede dag wordt er wijselijk gekozen voor de rechteronderarm. De linkerarm begint na het incident van gisteren al lichtjes ontstoken te raken. Er is een vreemde rode vlek zichtbaar geworden onder mijn huid. Misschien is een beetje etoposide door de aderwand geraakt. Dat spul is zo corrosief dat het zich gewoonweg door lichaamsweefsel heen brandt als het de kans krijgt. Maar ook deze infuus functioneert niet meer de volgende dag. Dan gaan we voor de bovenkant van mijn linkerhand. Ook een pijnlijke plek met al die handbeentjes die daar zitten, maar ik wil gewoon dat het afgelopen is. Het heeft allemaal weer al lang genoeg geduurd.
Het weekend nadien wordt Antwerpen kampioen. Ik kijk naar de beelden van feestende supporters op TV. Ik moet automatisch terug denken aan het seizoen dat FC Turnhout kampioen werd in Derde Klasse B. In 1990. Per toeval hadden ik en mijn broer bijna het ganse seizoen alle matchen gevolgd. Thuis en uit. Zelfs naar Patro Eisden reden we met de auto. Of naar Tubize, als ik me goed herinner. Ik herinner me hoezeer het kampioenenfeest na een heel jaar gespannen afwachten toen een ongelooflijke ontlading met zich mee bracht. Een zalig, warm gevoel van geluk en een nooit eerder gevoelde connectie met mijn heimat. Die zwarte moddervennen waren plots niet alleen meer mijn geboortegrond maar ook die van al die andere verstotenen die er rond leefden. Op dat moment, op die ene dag, kon niets meer stuk. Het is een van de mooiste herinneringen van mijn jeugd. Wat een volksfeest moet dat daar dan niet geven in Antwerpen. Jammer dat het gebeurt onder de heerschappij van Bartje den Eerste, Keizer van Antwerpen, en dat de Antwerpenaren niet zien dat de man al de ganse tijd naakt rondloopt. Of niet willen zien. Mijn favoriete speler van Turnhout was Luc De Rijck, een bonk van een vent, bijna twee meter groot, enorm gespierd én spits. Als hij begon te lopen met de bal aan de voet kon niemand hem volgen. Een Lukaku avant la lettre quoi. Blank nog wel in die tijd toen alles in de Kempen nog eenvoudig zwart-wit was. En een heel dun, fijn snorretje in plaats van dat baardje. Een jaar later zou hij sterven na een misgelopen bloeddopingsessie in het kabinet van de clubarts. Iets van bloed dat te snel terug binnen gepompt werd. Waardoor er een luchtbel terecht kwam in zijn bloedvaten. Na 19 jaar proces voeren heeft zijn rechtstreekse familie een goede 53,000 euro bekomen van de fabrikant van de bloedmachine als schadeloosstelling. 53,000 euro! Na 19 jaar proces voeren! En oh ja, bijna vergeten, na 2 jaar, ooit lukte dat blijkbaar nog, een proces voeren op 2 jaar tijd, kreeg de arts een boete van 20,000 Belgische frank. 500 euro voor de jongeren onder ons. Hoe belachelijk allemaal. Zelfs toen al.
De week daaropvolgend slaat de vermoeidheid weer ongenadig hard toe. Dan lig ik in de zetel beneden. Dan weer in het bed boven. Mijn slaapritme is alvast weer volledig verstoord. En niet alleen dat werkt niet meer zo goed. Bij het opstaan uit bed moet ik me vasthouden aan de deurstijl om niet tegen de vlakte te slaan. De vraag die zich opdringt is of dat door de chemo komt of afkomstig is van de gezwellen in mijn kleine hersenen. Herhaaldelijk al hebben ze mij gewaarschuwd dat daar zich het cerebrale evenwichtscentrum zit. Beginnen wankelen zou dan ook één van de eerste onheilspellende tekenen zijn.
Ondertussen begint het weer eindelijk wat beterschap te vertonen. Na de druilige en overdreven frisse lente tot nu toe doet het deugd om terug wat zon te zien en de warmte van het licht te voelen. Ondertussen sleep ik me letterlijk van onderzoek naar onderzoek. Zo word ik al op dinsdag 6 juni terug verwacht in het UZGent voor een hartonderzoek. Uit de echoscan blijkt echter tot mijn verrassing dat ondanks alles wat mijn lichaam al heeft moeten ondergaan sinds 2019 er zich geen enkele substantiële wijziging voorgedaan heeft. Die ene klep lekt nog altijd maar niet meer dan vroeger. En voor de rest is alles ok. Niet dat dat zo veel voorstelt. Ik herinner me nog hoe mijn vader na een hersenbloeding op zijn sterfbed lag en de witgeschelpte specialist niets anders wist te zeggen dan dat het nog even ging duren want dat hij een “sterk hart had.” Even later begon zijn hartslag op te lopen en effectief enkele minuten nadat hij de 150 slagen gepasseerd had en vlot opliep richting 180 en meer ontplofte de ganse boel en was het afgelopen. We hoorden via de monitor zijn hart letterlijk ineenklappen.
