Op deze kortste dag van het jaar des Heren 2018 kom ik om kwart voor 8 in de vroege ochtend aan in het Sint-Lucas ziekenhuis in het centrum van de stad. Dat Gentse mobiliteitsplan lijkt mij al enorm mee te vallen. Na alle verhalen in de pers deed ik in mijn broek om zo vroeg maar toch al tijdens het spitsuur helemaal vanuit Kortenberg naar hier te rijden. Dacht dat het nooit ging lukken en zie mij hier nu staan. Stipt op tijd en al. Ook hier is er zo’n open meerverdiepingenparking vlak naast het ziekenhuis. Dat lijkt hier in het Gentse overal standaarduitrusting aan die ziekenhuizen. In het pikdonker probeer ik nu de weg te vinden naar de hoofdingang. Ik wandel aan de zijkant langs de gebouwen want het regent lichtjes. Er was gezegd dat ik nuchter moest komen, zonder gegeten te hebben, maar over droog of nat komen hebben ze niets gezegd. Dus beter het zekere voor het onzekere nemen.
Ik had dat ‘nieuwe centrum voor radiologie’ begrepen als een abstract, organisatorisch begrip, een beetje zoals een nieuwe regering nu ook niet onmiddellijk nieuwe kantoren betrekt, maar in dit geval blijkt het ook fysiek te kloppen. Naast de hoofdingang aan de achterkant van Sint-Lucas staat er de facto een spiksplinternieuw gebouw uit een mooie donkerrode baksteen opgetrokken met als naambordje ‘Marie Curie’. Wanneer ik binnen stap, blijk ik de eerste te zijn op een hoogbejaard koppel na die al in het kleine wachtzaaltje samen een vragenlijst zitten in te vullen. Ik weet niet juist wie van de twee een scan moet laten uitvoeren vandaag maar het is aandoenlijk om te zien hoe ze samen proberen de vragen correct te beantwoorden. Enkele minuten later krijg ik trouwens dezelfde vragenlijst voorgeschoteld. Hij bevat de standaardvragen voor elke scan blijkbaar – ik begin al expert te worden want het is mijn tweede – zoals of er ergens ijzer in je lichaam zit en zo ja waar en of je ooit al eerder en dan vooral recent zo’n scan hebt laten uitvoeren en zo ja dewelke juist, enzovoort…, enzovoort…?
Als het mijn beurt is, word ik vriendelijk verzocht om enkel mijn bovenlichaam vrij te maken voor enkele preliminaire medische check-ups. Eerst komt er een verpleger langs die mijn bloeddruk en dergelijke opmeet. Hij vraagt niet echt wat er aan de hand is. Het volstaat dat ik hem letterlijk wijs op het gezwel in mijn oog opdat er een onderlinge verstandhouding is. Als hij met een kleine naald een prikje aanbrengt in een van mijn vingers, krijg ik als feedback dat ‘er toch veel zuurstof in mijn bloed zit.’ Schamper reageer ik: “Ik ben blij dat er toch nog iets goed marcheert aan mijn lichaam.” De verpleger begint te lachen en zegt: “Ja, het moet niet altijd slecht nieuws zijn, hein mijnheer.” Pas nadien valt mijne euro dat het misschien zijn manier was om te zeggen dat die longen precies toch nog hun werk doen.
Dan komt er een geprepensioneerde vrouwelijke dokter langs. Ik weet niet juist wat dat die doet. Ze stelt enkele ogenschijnlijk onbeduidende vragen en verlaat dan statig de kleine voorbereidingsruimte.