Op donderdag 8 juni, twee dagen later, wacht me al een nieuwe CT-scan. Voor de zoveelste keer moet ik de 140 kilometer afleggen van Kortenberg naar Gent terwijl het machtige Gasthuisberg zich op 7 kilometer van mijn huis bevindt. Het doet me denken aan die smeerlappen van Gasthuisberg die het voor het menselijk organisme ‘niet-neutrale’ gebruik van scans durven in te roepen als rechtvaardiging voor het niet afnemen van een CT-scan in 2018, vijf jaar geleden, door Ilse Mombaerts. Hoeveel van die scans heeft mijn lichaam ondertussen al niet te verduren gekregen door de grove nalatigheden begaan door haar? Eén scan in 2018 versus letterlijk tientallen in de jaren nadien. Wat zouden jullie kiezen? En niet alleen CT’s. Ook MRI’s. PET’s. De ganse santeboetik. En dan daar bovenop nog eens al de overige ellende. Hypocriete en achterbakse whitewashers, dat zijn het. Dat ze nog maar eens semi-devoot naar de Matthäuspassion van Bach gaan luisteren in hun pompeuze avondkledij in een of andere gewijde kerk. Misschien dat er zelfs nog wat biechtstoelen staan om hun schijnheilige zielen te redden. ‘Seht wohin? Auf unsre Schuld!’
Tot overmaat van ramp hebben ze nu voor de CT-scan op enkele minuten tijd en zelfs niet verspreid over drie dagen zoals de week daarvoor drie infuzen nodig. De eerste verpleegster gaat ruw en ongeduldig te werk. De eerste spuit plaatst ze zonder dralen in de rechterpols. Nu moet je weten dat de pols de pijnlijkste plaats is in de armen. Omdat dat allemaal vel over been en gewricht is en de spuit letterlijk daarover schuurt. De verpleegster gaat hierbij echter zo hevig te werk dat ze door de moeizaam bevochten ader heen prikt. De tweede plaatst ze al even resoluut in de bovenkant van mijn rechterhand, tweede pijnlijkste plek, want allemaal handbeentjes met daartussen een beetje plooihuid. In al haar haast plaatst ze echter de infuus in een veel te klein bloedvatje waardoor op het moment dat de contrastvloeistof toegediend wordt ik voor de eerste keer tijdens een scan pijn ervaar. Ondertussen krijg ik het verwijt dat ik wat te gespannen ben naar mijn hoofd geslingerd. Gelukkig kan ze het zelf niet langer aan en laat ze zich vervangen door een andere verpleegster. Als ze mijn toegetakelde rechterarm ziet opteert ze voor de bovenkant van mijn linkerhand en plaatst het infuus goed van de eerste keer. Derde keer goede keer, zullen we maar zeggen.
De dag daarop, op vrijdag 9 juni, begin ik een geleidelijk toenemende bijtende pijn te voelen diep vanbinnen aan de achterkant van mijn bekken. De pijn komt letterlijk vanuit het bot zelf. Net zo tergend traag voelt de pijn aan. Ik besef onmiddellijk dat die ene spuit om extra witte bloedlichaampjes aan te maken die ik een dag na de chemo telkens moest zetten hier de grote boosdoener is. Het bizarre is dat ik enkel helemaal in het begin van de chemosessies er last van gehad heb. Van die witte-bloedlichaampjes-spuit bedoel ik. En nu is het ook nog eens veel intenser en heviger. Ik moet gaan liggen maar kan niet blijven liggen. Ik sta terug op en wandel wat rond in het huis maar ik kan niet blijven rond wandelen. Telkens wanneer ik even stilsta of stil zit komt de pijn terug op. Uiteindelijk ben ik gedwongen om enkele ibuprofens te nemen om het gewoon een beetje draaglijk te houden.
Ondertussen sjokt de zombie in mij verder voort. Plots wordt op de radio een metalnummer gespeeld uit mid-jaren ‘90: ‘More human than human’ van White Zombie. Misschien is het door de groepsnaam waarmee ik me op dat moment zo goed kan identificeren maar het nummer roept oude geesten op. Wanneer het afgelopen is zoek het ik nog eens op op Spotify waar tegenwoordig ook dikwijls lyrics verschijnen. Zo ontdek ik dat de zanger op een bepaald moment zelfs ‘Read the fucking lies’ zingt. Over identificatie gesproken. In een flits zie ik me terug aan de keukentafel zitten met al de verschillende documenten van het Spiegelpaleis waarmee ik, het slachtoffer, de afgelopen jaren geconfronteerd ben geweest. Tussen de vele behandelingen door. Telkens op zoek naar een beetje rechtvaardigheid en menselijkheid in dat naar eer en geweten gezegend verklaard koeterwaals van die advocaten of zogenaamde medische specialisten. ‘More human than human’, dat kan ik ondertussen ook wel stellen als ik kijk naar de gore smeerlapperij die onze maatschappij, onze veronderstelde rechtsstaat, tolereert. Ik heb trouwens vroeger lang verstaan ‘More human than you men.’ En als op het einde de zanger zelfs uitroept ‘I want more life fucker, I ain’t done’ sla ik helemaal tilt. De kreet maakt de levenslust in mij terug wakker. Aangespoord door de muziek en lekker verdoofd van de ibuprofens beslis ik nog wat voort te waggelen in die richting om daar dan ergens tegen de grond te slagen.