Daarna komt er een hele jonge verpleegster langs, zo op het eerste oog pas afgestudeerd. Ze neemt me mee naar een volledig apart lokaaltje en vraagt me daar plaats te nemen op een lange ligzetel, zo eentje dat steun aan de benen geeft wanneer hij achterover geklapt wordt. Ze raadt me trouwens aan om zo te gaan liggen op de zetel in kwestie. Ze zegt: “Ziet u die klok daar mijnheer?” “Ja, natuurlijk.” “Wel, de bedoeling is dat u hier een uurtje rust, maar echt rust.” “Echt rust?” “Ja, dat u hier een uurtje ligt zonder iets te doen.” “Ik mag dan toch op mijn smartphone wat kijken of zo?” “Neen, zelfs dat niet, mijnheer. De bedoeling is dat uw ganse lichaam, uw zenuwstelsel, uw bloedsomloop, uw hartslag, volledig tot rust komt, mijnheer.” “Dus ik moet hier gewoon een uur liggen, in deze donkere kamer, zonder iets te doen? Enkel maar koekeloeren voor mij en misschien de naalden van de klok wat volgen?” “Ja, inderdaad, u mag natuurlijk wel nadenken, of wat dromen, of zelfs slapen.” “Amai, van onthaasting gesproken. Misschien moeten ze al die overdrukke managers een keer langs hier sturen.” De jonge verpleegster negeert terecht mijn stom gezwets en houdt de arbeidsethiek hoog: “Na het uurtje rusten, gaan we even langs het toilet passeren want het is belangrijk dat uw blaas volledig leeg is tijdens het scannen. Is dat OK voor u mijnheer?” Ik antwoord al even zakelijk van wel. Maar stiekem ben ik gewoon opgelucht over de voorgestelde gang van zaken. Ouderdom brengt bij mannen naast debiel gezwets en meer en meer doorhangende borstspieren ook een zwakker presterende blaas met zich mee. En stel je voor dat ik daar plots in die scan moet urineren. Hoe beschamend zou dat niet zijn.
Na vijf minuten verschijnt de jonge verpleegster weer. Maar deze keer draagt ze in haar linkerhand een raar metalen kistje. Het heeft de vorm van een pyramide en ziet er veel zwaarder uit dan het waarschijnlijk is. Ze zegt: “Dag, mijnheer Hoskens, vooraleer we aan dat uur rusten beginnen, ga ik u dit moeten toedienen. Ik weet niet of u al weet hoe een PET-scan juist werkt?” Ik antwoord: “Euh, het is mijn eerste. Dus niet echt, nee.” “In dit doosje zit radioactieve suiker. We gaan die suiker intraveneus aanbrengen in uw lichaam. En weet u wat tumoren het liefst van al eten?” Ik gok: “Staan ze zot op radioactieve suiker?” Nu begint ze toch wat te lachen. “Bijna juist. Suiker eigenlijk. Suiker is hetgeen ze het liefst van al hebben. Ze trekken suiker dan ook naar zich toe. Ze zuigen het op als het ware. Maar doordat deze suiker radioactief is gaan we alle mogelijke haarden in uw lichaam zien oplichten als groene vlekken.”
“Zeg even iets totaal anders dan. U zult dit waarschijnlijk al duizend keer gehoord hebben, maar ‘radioactief’ zegt u? Is dat dan niet gevaarlijk? Voor mij en voor u?” “Als het niet te veel gebeurt, is het niet schadelijk,” antwoordt de verpleegster. “Ah ok,” antwoord ik, “dan is het voor mij nog niet schadelijk want voor mij is het de eerste keer.” De verpleegster knikt. “En voor u dan? Want u doet niets anders, vermoed ik?” “Wij worden nauw opgevolgd,” antwoordt de jonge verpleegster. “Wij hebben ook continue een meettoestel op ons lichaam dat meet aan hoeveel radioactiviteit we blootgesteld worden. Als we een bepaalde dosis overschrijden, moeten we veranderen van job.” Ze ziet mij, het miskende zoveelste arbeidsmarktslachtoffer van generation X, al verbaasd opkijken. “Ik bedoel dan krijgen we een andere functie in het ziekenhuis, hein mijnheer.” “Ah, maar nu begrijp ik ook beter dat rare doosje daar. Dat is waarschijnlijk om de straling te minimaliseren?” “Inderdaad mijnheer. En ook de blootstelling aan het product zelf wordt zo laag mogelijk gehouden. Zo is er geen enkel rechtstreeks contact tussen mij en de vloeistof die we bij u inbrengen.” “Awel, ik kan alleen maar mijn bewondering voor u en uw job uitdrukken. Vroeger zou ik gezegd hebben ‘liever gij dan mij,’ maar nu dat ik mij aan deze kant van de dienstverlening bevind, kan ik het leven alleen maar dankbaar zijn dat er zo’n mensen als jij bestaan.” “Dat is niets hoor mijnheer, het is met plezier gedaan.” En ik geloof dat ze het nog meende ook.
Over de scan zelf kunnen weer heel kort zijn. De astronautenervaring was er weer. En deze keer was het zelfs geen Sojoez meer, maar al een heuse Apollo. Hiermee kon je volgens mij echt naar de maan gaan. Hij duurde ook weer ongeveer een uur. Maar de flitsen waren ondanks alle scifitoestanden toch weer afwezig. Daarvoor zal ik misschien de volgende keer moeten vragen om nog iets anders in mij te spuiten. Als ze dan toch bezig zijn, kunnen we er maar beter ineens van profiteren.